Vergangenheitsbewältigung en integriteit

Het Nederlands Dagblad attendeerde vanmorgen op een column van Wim Berkelaar op protestant.nl: ‘Het religieuze geweld van professor Kamphuis’. Zelden zoiets onhistorisch gelezen uit de pen van een historicus. Bovendien: wat heb je er aan uit pure verontwaardiging over verbaal religieus geweld en karaktermoord zelf met flink wat verbaal geweld karaktermoord te plegen? Als er iets is waar we in ‘de vrijgemaakt gereformeerde wereld als geheel’ (GKv èn NGK) géén behoefte aan hebben is het dit soort teksten. De enige manier waarop ik er wat mee kan — en de voornaamste reden waarom ik er hier over schrijf — is dat deze column in feite precies aangeeft waarom er in de gereformeerde wereld tot nu toe geen serieus proces van verwerking van het verleden op gang wil komen.

Verwerking, waarderende plaatsing van wat er in het verleden gebeurd is, of, zoals het alleen in het Duits in één woord gezegd kan worden: Vergangenheitsbewältigung, is alleen mogelijk wanneer we de persoonlijke integriteit van de spelers in dat verleden maximaal intact laten. Je hoeft en je kunt uiteraard niet iedereen gelijk geven. Daar gaat het ook niet om. Maar mensen als ‘bad guys’ neerzetten zorgt er alleen maar voor dat je überhaupt niet meer kunt begrijpen waar het hen om ging, en blokkeert uiteindelijk de toegang tot de achterliggende problematiek. Die achterliggende problematiek heb je nodig om iets serieus met dat verleden te kunnen.

Berkelaar zet Kamphuis neer als uitgesproken ‘bad guy’ en laat vervolgens in zijn simplistische karikatuur van Kamphuis als adept van een dwaze ‘ware-kerk’ theorie zien geen enkel contact meer te hebben met de werkelijkheid van de jaren zestig. Gek genoeg neemt hij op die manier als buitenstaander zijn plaats in in de slechtste traditie van gereformeerde polemiek. Het ging in die polemiek in de jaren zestig en zeventig al ongeveer een eeuw lang geregeld over ‘bad guys’. De namen wisselden van ethischen naar barthianen naar synodalen naar oecumenisten, maar  waar het de ander om ging was doorgaans niet van belang. Het eigen bijbelse gelijk was te groot om nog naar andersdenkenden te luisteren.

Effect was niet alleen dat niemand meer verder kwam in de achterliggende problematiek — niet voor niets is de gereformeerde theologie in de vrijgemaakte traditie een paar decennia op sterven na dood geweest — effect was vooral dat er taboe’s ontstonden, ‘onaanraakbare’ onderwerpen, terreinen waarop zelfs vragen  stellen verboden was omdat het je in het kamp van de ‘bad guys’ zou brengen. Maar pas als je de op de achtergrond spelende vragen weer onder ogen ziet en er je eigen antwoorden op geeft krijg je een maatstaf in handen waarmee je wat er in het verleden gebeurd is serieus kunt verwerken, en niet gedoemd bent te blijven hangen in je eigen gelijk.

In 2001 heb ik zelf geprobeerd om met de ogen van de historicus te kijken naar wat er in feite gebeurd is rond de beruchte Open Brief van 31 oktober 1966. Volgens mij is aantoonbaar dat zowel de lezing van die brief door de auteurs als de lezing van die brief door de veroordelende synodes en critici in de pers integer was, zelfs een eigen innerlijke evidentie had — en dat je toch moet zeggen dat de schrijvers van de brief veroordeeld zijn op termen van de ander, veroordeeld zijn om het beweren van zaken die ze niet beweerd hebben. In de achterliggende problematiek van de spanning tussen belijnd belijden en eigentijds actueel positie innemen kozen beide partijen voor een eigen opstelling, die zich in de loop der jaren zover van elkaar verwijderd hadden dat begrip niet meer mogelijk was. Verbaal geweld, provocaties en het ter discussie stellen van de integriteit van de ander vonden over en weer plaats, en voor zover ik kan zien over en weer vanuit onbegrip van de ander en een vanzelfsprekend overtuigd zijn van het eigen gelijk. De problematiek is uiteindelijk blijven liggen en pas decennia later door een nieuwe generatie weer opgepakt.

Dat geldt nog meer voor de niet direct in de Open Brief maar in andere discussies opspelende problematiek van de omgang met en binding aan de gereformeerde belijdenissen. Die is onder de suggestieve lading van de discussie uit die jaren zo volledig in de taboe-sfeer terecht gekomen dat er tot op vandaag niet of nauwelijks meer vrijuit en serieus over gesproken kan worden. Als het al gebeurt — en gelukkig zelfs weer tussen Nederlands Gereformeerden en vrijgemaakten — wordt de diepte van de problematiek niet geproefd. Het is eenvoudig niet mogelijk mensen in de 19e, 20e of 21e eeuw op de manier van het 17e eeuwse bindingsformulier te binden aan belijdenissen uit de 16e en 17e eeuw als waren het ‘eigen’ belijdenissen. De noodzakelijke toeëigening van die historische belijdenissen in een eigen belijden wordt in de huidige vorm van binding ‘overgeslagen’. En dus speelt die toeëigening een verborgen rol, onschuldig zolang we elkaar vertrouwen, maar explosief zodra dat vertrouwen ontbreekt. Met deze maar al te reële problematiek  onder ogen zien en er een serieus antwoord op vinden, moeten we als gereformeerden in de vrijgemaakte traditie netto nog helemaal beginnen.

Een laatste voorbeeld heb ik vorig jaar naar voren gehaald in mijn bespreking van de werkorde. Het beruchte ‘wegroepings-kerkrecht’ uit de jaren zestig, waarbij gemeenteleden opgeroepen werden zich te onttrekken aan opzicht en tucht van beweerd onbetrouwbare ambtsdragers en kerkenraden, was een vrijgemaakte noodgreep in dezelfde onopgeloste problematiek als waarin in de jaren veertig synodes ambtsdragers schorste en afzette — namelijk de problematiek van de kerkrechtelijke bevoegdheid van meerdere vergaderingen. Die problematiek wordt tot op vandaag doorgegeven in het presbyteriaal-synodale kerkrecht en niet of nauwelijks onder ogen gezien in onze kerken.

Het zijn maar een paar voorbeelden van thema’s waarin we pas tot een serieuze waardering van het verleden gaan komen als we in staat zijn gebleken een diepere problematiek onder ogen te zien en aan te vatten. Wat we daarbij totaal niet kunnen gebruiken is een houding van het ter discussie stellen van de integriteit van mensen die in die grotere problematiek posities hebben ingenomen en daar in hun kerkelijke setting consequenties aan verbonden hebben. We komen pas verder als iedereen mag meepraten, ook de mensen die je tegenspraken en andere keuzes hebben gemaakt. En of ze nu nog leven of al overleden zijn, dat maakt niets uit, want ‘in Hem leven zij allen’.

Wat mij betreft is het juist de combinatie van het niet intact laten van de integriteit van de ander, het niet meer inhoudelijk onder ogen zien van waar het hem om gaat en het in het gevolg daarvan uit het oog verliezen van de achterliggende problematiek die het tot nu toe onmogelijk heeft gemaakt dat er in de kerken van de vrijmaking een serieuze Vergangenheitsbewältigung heeft plaats gevonden. Het blijft dan tenslotte om loyaliteiten gaan en niet om waarheid en recht in een bepaalde zaak. Berkelaars column geeft er een trieste illustratie van. Jammer.

10 gedachten over “Vergangenheitsbewältigung en integriteit

  1. Wat mij betreft een goede en richtinggevende reactie van ds. Van der Schee. Met de benadering van Berkelaar kan ook ik weinig aanvangen. Hij helpt er niemand mee. Maar bij mij blijft het slot van Van der Schee haken: Het moet niet om loyaliteiten gaan, maar om waarheid en recht. Zonder in vruchteloos relativisme te willen vervallen moet ik toch vaststellen dat kerkelijke strijd veelal meer gevoed wordt vanuit sociologische en psychologische factoren dan vanuit theologische motieven. Die laatste verbind ik dan maar even met “waarheid en recht” zoals Van der Schee die ten tonele voert. Laten we enigszins boud zeggen: 80% sociologie en psychologie en 20% theologie. Op 18 jarige leeftijd mocht ik de perikelen rond de ‘open brief’ meemaken. Dat ging dwars door mijn familie. Erg veel liefde voor de kerk, als instituut, heb ik daaraan niet overgehouden. Evenmin heb ik daarbij een vruchtbaar format opgedaan om met kerkelijke verschillen om te gaan. De inhoudelijke argumentatie voor het ene of het andere standpunt was dun. Dat kunnen we nu uit de aard der zaak beter zien dan toen en dat oordeel is 45 jaar later gemakkelijk te geven, zoals ook Berkelaar dat kort door de bocht doet. Daarentegen was -in mijn geval- de vaststelling aan welke zijde je stond doorslaggevend voor de vraag of je nog een gesprekspartner was of niet. Ik kan me niet aan de waarneming onttrekken dat dit sterk samenhing met de min of meer toevallige keuzen in het eigen referentiekader, de druk vanuit de directe omgeving, en niet in de laatste plaats het karakter van het individu in kwestie. Op theologisch terrein was men in mijn omgeving snel uitgepraat. De verschillen waren per saldo niet zo groot. Het bloed ging echter pas flink stromen als personen, uitlatingen van deze of gene spraakmaker, handelwijzen van kerkelijke vergaderingen e.d. ter sprake kwamen. Iemand die er op wees dat we toch dezelfde Heer hadden werd in mijn wat meewarig begroet, want die had er weinig van begrepen. Er werden stellingnamen van fermer aard verwacht. In die behoefte voorzag o.a. Prof. Kamphuis. Misschien kan je de waarde van Berkelaars column (dat is het slechts)zien in de eenzijdigheid ervan. Hij benadert e.e.a. vanuit een niet theologische invalshoek, en vanuit een sociologisch perspectief. Dat roept bij een rechtgeaarde gereformeerde de reactie op dat het toch om de waarheid en het recht behoort te gaan. Dat is maar de vraag. Tot een behoorlijke Vergangenheitsbewältigung behoort ook dat je onder ogen durft te zien dat de dingen soms platter waren dan je zou willen.

    Bert Morijn, Waddinxveen

  2. Over Berkelaar is wat mij betreft al wel weer genoeg geschreven en ingezonden. Zinvoller lijkt me nu om door te denken. Daarbij lees ik stimulerende dingen in je artikel. Al was het alleen voor mijn eigen helderheid, even de zinnen die m.i. sleutel vormen van boeiende gedachten mbt juist perspectief op GKv-verleden:

    “…de schrijvers van de brief veroordeeld zijn op termen van de ander.”

    “…niet mogelijk mensen (…)op de manier van het 17e eeuwse bindingsformulier te binden aan belijdenissen uit de 16e en 17e eeuw als waren het ‘eigen’ belijdenissen.”

    ” …dus speelt die toeëigening een verborgen rol (…) explosief zodra dat vertrouwen ontbreekt.”

    + de uitsmijter van Bert hierboven:
    “Tot een behoorlijke Vergangenheitsbewältigung behoort ook dat je onder ogen durft te zien dat de dingen soms platter waren dan je zou willen.”

    En dan begint imho een schitterende opdracht voor christen-historici. Geen oppervlakkige diskwalificaties, maar pogingen om in een mooie mix van sociologie / psychologie en theologie het verleden te beschrijven.

    • H Gert,
      Je hebt gelijk, net als Bert trouwens in veel opzichten. Ik heb ook niet willen beweren dat het allemaal inhoud en zaak was in de vaak ruige debatten in het GKv-verleden. Het ging ook om de sociologie van een groep onder druk in een ideologische setting, om ‘mannetjes’ en psychologische afrekeningen, om persoonlijkheidsstoornissen en psychische ziektebeelden, en vast om nog veel meer. Niets menselijks is ons in de kerk vreemd. Maar juist als het om het verwerken gaat van wat er in de kerk gebeurd is, inclusief de rechtsdimensie daarvan, heb je serieuze oriëntatiepunten nodig in wat ik maar de achterliggende problematiek genoemd heb. Juist tegenover de diepgang van de ‘perennial questions’ van kerkzijn en van de gereformeerde traditie daarin kun je pas echt zien hoeveel platter de dingen soms waren.
      Dat raakt echt niet alleen niet-theologische factoren. Je kunt bij een taxatie van de scheuring in de jaren zestig en zeventig volgens mij ook niet heen om de theologische incompetentie van de hoofdrolspelers: kleine mensen in een veel te kleine kerk. Ook dat geldt alle kanten op. Wat mensen als Telder en Vonk te bieden hadden was echt niet meer dan extreem oppervlakkige mode-theologie. En als het toch om Kamphuis gaat: hoe langer ik me met kerkrecht bezig houd, des te meer valt het me op dat hij eenvoudig de nodige competenties miste op dat vak (geen wonder ook als je zo geparachuteerd wordt op een loodzware positie). Maar dat is en blijft heel iets anders dan de integriteit van mensen ter discussie stellen.
      Om naar aanleiding van het ingezonden van Lenze Bouwers in het ND vandaag daar nog één voorbeeld aan toe te voegen: het is J. Kamphuis geweest die op zichzelf heel terecht aandacht heeft gevraagd voor het gevaar van de dominocratie: dominees die hun eigen gang gaan in de kerk van de Heer zonder zich nog te laten corrigeren of tegenspreken. Maar waar hij en flink wat van zijn medestanders een enorme blinde vlek voor hebben gehad is het gevaar van groepen (dominees en anderen) die in kerkelijke vergaderingen hun eigen gang gaan en zich evenmin nog laten corrigeren of tegenspreken. Om het provocerend te zeggen: het heeft er veel van weg dat in onze kerken lang een niet officieel politbureau gefunctioneerd heeft van mensen die vergaderingen, bladen en instellingen domineerden, naar het lijkt zonder in de gaten te hebben wat een oncontroleerbare machtsfactor ze vormden. Dat is begrijpelijk vanuit de achterliggende problematiek in ons kerkrecht waarin heerschappij luidruchtig wordt afgewezen, maar de feitelijke uitoefening van gezag en macht niet is geregeld en in balans gebracht. Onder de dekmantel van mooie woorden als dienst en gezamenlijke verantwoordelijkheid in vergaderingen wordt de feitelijke macht dan ongrijpbaar. In een minder uitgesproken vorm is dit volgens mij in onze kerken overigens nog steeds actueel: de vertegenwoordiging van wat ik maar even de ‘Nader Bekeken bloedgroep’ noem is in kerkelijke vergaderingen buitenproportioneel groot, bijvoorbeeld. En, nou ja, iedere predikant hoort te beseffen dat hij ook gewoon macht heeft in zijn gemeente en zijn eigen tegenspraak zoveel mogelijk te organiseren.
      Maar goed, er is inderdaad werk aan de winkel. Wat de Open Brief betreft heb ik mijn deel gedaan in het artikel waar ik hierboven naar verwijs. Op de problematiek van de binding aan de confessies hoop ik hier over niet al te lange tijd terug te komen.

      • Beste ds. Wim,
        Als je toch van plan bent om op de binding aan confessies terug te komen, lees dan eerst nog even het proefschrift (uit 2009) van dr. R.C. Janssen. Je vindt het hier: http://igitur-archive.library.uu.nl/theol/2009-0618-200551/Dissertatie_R.C.Janssen.pdf
        Dat dit proefschrift nooit tot echte discussie heeft geleidt, vind ik nog altijd onbegrijpelijk. Want confessies en de binding eraan is de rode draad die de schisma’s van 1944 en 1967/’70 met elkaar verbindt.

        • H Johan,
          Carlo Janssens diss heb ik destijds in pdf gescand en ergens op een virtuele stapel gelegd. Dat je in een historisch deel verzuipt in details en zaken waarvan je je afvraagt of ze überhaupt belangrijk zijn is te verwachten, maar ik heb dat nog veel sterker bij het systematisch deel. Gegeven de tekst vind ik het heel begrijpelijk dat dit proefschrift niet tot discussie geleid heeft.
          Waarom vind jij het onbegrijpelijk? Is er iets in de tekst dat jou wel in beweging brengt? Waarvan vind jij dat het wel tot discussie had moeten leiden?
          Bij voorbaat dank voor je reactie! W

  3. Eigenlijk heb ik niet zoveel problemen met de column van Wim Beukelaar. Er is door buitenstaanders & tijdgenoten in harde bewoordingen over vrijgemaakte synodes van de jaren ’60 geoordeeld. De grootste zwakte van Kamphuis vind ik nog altijd dat hij nooit de minste neiging gehad heeft getoond om zijn rol binnen de vrijgemaakte kerken kritisch tegen het licht te houden. Meestal hebben mensen, ouder en wijzer geworden, ‘in hindsight’ de neiging om hun eigen optreden van al dan niet kritische kanttekeningen te voorzien. Tijd heelt vele wonden en tijd maakt ook dat mensen oog krijgen voor andere aspecten. Er zijn Kamphuis genoeg handen toegestoken, maar die heeft hij altijd afgeweerd. Wat dat aangaat kun je zeggen: Kamphuis is gestorven zoals hij geleefd heeft. En ik vind het triest dat deze ridder van de heilige belijdenisgraal zo gestorven is. Het leven had, ook voor hem zoveel rijker kunnen zijn.
    Misschien dat er nu ruimte komt om het vrijgemaakte verleden eens kritisch tegen het licht te houden. Daar wordt al geruime tijd, van verschillende zijden op aangedrongen. Dat Beukelaar dat op ruwe wijze doet, dat neem ik Beukelaar niet kwalijk. Het is niet alleen belangrijk voor vrijgemaakten zelf, het zou ook belangrijk moeten zijn voor PKN waarin de voormalige GKN is opgegaan. GKN draagt diepe schuld voor het schisma van 1944. Als GKN zich in de jaren’40 en ’50 toeschietelijker had opgesteld, vrijgemaakten zouden nooit het schisma van ’67 (of van ’70) gekend hebben. Richting vrijgemaakten zou ik willen zeggen: sterf niet zoals Kamphuis, sterf niet als een onverzoend mens!
    Laat ik tot slot nog dit zeggen: elke keer als het vrijgemaakte verleden ter sprake komt, leidt dat tot grote emotie. Zeg nooit dat het over het vrijgemaakte verleden sec gaat, voor een scheiding heb je nog altijd twee personen nodig. Mijn voorlopige conclusie is: tot op de dag van vandaag is de vrijmaking van 1944 nog steeds onvoltooid verleden tijd. En: voor satan moet 11 augustus 1944 wel een feestdag zijn geweest.

  4. Beste ds. Wim,
    Helaas kan ik niet meer reageren op je verzoek tot reactie onder jouw bovenstaande tekst. Dus doe ik het maar hier.
    Natuurlijk had het proefschrift van Janssen aanleiding moeten zijn tot nadere discussie. Ik ben het proefschrift nog aan het lezen en tot nu toe lees ik het met veel plezier. Dat komt misschien ook omdat ik het historische kader dat hij schetst zo goed begrijp. Maar (binding aan) belijdenisgeschriften is een onopgelost probleem onder Gereformeerden. Janssen draagt in ieder geval materiaal aan om dat bespreekbaar te maken. En daar ben ik Janssen dankbaar voor.

    Dat het onopgelost is, blijkt wel uit websites zoals Gereformeerdekerkblijven.nl (om van eeninwaarheid.info nog maar te zwijgen), een website waar o.a. Huib Wilschut schrijft. Het geschrijf van Huib Wilschut doet mij altijd denken aan de oudtestamentisch profeet Sidkia, je weet wel, die profeet met z’n ijzeren horens die tegen koning Achab zegt: ‘Dit zegt de HEER: Met deze horens zult u de Arameeërs neerslaan, tot u ze allemaal verslagen hebt’, waarna de profeet Micha zegt: ‘Ik zag Israël verspreid over de berghellingen, als een kudde schapen die geen herder heeft. De HEER zei: “Ze hebben geen aanvoerder, laat ieder in vrede naar huis terugkeren.” Dat is ook zo’n beetje de toestand in Gereformeerd Nederland, verstrooide schapen zonder herder. Volgens mij heeft Wilschut de Knots der Rechtzinnigheid naast z’n PC liggen om daarmee alle ‘afvalligen’ de hersens in te slaan. Dat Jochem Douma zich ook in dat Koor der Rechtvaardigen mengt, dat vind ik al helemaal onbegrijpelijk. Wim Berkelaar sprak al over kerkelijk geweld in vrijgemaakt kring. Nu Kamphuis overleden is, moet daarvoor niet meer Ommen maar eerder in Smilde zijn. Het vuur blijft branden, ook als dat het vuur van de Gehenna is.

    Als je denkt dat Gereformeerden altijd een homogeen volkje Gods zijn geweest, dan heb je het helemaal mis. In de 17e eeuw zou er zonder twijfel reeds een schisma zijn ontstaan indien de overheid niet alle generale synodes verboden had. Was dat niet het geval geweest, dan zouden Voetianen en Cocceianen zonder twijfel elkaar de Tent des Verbonds hebben uitgevochten. Ik bedoel maar: verdraagzaamheid is niet de grootste kwaliteit van het Gereformeerde kerkvolk, en van het vrijgemaakte kerkvolk al helemaal niet! Als we geen Gereformeerde Donatisten, als we geen mensen van de zuivere, de zuiverder, de zuiverste kerk willen zijn, wie willen we dan wel zijn? Die vraag is nooit besproken, (mede) omdat de synode van Hoogeveen alle andersdenkenden de mond heeft gesnoerd, op straffe van excommunicatie. Sindsdien praten vrijgemaakte predikanten ‘met meel in hun muil’, ook al kruipt bij sommigen het bloed waar het niet gaan kan. Gelukkig ben ik zelf geen predikant en kan ik schrijven wat ik wil.

    Hoe doen ze dat trouwens bij jou in Amsterdam? Ik las onlangs over die evangelisch-gereformeerde gemeente De Aker in Amsterdam. Ik heb niks met evangelischen, die mensen van ‘blij, blij, blij’. Zijn die Anker-mensen wel helemaal ‘in’ de Canones van Dort en de Confessio Belgica? Of zijn ze meer ‘vrijzinnig blij’? Nou ja, ik schrijf dit wat spottend, zoals ook de profeet Micha kon spotten met kerkvolk van zijn tijd.

    Beste ds. Wim, het zijn zo maar wat gedachten. Als je het niks vindt, zoek de delete-knop. Als je vindt dat wat ik over Huib Wilschut schrijf, geen hout snijdt en ad hominem is, doe dan hetzelfde. Maar je moet niet denken dat je daarmee het probleem van Gereformeerden hebt opgelost. We moeten antwoord vinden op de vraag: Wie willen wij, Gereformeerden, in Godsnaam zijn? En: Gaan we ooit nog eens leren dat de kerk geen dierentuin is waar bewakers alle hekken hebben opengezet?

    • Johan, dank voor je respons. Meer dan vier ‘lagen’ reacties werken in deze layout nu eenmaal niet…
      Ik laat je tekst voor wat die is: jouw tekst – niet die van mij.
      Er is nu eerst een andere klus (deadline 17-2), dan hopelijk tijd voor belijdenissen en binding.
      Goede zondag gewenst, W.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *