Kerkrecht in werkelijkheid 5

Ontwikkelingen en veranderingen

Het is tijd voor een andere invalshoek: hoe verhoudt zich de Werkorde eigenlijk tot de huidige situatie en vooral tot de huidige ontwikkelingen in de kerken?

Eerst maar eens over de verhouding tot ontwikkelingen en veranderingen in het algemeen. In de inleiding van de Memorie van toelichting bij de Werkorde (I 20) lezen we dat deputaten Herziening kerkorde ontwikkelingen en verschuivingen willen verdisconteren, en afwegen of die ontwikkelingen en verschuivingen codificatie (vastlegging in rechtsregels) verdienen. Er moet gestreefd worden naar formuleringen die ruimte laten voor c.q. bieden aan voortgaande ontwikkelingen, maar de kerkorde dient volgens deputaten niet actief vooruit te lopen op de ontwikkelingen in de kerken. Deze herziening kan hoogstens aanleiding worden voor nieuwe bezinning. Deputaten gaan er daarbij van uit (I 19) dat recht in grote mate reactief is: er zijn eerst voorvallen, herhalen die zich dan ontstaat er casuïstiek, vervolgens leidt die tot beleidsbepaling en codificatie. We vinden in de Werkorde dus verwerking van ontwikkelingen en verschuivingen die al hebben plaats gevonden en codificatie van casuïstiek en beleidsbepaling uit het verleden. Dat is duidelijk herkenbaar. Het levert een serie prima bepalingen op, maar de blik is onmiskenbaar naar het (al dan niet recente) verleden gericht en niet naar de toekomst.

Het lijkt me dat deputaten bij hun beroep op het reactief karakter van het recht hun blik ten onrechte versmallen. Recht is vooral reactief in de setting waarin het in de rechtbanken gesproken wordt. Er is dan een gegeven corpus wet- en regelgeving. Als er iets opduikt wat daar niet zonder meer onder valt volgt eerst een ad hoc uitspraak door de rechter. Herhaalt zich zoiets, dan ontstaat er jurisprudentie, die vervolgens weer gecodificeerd kan worden in wet- en regelgeving. Waar we bij het opstellen van een nieuwe kerkorde echter óók mee te maken hebben is, zeg maar, de ‘Tweede Kamer ingang’ tot het recht. Daarbij gaat het ook om het omzetten van beleid en doelstellingen in wet- en regelgeving. Zoals de Tweede Kamer haar beleidsmatige wensen voor de ontwikkeling van de samenleving kan omzetten in regelgeving, kan onder meer bij de vaststelling van een herziene kerkorde een synode een visie op (het samenleven van) de kerken omzetten in regelgeving. Dat is niet per se reactief. Het kan ook heel leidend zijn. Ik heb niet kunnen vinden dat iemand het deputaten Herziening kerkorde heeft verboden daar een stimulerende rol in te spelen. Het lijkt er meer op dat ze zich hebben laten leiden door het feitelijk ontbreken van een landelijke ‘uitvoerende macht’ en het gebrek aan centrale aandacht voor identiteit, visie en beleid. De sterk reactieve opstelling van synodes weerspiegelt zich in een vooral reactieve en erg weinig proactieve opstelling in het kerkrecht en ook in de Werkorde.

Nogmaals: dat levert op zich wel allerlei sterke bepalingen op. In de Werkorde bieden vooral het hoofdstuk over de kerkelijke tucht en dat over de kerkelijke rechtspraak een enorme verbetering ten opzichte van de kerkorde zoals die in 1978 is vastgesteld. Goede en slechte ervaringen in de kerken rond tucht en rechtspraak en een hele serie nu los zwervende uitspraken en regelingen worden er overzichtelijk in samen genomen. Beide hoofdstukken zijn typische voorbeelden van waar het deputaten om ging: de versterking van het rechtsgehalte van kerkrecht en kerkorde (Memorie van toelichting Inleiding G). Maar ook verder is er veel goeds te noemen (in willekeurige volgorde en zonder compleet te willen zijn): de regeling van een non-actief stelling voor ambtsdragers (B18, B26), de generale rechtspositieregeling voor predikanten (B23), de ruime bepaling voor preekconsent (B31), het toevoegen van de evangelieverkondiging naar buiten bij de taakstelling van de predikant (B3.1) en de meeste bepalingen rond de missionaire roeping van de kerk (C15), een aantal andere onderdelen van C die ik al bij de inleiding noemde, de bepalingen over vorming  en toerusting (C13), de bepalingen over bijzondere kerkelijke organisaties en instellingen (E8), de regeling rond de bevestiging van huwelijken met een niet-vrijgemaakte partner (C11.4), de instelling van een college van visitatoren (E6.3), het weglaten van de zg. credentiebrief (E3.2) en zo voort.

Deputaten hebben ook de moed gehad tegen feitelijke ontwikkelingen in te schrijven. Je kunt er over twisten of het verstandig is de verhouding van predikant en gemeente zo te regelen als in onze traditie gebruikelijk is. De zelfstandige rol van de predikant tegenover de gemeente kun je eigentijdser en beter regelen (bijvoorbeeld door detachering in een gemeente van predikanten die in dienst zijn bij een centrale kerkelijke instantie of ‘uitzendbureau’). Maar gegeven de oude keuzes kiezen deputaten daarin voor een consequente benadering. Die komt ook uit in de bepalingen over het levensonderhoud van de predikanten daarin (B16). De huidige tendens is onmiskenbaar die naar een werkgever-werknemer verhouding en het behandelen van het traktement als was het loon naar werken. De Werkorde gaat daar behoorlijk tegenin. In lijn met de bepalingen in de Werkorde zou in ieder geval liggen het schrappen van de onzinnige verbinding met gemeente-grootte in de huidige advies-tabellen voor traktement. De werkbelasting van een predikant heeft werkelijk niets met gemeente-grootte te maken en de verbinding die nu gelegd wordt staat haaks op het principe van traktement als voorzien in levensonderhoud.

Andere bepalingen gaan wat mij betreft een goede kant op, maar blijven ergens steken. Er wordt eindelijk ruimte geboden voor het houden van een kerkdienst bij een begrafenis (C4.4), maar die ruimte wordt tegelijk ingeperkt door de aparte afweging die een kerkenraad telkens moet maken en die volgens de toelichting vraag om een uitzonderingskarakter. Het houden van een kerkdienst zou wat mij betreft de regel moeten zijn. Zoals er in een kerkdienst gedoopt wordt bij geboorte hoort er vanuit een kerkdienst begraven te worden en in Gods naam gezaaid. Het een noch het ander is primair een zaak van de familie die het ‘zelf mag regelen’. Ik zou eerder zeggen: op verzoek van de familie kan een kerkenraad besluiten dat niet te doen, maar dát moet een uitzondering blijven. Er is eindelijk een bepaling over de kerkelijk werker (B30), maar, zoals na het voorgaande te verwachten valt, ik vind de onderscheiding tussen ambtelijk en niet-ambtelijk kunstmatig en gewrongen. Ze doen allerlei werk dat ook door predikanten, ouderlingen en diakenen gedaan wordt, net zo goed in Gods naam als de anderen, gun ze dan ook een werkelijk kerkelijke behandeling, met bevestiging en al, en behandel ze niet als functionarissen of werknemers.

Toch blijven we met al die dingen te maken hebben met verwerking en codificatie van wat er al is of waarvan al heel lang om aanpassing geraagd wordt. Dat laatste geldt zelfs voor de meest vergaande stappen in de Werkorde,  die van de combinatie van afschaffing van de particuliere synode en verlaging van de frequentie van de synode naar elke twee jaar, met alle extra gevolgen van dien rond de classis, en die van de nieuwe taakstelling voor de diaken, het uitschrijven uit de kerkenraad van de diakenen en de dan logische stap van het openstellen van het diakenambt voor vrouwen. Het lijken initiatieven van de deputaten zelf, die daarmee aan allerlei gegeven problemen tegemoet willen komen (en er wellicht nieuwe mee oproepen, maar goed). Wat mij betreft overigens op beide punten: well done. Had dit soort lef ook op andere onderwerpen gehad…

Stel je de vraag naar de ruimte voor doorgaande ontwikkelingen en vernieuwingen dan wordt het anders. Ja, er wordt ruimte gelaten, vooral stilzwijgend en door het voorbeeld van wat er nu verwerkt is. Ook deze herziening van de kerkorde wil een tussenstap blijven en timmert de boel niet dicht. Voor nieuwe dingen gaan we in de toekomst net zo een kerkrechtelijke oplossing vinden. Prima, maar waarom zou je dan nu een bepaling over M/V in het ambt opnemen (B7) die niet nodig is en prematuur gegeven de discussie erover? Dat combineert niet lekker. Er wordt ook ruimte gemaakt, al is die moeilijk indrukwekkend te noemen. Een kerkenraad kan behoorlijk variëren in zijn vergader- en werkstructuur (B29.2; maar dat kon ook al toen er nog niets over geregeld was). Een kerkenraad kan besluiten het avondmaal wekelijks te gaan vieren (C6.1; al kan dat niet met de bepaling erbij over de formulieren), er is nu expliciet ruimte voor het ‘perforeren’ van kerkgrenzen (C8,3: uitgangspunt); de formulering in C2.2 over de dienst der barmhartigheid in de eredienst wil uitdagen tot uitbreiding daarvan tot meer dan een collecte, en zo is er vast nog meer te vinden. Het doet me intussen denken aan de invoering destijds van een door de gemeente gezongen of gesproken ‘amen’ in de eredienst terwijl er in de gemeenten nog wel om iets anders gevraagd werd dan dergelijke liturgische details.

Wel heel stil wordt het als het gaat om het stimuleren van ontwikkelingen en vernieuwingen. Misschien zegt het niets, maar het woord ‘uitdaging’ komt alleen voor in de toelichting bij C2.2 en dat is ook het enige voorbeeld dat ik kan vinden van iets dat lijkt op het stimuleren van ontwikkelingen. Merkwaardig in ‘gereformeerde’ kerken, die zich in eigentijds Nederlands in feite ‘vernieuwde’ kerken noemen en graag zeggen dat een ecclesia reformata semper reformanda is. Sowieso merkwaardig in de kerk, waar geldt ‘dat de identiteit van een kerk niet bestaat in haar onveranderlijkheid, maar juist in haar roeping en vermogen om te veranderen, dat wil zeggen zich te bekeren’ (via Koffeman, 36).

Waarom zou het kerkrechtelijk een probleem zijn om bepalingen die vernieuwing en verandering stimuleren op te nemen in een kerkorde? Dat begint al bij de basale binding aan bijbel en belijdenis van ambtsdragers (B2). De formulering nu onderstreept vooral de binding aan wat gegeven is. Ze bevordert zo het in onze kerken wijdverbreide misverstand dat belijdenissen er zijn om te handhaven. Ze zijn er om te belijden en vragen daarom telkens weer om toeëigening en actualisering in nieuwe omstandigheden en tegenover nieuwe vragen. Wie zich bindt aan ‘de leer van de Bijbel, zoals die verwoord is in de belijdenisgeschriften’ verplicht zichzelf daarmee ook tot het steeds weer nieuw actualiseren van die leer en de betekenis van die belijdenissen. Een zin in die richting kan zo toegevoegd worden aan B2. Het is echt nog steeds niet vanzelfsprekend dat predikanten bij de verkondiging van het Evangelie aan kerk en wereld gericht zijn op vernieuwing en actualisering (B3). Evenmin is het vanzelfsprekend dat het geestelijk leiding geven aan de gemeente door kerkenraden (B28) ook betekent dat die daarom de vernieuwing van het geestelijk leven in de gemeente stimuleren.

Waarom zou het kerkrechtelijk een probleem zijn om bepalingen die aandringen op evaluatie en het vragen om feedback op te nemen in een kerkorde? Als je dan toch aandacht wilt geven aan het proceskarakter van recht en de mogelijkheid tot verandering daarvan, waarom niet bepaald dat de synode elke vier jaar (om en om) evalueert of de kerkorde in de huidige situatie voldoet? Het is niet ingewikkeld of verboden om als aanvulling op het slotartikel (H1.2) iets op te nemen als: Gemeenteleden en kerkenraden worden opgeroepen aanvullingen en kritiek die tot wijziging van de kerkorde dient, in te brengen bij deputaten X. Bij recht hoort dat het volgens vastgestelde procedures te wijzigen is. Bied dan ook een procedure daarvoor aan die verder reikt dan de synodes zelf en wat daar via de kerkelijke weg op tafel gelegd kan worden. Maar net zo goed in het klein: als je al iets kunt bepalen over het kiezen van een passende werkstructuur voor de kerkenraad (B29.2) kun je zeker iets bepalen wat neerkomt op: De kerkenraad evalueert regelmatig zijn functioneren en schakelt daarbij ook gemeenteleden in. Dat soort dingen houden de boel in beweging. Er lijkt me niets vreemds aan en ook niets wat strijdt met het rechtskarakter van het kerkrecht. Er worden in de Werkorde wel meer zaken beargumenteerd met de ontwikkeling in de maatschappij en ook in de kerken (B17, C8, E1). Daar passen dit soort dingen zo onder: als er iets normaal is geworden…

Omgekeerd is het opvallend hoe meerduidig de Werkorde staat tegenover gemeentestichtingsprojecten: een typische setting voor vernieuwing van gereformeerd kerk zijn en het zoeken naar en vinden van nieuwe vormen van kerk zijn überhaupt. Ze krijgen niet meer te horen dan dat de kerkenraden en werkers in de kerk zich bij het missionaire werk houden aan de kerkorde en de kerkelijke regelingen en besluiten (C15.5). Je kunt dat eventueel ‘open’ lezen als: aan de kerkorde voorzover in deze situaties niet gecorrigeerd door specifieke kerkelijke regelingen en besluiten (die veel wendbaarder zijn dan kerkorde-artikelen). Maar het ligt meer voor de hand het als een afwerende bepaling  te lezen. De toelichting stelt: deze bepaling verhindert dat missionaire gemeentestichting tot ‘free enterprise’ wordt en zet de kerken tegelijk voor de taak in haar regelgeving altijd ook met de missionaire situatie rekening te houden. Over dat laatste maak ik me weinig illusies. Het eerste lijkt me eerder de motivering.

Zoals ze er nu staat is het een bepaling die ontmoedigt en geen recht doet. Ze ontmoedigt omdat gemeentestichting creatief werk is dat niet bijvoorbaat past in bestaande structuren van kerkorde en regelingen en dat ook achteraf al heel snel niet meer past in een opgestelde regeling (ervaring in de classis Amsterdam-Leiden). Het kan niet anders dan dat de kerkorde en kerkelijke regelingen en besluiten bij dit soort ontwikkelingen altijd achter lopen. De bepaling doet geen recht omdat je geen gemeente kunt stichten zonder dat de mensen die van deze gemeente deel uit gaan maken serieus genomen worden en betrokken worden bij de inrichting van ‘hun’ gemeente, ook als ze heel anders zijn dan doorsnee vrijgemaakten. Het proces van gemeente-vorming waar het hier over gaat kan geen kwestie zijn van aanpassing aan de situatie in onze kerken nu, maar moet een gemeenschappelijk zoeken van een weg in kerk en samenleving zijn, dat ook de situatie in de kerken onder kritiek stelt. Bij dit soort zaken hoor je als kerken geen beperkte ruimte te bieden (je houden aan), maar een heldere positieve richting te wijzen.

Codificatie

Even afgezien van dit soort projecten, er zijn meer gemeenten die onderdeel van de ‘research and development’-afdeling van de kerken zijn: gemeenten die dicht op de ontwikkelingen in kerk en samenleving zitten en daarop willen inspelen. Ze moeten dat ook, willen ze niet in hoog tempo leden kwijtraken, maar het willen is zeker zo belangrijk. Veel stadsgemeenten zijn hier voorbeeld van, maar ook andere gemeenten met een jong, dynamisch en breed georiënteerd ledenbestand. Het levert intern allerlei vernieuwingsprocessen op die heel sterk zijn. Ze komen in een gemeente tot stand in een gemeenschappelijk proces dat niet terug te draaien is, hoogstens marginaal bij te sturen. Het gaat dan niet alleen om de min of meer bekende liturgische dingen. Nieuwe functies, andere inrichting van kerkenraad, pastoraat, de rol van kringen en kringleiders, allerlei vormen van catecheten en jeugd- en jongerenwerkers, verzin het en het blijkt ergens al verzonnen te zijn. Dat zorgt onontkoombaar voor afstand tot het brede midden van de kerk dat zich uitspreekt in synodes, kerkorde en generale regelingen.

Soms zorgt het voor een afstand die bijna hilarische proporties aanneemt. Goede kanshebber voor de eerste prijs in de laatste categorie is de opdracht van het deputaatschap M/V in de kerk. Deze mensen moeten zich onder meer bezinnen over vragen die gaan over de inzet van vrouwen binnen diaconaat, pastoraat en liturgie. Daar had je je twintig jaar geleden over moeten bezinnen, nu zijn die vragen al lang beantwoord in de praktijk: vrouwen doen in onze gemeente in diaconaat, pastoraat, liturgie en zelfs bestuur ‘gewoon’ mee. Punt. De enige reden dat we deze belangrijke zusters in Amsterdam geen ambtsdragers noemen is dat we geen tijd hebben voor de complexe discussie die dat oproept. Die laten we dus vrolijk over aan het deputaatschap. Maar aan de feitelijke situatie is niets meer te doen, wat er ook uit de bezinning komt en wat er ook in een kerkorde over wordt vastgelegd (B7).

Nu zou je vanuit het perspectief van de schrijvers van de Werkorde kunnen zeggen dat dit soort vernieuwingsprocessen typisch voorvallen zijn die vragen om beleid en de afweging of er codificatie dient plaats te vinden. Dat is in theorie misschien waar, maar in de praktijk blijkt die theorie minstens drie bezwaren te hebben. Het eerste is dat het helemaal niet de bedoeling is dat ontwikkelingen in de ene gemeente ook een plaats krijgen in andere gemeenten en situaties. Wat in de ene plaats goed is vraagt helemaal niet automatisch om codificatie in recht voor alle gemeenten, hoogstens om codificatie in de zin dat er expliciet ruimte gemaakt wordt voor verschil. Nogmaals: uniformering is echt geen deugd in de kerk en nog veel minder een goddelijk gebod.

Het tweede bezwaar is dat dit proces van codificatie veel te lang duurt. Stel dat er al beleid en vastlegging in rechtsregels zou volgen op dit soort veranderingen in gemeenten, dan is op het moment van vaststelling daarvan de ontwikkeling al lang weer verder gegaan. Zoals gezegd levert de benadering van deputaten Herziening kerkorde een onmiskenbare focus op het verleden op. Zo wordt, naar een beeld van Walter Benjamin, ook de engel van het kerkrecht ruggelings de toekomst in geblazen door de storm van de vooruitgang of tenminste de verandering (ja, ik ben ook sceptisch over vooruitgang). Zo blijft het kerkrecht altijd een hindernis voor vernieuwing. Dat is niet nodig.

Het derde bezwaar tegen de insteek van deputaten is dat de praktijk in de kerken veel meer vraagt om ‘ont-codificatie’ dan om codificatie, veel meer om het verwijderen van bepalingen uit de kerkorde of het algemenere kerkrecht dan om vaststelling ervan. Dat blijkt steeds weer een erg moeizaam proces te zijn. Zeker bij een kerkorde moet er ruime overeenstemming bestaan wil een synode bereid zijn bepalingen te verwijderen. Een voorbeeld hiervan lijkt mij de bepaling dat de gemeente elke zondag twee keer samenkomt in openbare kerkdiensten (C2.1). Die bepaling is pas in 1978 in de kerkorde verschenen als niet meer dan codificatie van gewoonterecht van destijds. Een typisch voorbeeld van ondoordachte codificatie. Ze wordt ook nu weer als codificatie verdedigd: aansluiting bij de huidige situatie van de kerk in Nederland (Toelichting C2 3). Dat is toch echt niet anders dan dom. Die situatie is al een tijd lang aan het veranderen, de laatste jaren in hoog tempo, en levert in diverse gemeenten middagdiensten op die meer weg hebben van kerkje spelen omdat het nu eenmaal moet dan van serieuze erediensten. Een tweede kerkdienst valt echt niet te beargumenteren vanuit de bijbel of de belijdenis, is niet meer dan een historische toevalligheid in de Nederlandse situatie en valt sowieso onder de kerkordelijke bepalingen met weinig gewicht. Dan zie ik er nog van af dat het artikel volgens mij zonder meer valt onder de zaken waarin meerdere vergaderingen niet bevoegd zijn (zie eerder). Een eenvoudige wijziging van C2.1 in: De gemeente komt elke zondag tenminste één keer samen in een openbare kerkdienst, zou alle bezwaren wegnemen en meer recht doen aan de situatie, zowel van kerken die om allerlei redenen kiezen voor één dienst als van kerken die willen blijven vasthouden aan de oude gewoonte van twee diensten. Voorlopig wed ik dat ook deze keer niet ‘ge-ont-codificeerd’ wordt en we nog wat jaren met een vlag op een modderschuit verder moeten.

De combinatie van het gebrek aan besef dat situaties verschillen en uniformering in de kerk geen deugd is, de vertraging in de codificatie en de moeite van ‘ont-codificatie’ roept een situatie op zoals we die nu kennen: gemeenten leggen bepalingen naast zich neer en je mag blij zijn als ze zich daarover nog bij het kerkverband, i.c. de classis, verantwoorden. In de stadsgemeente waar ik nu werk wordt met overtuiging èn met verantwoording aan de classis niet voldaan aan een slordige vier artikelen van de Werkorde die nu al in een of andere vorm van kracht zijn, en ik reken erop dat dit er bij ongewijzigd landelijk beleid binnenkort meer zullen zijn. We stuiten hier via een andere route op de problematiek van de vertegenwoordiging en ‘de kerken die besluiten’: het brede midden van de kerken (misschien het veronderstelde of gewaande brede midden van de kerken?) is veel te dominant op synodaal niveau. De kerken worden in hun eigenheid veel te weinig vertegenwoordigd. Hoe meer mensen het landelijk kerkverband ervaren als een uit de hand gelopen bureaucratie, des te minder zijn gemeenten en kerkenraden bereid zich ernaar te schikken.

Terug dan tenslotte naar verandering en ontwikkeling. Het valt mij op dat juist het weghalen van een gecodificeerde maar beperkte en/of verouderde praktijk stimuleert om inhoudelijk naar zaken te kijken en nieuwe wegen te zoeken. Een goed verdedigbare bepaling als: De gemeente komt elke zondag tenminste één keer samen in een openbare kerkdienst, stimuleert nadenken over wat je als gemeente met de rest van de zondag wilt. Waarom zou je ’s avonds niet een kleinere viering in de wijken/kringen houden? Waarom geen vormen van gemeente-toerusting (C13) die niet belast zijn met de structuren van een kerkdienst? Waarom geen vespers? Waarom in plaats van een tweede dienst geen gemeentemaaltijd waar mensen elkaar veel meer ontmoeten? En zo voort. Een goed verdedigbare bepaling als: De kerkenraad zie toe op een goede inrichting van de kerkdiensten die strekt tot eer van God en die de opbouw van de gemeente dient (C3.1), stimuleert nadenken over vormen, liedgebruik, de orde in een dienst, de inhoud van liturgische formulieren en de vraag hoe je die een plaats kunt geven zonder de ‘flow’ uit een dienst te halen, zoals nu meestal gebeurt. Dat het kerkverband bij dit soort inhoudelijke processen adviseert en faciliteert is logisch en gewenst, maar bindende bepalingen hierover zijn de dood in de pot.

Koffeman = Leo J. Koffeman, Het goed recht van de kerk, 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *