Kerkrecht in werkelijkheid 3

Bevoegdheid

Als binnen het gereformeerde stelsel van kerkrecht de bevoegdheid om bindende beslissingen te nemen bij de kerkelijke vergaderingen ligt (kerkenraad, classis, synode), hoe verhouden de bevoegdheden van die verschillende kerkelijke vergaderingen zich dan tot elkaar? Dat is een van de bekendste en oudste systeemproblemen van het presbyteriaal-synodale kerkrecht. Het gaat dan vooral om de verhouding tussen de bevoegdheid van de kerkenraad en die van de synode. Welk recht heeft een synode besluiten te nemen die kerkenraden binden? Wat is het eigen recht van de kerkenraden waar synodes zich niet mee mogen bemoeien, of zelfs het eigen recht om ook anders te besluiten dan classes of synodes gedaan hebben? ‘Kerkgemeenschappen van het gereformeerde type slepen, zolang zij bestaan, de vraag naar de verhouding tussen de plaatselijke gemeente en de landelijke of universele kerk als een schaduw met zich mee.’ (Van Drimmelen, 64). Ik maak me geen illusies dat ik er wel uit ga komen, maar het lijkt me wel de moeite waard er nog eens opnieuw naar te kijken.

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) volgen in deze problematiek een bepaalde lijn binnen de gereformeerde traditie. Daarin speelt de ontstaansgeschiedenis van deze kerken in de Vrijmaking een bepaalde rol. Was de synode destijds bevoegd om Klaas Schilder niet alleen te ontslaan als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool, maar ook te schorsen en af te zetten als emeritus-predikant van de gemeente van Rotterdam-Delfshaven? De latere vrijgemaakten vonden van niet. Schorsen en afzetten van predikanten is de bevoegdheid van de eigen kerkenraad (in combinatie met die van een buurgemeente). Let op, dat het hierbij niet gaat om de bevoegdheid van de synodes destijds om iedereen in de kerken te binden aan een eigen leerbeslissing. Op zichzelf is ook volgens de vrijgemaakten een synode bevoegd om leerbeslissingen te nemen. Ze maakten zich van die ene toen vrij omdat ze die in strijd vonden met de bijbel (dus op grond van art. 31 van de kerkorde). De verhouding tussen de bevoegdheden kwam alleen aan de orde bij de schorsingen en afzettingen door de synode.

Wat mij daarbij opvalt, is dat het debat over de bevoegdheid van de synode ten opzichte van de kerkenraden in de tijd van de Vrijmaking zich concentreerde op een inhoudelijk punt: is de synode in deze zaak van het schorsen en afzetten van ambtsdragers bevoegd of niet? Daarin werd door beide partijen een beslissing genomen. Maar voor zover ik kan zien (dat kan heel goed aan mij liggen) is dat in de vrijgemaakte kerken nog geen aanleiding geworden om eens verder te denken over de vraag in welke zaken een synode eigenlijk bevoegd is en in welke zaken niet.

Dat zal er mee te maken hebben dat de vrijgemaakte positie is opgebouwd op twee samenhangende kerngedachten. De ene is de gedachte dat elke plaatselijke kerk een complete kerk is, met alle bevoegdheden die bij kerk zijn horen. Je wordt geen kerk door je als onderdeel in een groter geheel te voegen, je bent het zelf al. De meeste bevoegdheden berusten dan binnen de gereformeerde traditie bij de kerkenraad als college van de ambtsdragers. De andere gedachte is dat de bevoegdheid van meerdere vergaderingen van de bevoegdheid van plaatselijke kerkenraden is afgeleid. Via hun afvaardiging dragen die kerkenraden een deel van hun bevoegdheden over aan de classis en de synode. Zo kun je stellen: ‘Het gezag der Kerkenordening rust op het gebod van onderwerping aan de ambtsdragers.’ (Jansen, 2).

Hier horen weer twee dingen bij: classis en synode hebben geen ‘eigen’ bevoegdheden, alles is afgeleid van de bevoegdheden van de kerkenraad. Het andere is: er is geen inhoudelijke manier om te bepalen welke zaken er onder de bevoegdheid van een kerkenraad en welke er onder de bevoegdheid van classis of synode vallen. Dat is een kwestie van historie en wat er verder min of meer toevallig door synodes wordt besloten en door de kerken geaccepteerd en/of op die manier in een kerkorde terecht komt. Het had ook best zo kunnen uitkomen dat ook het deel van de bevoegdheden van een kerkenraad dat schorsing en afzetting van ambtsdragers raakt, was overgedragen aan classis en/of synode. Het is in ieder geval niet zo dat schorsing en afzetting tot een onoverdraagbaar ‘natuurlijk’ recht van de kerkenraden behoren. Op de lijn die de Gereformeerde Kerken hebben gekozen is alle kerkrecht in dezen ‘positief’ recht, dat bestaat omdat het zo afgesproken is. Er is geen inhoudelijk gegeven grens voor wat kan worden afgesproken, behalve die van strijd met de Schrift.

Om toch een zekere afgrenzing in verantwoordelijkheden en bevoegdheden te krijgen gebruikt het gereformeerde kerkrecht vanouds twee criteria. In termen van de Werkorde (E3.3): meerdere vergaderingen zijn bevoegd a. in zaken die in de mindere vergadering niet konden worden afgehandeld en b. in zaken waarvan door de kerken (binnen het ressort) is afgesproken ze gezamenlijk te behartigen. De tweede categorie is kwetsbaar (wat kun je allemaal wel niet afspreken gezamenlijk te behartigen? nu [art. 30] moeten de zaken de kerken gezamenlijk tenminste nog aangaan…), maar aan de andere kant ook wel logisch: de Theologische Universiteit, de zending, als je dat soort dingen gezamenlijk opzet, moet je ze ook gezamenlijk besturen. In dit kader echt relevant is eigenlijk alleen de eerste categorie, verwant aan het zg. subsidiariteitsbeginsel: op een hoger niveau in de organisatie kan niet besloten worden over zaken die op een lager niveau kunnen worden afgehandeld. Dat is geen inhoudelijk, maar een of een procedureel of een ‘historisch’ criterium. Historisch, omdat het dan gaat over zaken die al doende niet blijken te kunnen worden afgehandeld op het niveau van de kerkenraad (of dat van de classis). Het is in ieder geval kennelijk niet van belang waarom een zaak niet in een mindere vergadering kan worden afgehandeld, en het is onduidelijk wie dat beslist.

Dat laatste is geen uit de lucht gegrepen punt. Bij de Vrijmaking besliste de synode dat de zaak van de schorsing en afzetting van de leiders van de beweging die zich verzette tegen zijn besluiten een zaak was die niet in een mindere vergadering kon worden afgehandeld. Daar valt ook best iets voor te zeggen: het algemeen belang van de kerken stond op het spel, de geloofsgemeenschap stond onder druk (zie breder Van Drimmelen, 58-62). De latere vrijgemaakten vonden, heel anders, dat het de mindere vergadering zelf moet zijn die beslist: als het haar niet lukt iets af te handelen beslist zij zelf de zaak op de agenda van een meerdere vergadering te zetten. Dat je er daarmee ook niet komt, al was het maar door de ingebakken problematiek van de vertegenwoordiging, is vervolgens in de algemene bezinning op het kerkrecht blijven liggen. In de praktijk vonden ruim twintig jaar later de vrijgemaakten hun eigen oplossing voor dit specifieke probleem: je kunt als synode de ambtsdragers dan wel niet schorsen, je kunt wel de gemeenteleden onder hun leiding vandaan roepen. Het effect is hetzelfde en het is begrijpelijk dat de latere Nederlands Gereformeerden zich in die jaren net zo rechteloos hebben gevoeld als de latere vrijgemaakten in de jaren veertig.

Hoe dan ook, de combinatie van de twee gedachten, dat elke plaatselijke kerk alle kerkelijke bevoegdheden heeft, en dat die daar een en ander van overdraagt aan classis en vooral synode, is vragen om competentie-problemen: twee (of meer) instanties die uiteindelijk dezelfde bevoegdheden delen. Wat doet een kerkenraad als hij meent dat de meerdere vergaderingen de hun overgedragen bevoegdheid misbruiken? Als een gemeente op zichzelf echt een complete kerk is, kun je dan die bevoegdheid niet ‘terugnemen’, bij gebleken disfunctioneren? Dan kan een synode (of zo) wel zeggen: afspraak is afspraak, maar als een kerkenraad nu vindt dat juist de synode zich niet aan de afspraken houdt? Wat als een synode en een kerkenraad op hetzelfde onderwerp verschillende overtuigingen hebben? Wat is er dan overgedragen en wat niet? Je kunt bij synodes niet zomaar zaken naast je neerleggen omdat jij als kerkenraad toch eind-verantwoordelijk blijft. Een synode is geen commissie van beheer (en ook daarbij is zoiets al onverstandig).

In ieder geval geloof ik van beide kerngedachten waar de kerkrechtelijke benadering van dit probleem in de Gereformeerde Kerken van uit gaat, dat ze niet waar zijn. Het zal blijken dat ook in die kritiek twee gedachten samenhangen. De eerste is de gedachte dat ‘losse’ gemeenten geen complete kerk zijn. Ze zijn alleen maar kerk van Jezus Christus op een bepaalde plaats wanneer ze ook in contact en verband treden met andere kerken om hen heen.

Christenen zijn niet vrij zich al dan niet bij een gemeente aan te sluiten willen ze christen blijven. Wie Christus als Heer aanvaardt krijgt uit zijn hand al de zijnen als broers en zussen met wie hij of zij iets goeds moet (Heidelbergse Catechismus, Zondag 21). Net zo min als je op je eentje christen kunt zijn (wie het probeert heeft uiteindelijk eenvoudigweg een ander geloof), kun je als losse gemeente kerk zijn. Kerken die kerk van Jezus Christus zijn hebben helemaal geen keus òf ze zich verbinden met andere kerken. Er is hoogstens een keus hoe en met welke andere kerken het meest intensief, in een geregeld kerkverband. Wie overigens denkt dat dit met aansluiten bij een kerkverband wel klaar is, heeft nog niets begrepen van de dimensies waarin koning Jezus werkt. De kerk is altijd 7000 keer groter dan wij denken, en dat gaat zeker ook om gemeentes vlak om de hoek in Nederland die tot een ander kerkverband behoren. Daarmee kun je om allerlei redenen minder intensief contact hebben, maar helemaal niet (zelfs geen gesprekscontact) past niet bij een gemeente van Christus.

Ik ben me ervan bewust dat dit geen kerkrechtelijke stelling is, maar een ecclesiologische, net zo goed als de andere stelling dat een gemeente op zich wèl een complete kerk zou kunnen zijn. De laatste jaren ben ik me van het belang van de positie die je hier kiest des te meer bewust geworden. Er duiken steeds vaker figuren op die ‘zichzelf dopen’ en een of andere groep beginnen die ze dan als kerk presenteren, maar die volledig of vrijwel volledig isoleren van bestaande kerken en gemeenten. Steeds meer vraag ik me af of het mogelijk is dit soort groepjes min of meer welwillend te benaderen, al dan niet onder beroep op Filippenzen 1:18. In ieder geval moet je je eigen positie daarin niet zwakker maken door er voor jezelf wel van uit te gaan dat een gemeente op zich al compleet kerk is.

De andere gedachte is dat we juist in die onontwijkbare opdracht van de Heer van de kerk zelf tot kerkelijk samenleven de bron vinden voor een eigen bevoegdheid van een kerkverband (bij ons concreet van classes en synodes).

De kerk kent maar één Heer, Jezus Christus. Uiteindelijk komt elke vorm van kerkelijke bevoegdheid bij hem vandaan. De vraag is hoe die bevoegdheid in naam van de Heer bindende beslissingen te nemen ons in de kerken concreet bereikt. Er zijn kerken waarin de mensen er van overtuigd zijn dat Jezus zijn bevoegdheid heeft doorgegeven aan zijn apostelen die haar weer hebben doorgegeven aan bisschoppen die haar weer doorgeven aan hun opvolgers. Elke andere bevoegdheid is van hen afgeleid. Bevoegdheid in de kerk is dan een erfenis voor bepaalde mensen. Het kerkrechtelijk systeem dat hier bij hoort is het zg. episcopale systeem, bijvoorbeeld in de Rooms-katholieke kerk. In andere kerken gaan de mensen er omgekeerd van uit dat Jezus zijn bevoegdheid door zijn Geest telkens weer direct geeft aan de (gezamenlijke) gelovigen. Laatst bevoegde instantie is dan de gemeentevergadering. Elke andere bevoegdheid is daarvan een afgeleide. Bevoegdheid is dan een kwestie van vertegenwoordiging van iedereen of tenminste van de meerderheid. Het kerkrechtelijk systeem dat daarbij hoort heet congregationalisme. Gereformeerde kerken hebben deze beide benaderingen altijd afgewezen.

Als ik het goed zie bereikt Jezus’ bevoegdheid ons in gereformeerde kerken via de ambtsdragers (gezamenlijk). Jezus geeft ambtsdragers aan zijn gemeente. Traditioneel was de gedachte, zoals eerder gezegd, dat de ambten van predikant, ouderling en diaken op instelling ervan in het Nieuwe Testament terug gaat. Wanneer de gemeente bij gemeenteleden gaven herkent om één van die ambten uit te oefenen worden zij geroepen en bevestigd in dat ambt en krijgen ze deel aan de bevoegdheden van dat ambt. Na de slechte ervaringen in de Roomse situatie werd het zo geregeld dat de ambtsdragers die bevoegdheden meestal gezamenlijk uitoefenen in de kerkenraad. Kijk je door je oogharen naar dit geheel, dan zou je preciezer kunnen zeggen dat de bevoegdheid van koning Jezus ons in gereformeerde kerken bereikt op het snijpunt van een opdracht die hij geeft (er moeten die en die ambtsdragers zijn) en gaven die hij geeft om die opdracht te vervullen. Op deze manier laveer je door tussen de episcopale benadering (het belang van de ambten) en de congregationalistische (de gemeente wordt ingeschakeld om de gaven te herkennen).

De structuur van deze gereformeerde benadering vind ik sterk. De uitwerking minder. Als ik dit verbind met de ecclesiologie waar ik het in de eerste post over had krijg je net een andere invulling. Er is inderdaad een opdracht van Jezus zelf. De levende God moet vereerd worden (Efeziërs 5 etc.). Het evangelie moet verkondigd worden en de doop bediend (Matteüs 28 etc.), het avondmaal moet gevierd worden (1 Korintiërs 11 etc.), er moet onderling betrokkenheid, toezicht, bemoediging zijn in het geloof (teveel plaatsen om op te noemen) en er moet onderlinge hulp metterdaad zijn (idem), en de gemeenten moeten zo bestuurd worden dat dit allemaal gebeurt (1 Petrus 5 etc.). Vervolgens wordt er een hele range aan mensen vermeld die in deze activiteiten voorgaan, veel meer dan predikanten, ouderlingen en diakenen en geen van alle precies in de vorm zoals wij die kennen. Als er vereisten voor die voorgangers gegeven worden gaat het om vereisten die voor alle christenen gelden op één uitzondering na: voorgangers moeten kunnen onderwijzen. Logisch, anders wordt het niks met dat voorop gaan in wat iedereen te doen heeft. De primaire opdracht van Jezus is niet dat er (bepaalde) ambtsdragers moeten zijn die in zijn naam leiding geven, maar de primaire opdracht is dat er dingen moeten gebeuren in en vooral door de gemeenten. De ondersteuning daarvoor die door ambtsdragers gegeven wordt is secundair, en kan allerlei vormen aannemen, net naar wat er in een bepaalde situatie nodig is. Daar blijft de kerk een ‘trekkende’ kerk bij.

Wie nu van de Heer van de kerk kennelijk gaven krijgt om in één van deze voor kerk zijn typerende activiteiten voor te gaan en leiding te geven kan specifiek de taak krijgen: ga dat op regelmatige basis doen (al dan niet voor een beperkte tijd). Het op een geregelde manier in Jezus’ naam voorgaan in zo’n activiteit noemen we ambt. Als deze dingen van Jezus moeten gebeuren in de kerk en hij geeft iemand precies voor het leiding geven daarin gaven, dan wil hij kennelijk dat diegene namens hem daarin voorgaat. Op het kruispunt van taken en gaven ontspringt de bevoegdheid van ambtsdragers in de gemeente, niet aan een gegeven ambt en ook niet aan een of andere democratische verkiezing door de gemeente. Het is precies op dit snijpunt van door Jezus gegeven taken en door Jezus gegeven gaven dat de gemeente in de gereformeerde traditie altijd al kiest: herkennen wij de gaven voor deze taken bij deze of gene? Zo ja, dan wordt diegene door de gemeente en dus door God zelf geroepen en verdient bijpassend ontvangen en behandeld te worden.

Voor een kerkverband en voor kerkelijke vergaderingen daarin geldt iets anders. Alleen al omdat de opdracht een andere is. Net als in de gemeente voor gemeenteleden onderling geldt, houdt in de grote, multi-etnische familie van Christus, de onderlinge verbinding van gemeenten altijd en naar de aard der zaak onderlinge betrokkenheid in, inclusief onderling toezicht, wederzijdse opbouwende kritiek en onderlinge hulp. Zodra je zo’n verbinding een een land of regio concreet gaat vormgeven ontstaat een kerkverband, waarin van alles geregeld moet worden wil het kunnen functioneren. Daarmee ben ik weer terug bij de tweede gedachte: de bevoegdheid van dat kerkverband (bij ons van classes en synodes) wordt niet afgeleid van die van kerken(raden), maar komt voort uit dat concreet vorm geven van de niet te ontwijken opdracht van de Heer van de kerk tot kerkelijk samenleven. Wat daarin geregeld wordt is geen kwestie van onderlinge afspraak van de gemeenten, maar komt voort uit een eigen bevoegdheid die een eigen bron heeft: ze ontspringt aan dat samenleven en -werken, en wordt daar ook door begrensd. Wat de Heer gebiedt moet door mensen die bezield zijn door zijn Geest geregeld worden. Het is logisch dat die mensen uit de kerken komen die zich verbinden. Het is niet logisch dat daarmee ook hun bevoegdheid uit die (ambtelijk gestructureerde) gemeenten wordt afgeleid. Er hoeven geen bevoegdheden overgedragen te worden. Eigen bevoegdheden moeten goed worden uitgevoerd.

Je zou het voorgaande kunnen samenvatten als: plaatselijke ambtsdragers (kerkenraden) ontlenen hun taken en bevoegdheden aan het functioneren van de kerk als kerk, meerdere vergaderingen ontlenen hun taken en bevoegdheden aan het functioneren van het samenleven van kerken. Daarmee hebben we tenminste een invalshoek om verder te komen in dat roemruchte systeemprobleem van het gereformeerde kerkrecht: de verhouding tussen de bevoegdheid van kerkenraden en meerdere vergaderingen.

In ieder geval is er geen sprake van een ‘hoogste gezag’ in dezen. Een kerkenraad vormt niet het hoogste gezag in de kerk en een synode evenmin. Er is één Meester en wij zijn allen broers en zussen. Hij geeft mensen op onderscheiden manier eigen bevoegdheden die inhoudelijk tegen elkaar afgegrensd moeten worden. Dat is des te meer nodig omdat de taken en bevoegdheden in de kerkelijke praktijk wel degelijk in elkaar grijpen. Kerkenraden hebben in ieder geval de meest direct verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het functioneren van hun gemeente. Het is daarom logisch dat de Werkorde bepaalt dat de kerkenraden de besluiten van de meerdere vergadering toetst met het oog op de toepassing daarvan in de gemeente (F2.2) en daarin wat mij betreft ook de bevoegdheid heeft besluiten die niet goed uitpakken voor de gemeente niet uit te voeren. Maar wil een kerkverband iets voorstellen dan dient het het kerkelijk samenleven, houdt het altijd een vorm van toezicht op het reilen en zeilen van de gemeenten en regelt het bijvoorbeeld ook rechtsbescherming van gemeenteleden en werkers in de kerk tegenover hun kerkenraad en gemeente. Het is daarom ook logisch dat meerdere vergaderingen verantwoordelijkheid voor en beslissingsbevoegdheid over kerkenraden en gemeenten hebben, niet alleen als het gaat om rechterlijke uitspraken (in zaken van beroep en bezwaar), maar ook als het gaat om bepaalde besluiten.

Wanneer je uitgaat van het samenleven van de kerken als terrein waarop het kerkverband bevoegd is, levert dat op dat een (classis of) synode bevoegd is in

  • het vaststellen van structuren, rechten en plichten, functies en bevoegdheden en procedures die het functioneren van het kerkelijk samenleven (in het betreffende ressort) mogelijk maken;
  • het vaststellen van structuren, functies en procedures die de rechten en plichten van mensen (gemeenteleden, werkers, leidinggevenden) in de gemeenten beschermen;
  • het besluiten in zaken die de kerken (in het betreffende ressort) samen organiseren;
  • het vormgeven en uitvoeren van vertegenwoordiging naar buiten (externe relaties) van de kerken (in het betreffende ressort) gezamenlijk;
  • het geven van adviezen en het bieden van faciliteiten waar een kerk of de kerken belang bij heeft/hebben.

Op de laatste na vragen al deze zaken om besluiten met een bindend karakter voor kerken(raden). Het zijn ook typisch de zaken die in een kerkenraad niet afgehandeld kunnen worden. Of ze raken het samenleven van de kerk, waar je niet in je eentje over kunt beslissen. Of ze geven vorm aan het onderling toezicht op de kerken(raden), waar je zelf niet in kunt beslissen. Voorlopig houd ik het er op dat besluiten in al het andere overschrijding betekent van de bevoegdheden van een classis of synode en dus conflict met de taken en bevoegdheden van de kerken(raden). Wanneer meerdere vergadering op andere onderwerpen toch besluiten nemen die ze als bindend presenteren ervaar ik dat als ‘illegaal kerkrecht’: kerkrecht dat wel rechtsgeldigheid claimt, maar geen werkelijke rechtsgrond heeft.

Waar gaat het in deze dingen zoal om? Een zaak die het functioneren van het kerkelijk samenleven mogelijk maakt is bijvoorbeeld het regelen van situaties waarin een besluit in de ene gemeente rechtsgevolgen heeft voor een andere gemeente. Wanneer de regelmatige toegang tot het avondmaal in de ene gemeente ook recht geeft op toegang tot het avondmaal in alle andere gemeenten van het kerkverband, ga je daar iets over regelen (C7.1-3). Wanneer predikanten niet alleen in de eigen gemeente, maar overal in het kerkverband mogen optreden, ga je de toegang tot en het toezicht op de functie van predikant samen regelen (onderdeel B). Ook het regelen van betrokkenheid en toezicht onderling hoort hierbij, denk aan een vorm van kerkvisitatie (E6), de doelstelling van de classis (E4.5), en ook aan de verplichte ondertekening van een bindingsformulier door ambtsdragers (B2).

Als het gaat om rechtsbescherming kun je bijvoorbeeld denken aan een goede procedure voor bezwaar en beroep. Gemeenteleden hebben er recht op dat hun bezwaren serieus genomen worden (niet dat ze gelijk krijgen!) en dat eventuele tuchtmaatregelen tegen hen zorgvuldig en verantwoord worden genomen. Werkers in de kerk hebben recht op een goede regeling van hun rechtspositie. Dus worden dat soort dingen geregeld en niet maar in de vorm van een advies, maar met bindende rechtskracht. Als je als kerken samen een Theologische Universiteit opricht beslis je daar ook samen over, net als over de zending, zaken die de kerken gezamenlijk organiseren (en niet maar afspreken ze gezamenlijk te behartigen). Ook besluiten daarin kunnen niet anders zijn dan bindend voor de kerkenraden van de betrokken kerken.

Omgekeerd heeft op zichzelf niemand er recht op dat in de eredienst alleen liederen gezongen worden uit een bepaalde bundel, altijd bepaalde formulieren worden gelezen, alleen bepaalde bijbelvertalingen worden gebruikt, en dergelijke. Waar gemeenteleden recht op hebben is dat hun kerkenraad toeziet op een goede inrichting van de eredienst die strekt tot eer van God en die de opbouw en de eenheid van de gemeente dient (C3.1 — de rest van C3 is overbodig in een kerkorde en hinderlijk in de kerkelijke praktijk). Evenmin heeft iemand er recht op dat het bestuur van een gemeente alleen door predikanten en ouderlingen wordt gevormd of dat het pastoraat alleen door predikanten en ouderlingen wordt vormgegeven (tenminste de suggestie van B5.1 en B5.2). En zo is er nog meer. Je kunt daar allemaal veel van vinden, maar dat is het ook wel. Ik zou niet weten waar je als synode de bevoegdheid vandaan kan halen om hierin iets te besluiten dat de kerken wil binden. Uniformering is geen deugd in de kerk, en al helemaal geen goddelijk gebod.

Natuurlijk betekent dit niet dat elke kerkenraad op allerlei onderwerpen zelf het wiel maar moet uitvinden. Er is alle ruimte en ook behoorlijk wat reden voor synodes om een psalm- en liedbundel te laten samenstellen en aan de kerken aan te bevelen. Het is heel handig formulieren en formuleringen aan te bieden om te gebruiken bij wat er zoal in een kerkdienst gebeuren kan. Zeg vooral iets over bijbelvertalingen en stimuleer het gebruik van één. En zo door. Het enige waar het me hier om gaat is te beweren dat synodes niet bevoegd zijn in dit soort dingen beslissingen te nemen die ‘bindende rechtskracht’ hebben. Juist dat dient de vrede in de kerken niet en maakt het functioneren van het kerkelijk samenleven niet mogelijk maar moeilijk. Pas toen de synode van 1978 om de een of andere onduidelijke reden de kerken bond aan wat goedgekeurde orden van dienst was het mogelijk op grond daarvan bezwaar te maken tegen de gang van zaken in een eredienst, en dat gebeurde dus ook. In de hele bende over de liturgie rond de laatste eeuwwisseling is pas wat rust gekomen toen de synode van Zuidhorn 2002-2003 in feite (en wellicht onbedoeld) de verantwoordelijkheid daarvoor weer teruglegde bij de kerkenraden en het landelijk project van bindend faciliterend maakte. Zaken van landelijke regelgeving voorzien omdat je kerkenraden wilt helpen in lastige processen, helpt ze in werkelijkheid meestal van de wal in de sloot. Had nooit iets geks besloten als dat alleen de goedgekeurde psalmberijming en gezangen gezongen moeten worden en er had nooit iemand bezwaar kunnen maken tegen een ander gezang op grond van deze bepaling. Dat had de nodige kerkenraden een boel negatieve energie gescheeld.

Ik werk een ander voorbeeld nog wat verder uit: de vergaande regelingen en procedures voor plaatselijke contacten met kerken buiten het kerkverband. Die plaatselijke contacten zijn zonder meer de verantwoordelijkheid van elke gemeente en haar kerkenraad. Je kunt geen kerk zijn op je eentje en dat houdt niet op bij een kerkverband. Tegelijk is het logisch dat een classis of synode zich met plaatselijke contacten bemoeit. Er zijn twee ingangen voor: het beschermen van gemeenteleden tegen onbesuisdheid of onzorgvuldigheid van hun kerkenraad, en: het gemeenschappelijk belang als een kerkelijk contact rechtsgevolgen heeft voor andere kerken in het verband. Het is dus zinnig als er vanuit het kerkverband een procedure voorgeschreven wordt voor informatie van en inspraak door de gemeente bij deze contacten, inclusief mogelijkheden van bezwaar en beroep. Even zinnig is het een en ander te regelen voor situaties waarin kerken zo’n soort samenwerking willen aangaan dat er rechtsgevolgen zijn voor andere kerken (bijvoorbeeld predikanten van ‘daar’ die ook elders in het kerkverband ‘hier’ kunnen voorgaan, of gemeenteleden van de ‘andere’ gemeente die ook rechten krijgen in ‘onze’ kerken; concreet gaat het dan eigenlijk alleen maar over samenwerkings- of combinatie-gemeenten).

De regelingen die er nu zijn gaan echter veel verder en binden het hele proces van kerkelijke contacten, inclusief allerlei tussenstappen, aan goedkeuring van de classis (bindende besluiten). In feite wordt de beslissingsbevoegdheid in deze zaak aan de kerkenraden ontnomen en aan het kerkverband gegeven, terwijl het de taak en de bevoegdheid van kerken(raden) is, contact te leggen met andere kerken, als het kan daarmee ‘kansel te ruilen’, elkaars leden aan het avondmaal uit te nodigen en dergelijke. Deelnemen aan een kerkverband is immers niet meer dan het begin van gehoor geven aan Christus’ opdracht je als kerkelijke gemeente te verbinden met andere. Dat daarbij in de regelingen telkens landelijke samensprekingen doordrukken, ook waar daar plaatselijk geen aanleiding voor is, is niet alleen een extra hindernis, maar ook een fraai voorbeeld van de omkering van de bewijslast die telkens opduikt bij het overschrijden van hun bevoegdheid door de meerdere vergaderingen. Niet een gemeente zou moeten aantonen dat een plaatselijk contact een uitzondering vormt op de regel van het landelijk contact — dat een plaatselijk contact onverantwoord is zou door het kerkverband moeten worden aangetoond.

Maar is er niet nog een derde ingang voor het kerkverband om zich met deze zaken te bemoeien? Een kerkverband kan niet zonder onderling toezicht op het functioneren van de gemeenten en de leiding daarvan. Daar zijn structuren voor als de kerkelijke rechtspraak in zaken van beroep, functies als die van de visitatoren en procedures zoals de voorgeschreven ondertekening van de gereformeerde belijdenissen door ambtsdragers. Biedt dit niet ook ruimte voor extra bevoegdheid van een classis in zaken als plaatselijke kerkelijke contacten? Of bij een andere eerder gegeven voorbeeld: biedt dit niet ook ruimte voor bevoegdheid van een synode in zaken als het voorschrijven van een bepaalde liedbundel?

Het lijkt me niet, om de eenvoudige reden dat toezicht houden niet hetzelfde is als bepalen of beperkend regelen. Toezicht houd je op mensen die verantwoordelijk zijn voor hun eigen taken en bevoegdheden. Bovendien is dat toezicht al geregeld. Visitatoren hebben niet alleen de ruimte, maar ook de taak te vragen naar de gang van zaken rond kerkelijke contacten of de inrichting van de erediensten. Als daar aanleiding voor blijkt te zijn hebben classes al de ruimte en de taak om door te vragen en desnoods te corrigeren of te verbieden of op een andere manier in te grijpen in de bevoegdheden van een kerkenraad. De noodzaak daarvoor zal dan wel apart moeten worden aangetoond. Er moeten heel goede redenen zijn om bij ambtsdragers door te vragen op het niveau van de trouw aan de gereformeerde belijdenissen (zie de bindingsformulieren), er moeten even goede redenen zijn om in te grijpen in de bevoegdheid van een ander. De bewijslast ligt dan bij de vergadering die ingrijpt.

— Een noot terzijde nog: in verband met de bevoegdheid van de kerkelijke vergaderingen duikt steeds weer het spookbeeld van het zg. ‘independentisme’ op (vgl. ook Werkorde, toelichting 2 bij F2). In het independentisme hebben alle besluiten en uitspraken van een classis of synode hebben niet meer gewicht dan adviezen. De verantwoordelijkheid en bevoegdheid ligt helemaal bij de kerkenraad of gemeentevergadering. Dat is een massieve en algemene uitspraak, die normaal zijn plek heeft in de heel andere kerk(recht)elijke traditie van het congregationalisme. Ik vraag me af of er binnen de gereformeerde traditie iemand is die haar werkelijk wil verdedigen. Als ik bij mezelf blijf: ik geloof dat behoorlijk wat besluiten van classis of synode niet meer gewicht hebben dan adviezen, zelfs als die vergadering zelf er meer gewicht aan toekent. Dat laatste heeft te maken met de feitelijke afstand tot de kerken (zie de vorige post), het gebrek aan kwaliteit van besluiten (zie de volgende post) en het overschrijden van de grenzen van de eigen bevoegdheid door classis of synode. Maar van de meeste besluiten geloof ik wel degelijk dat die meer gewicht hebben, tot bindende rechtskracht toe. Ik herken me dan ook helemaal niet in het plaatje van de ‘independentist’. En ik geloof dat niemand in onze traditie dat doet. Laten we ophouden met dit soort spookbeelden te schermen.

Van Drimmelen = L.C. van Drimmelen, Een troon voor het Woord. Opstellen over kerkrecht, 2007
Jansen = Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkenordening, 1923 (eerste druk)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *