Gereformeerd: wat zegt een naam?

Inleiding

Het heeft er veel van weg dat in Nederland ‘gereformeerd’ en ‘gereformeerd zijn’ zoveel imago-schade heeft opgelopen dat het merk definitief onverkoopbaar is geworden. Al is de tijd van de ex-gereformeerde ressentiment-schrijvers voorbij, gereformeerd zijn blijft synoniem met van alles, inclusief God zelf, een kwestieuze dwingelanderige entiteit maken. 1 Verstandelijkheid, ingewikkeldheid, exclusiviteit, eindeloze discussies en polemieken, kerkscheuringen, deprimerende zwartgalligheid en een totaal gebrek aan humor, het zijn zo wat dingen die worden opgeroepen door ‘gereformeerd’. Lees verder

Kiezen voor een visie

lezing gehouden voor de ZBUD van gereformeerde studentenverenigingen, Utrecht, 17 mei 2003

Stellingen

1. Het is beter niet over de gereformeerde identiteit van de verenigingen te spreken, maar over het gereformeerde als component van de identiteit van de verenigingen.

2. Het gereformeerde als component van de identiteit is de bestaansgrond (ratio essendi) geweest van de gereformeerde studentenverenigingen. Dat is het nog.

3. Nu kiezen voor een component ‘gereformeerd’ in je identiteit betekent kiezen voor een visie, niet kiezen voor een welomschreven levensvorm.

4. Gereformeerd moet je samen willen zijn, anders kun je er beter mee ophouden.

Lees verder

Kerstavond 2002

Het kind van de rekening

Geachte dorpsgenoten, dames en heren, jongens en meisjes,

Toen het kind van de rekening klein was lag het in een warm wiegje, met geborduurde lakentjes en twee dekentjes. Pappa keek trots door zijn bril met hoornen montuur en mamma trok haar bloemetjesjurk recht. De wereld ging een stuk verbeterd worden. Socialer zou het worden, en eerlijker. Hun kind van de rekening zou het resultaat meemaken van alle axie, van Mao, van JFK, van Che en van MLK. Ze hadden een droom, en nu ook een kindje.

Toen het kind van de rekening groter werd, was het vrij. Vrij om te doen wat het wilde. Vrij om te zeggen wat het wilde. Vrij om te worden wat het wilde. Dus werd het kind van de rekening eerst vervelend, en toen brutaal, en tenslotte niks. Maar dat gaf niet, want pappa en mamma waren ook vrij. Ze waren zelfs heel druk met vrij zijn: op hun werk, en bij hun club, en met hun scheiding en met hun nieuwe relatie. Ze hadden geen dromen meer, maar wel twee auto’s.

Toen, op een gegeven moment – het maakt niet zoveel uit wanneer precies, geschiedenis hoort niet bij de sociale vaardigheden – toen, op een gegeven moment kwam het woord van de werkelijkheid tot het kind van de rekening, en het werd een profeet. Het schreef wat in kranten en praatte wat op MTV. Het was er al snel achter dat het toch niet erg serieus genomen werd en stelde zich dus bescheiden op. Geen grote demonstraties, met toeters en spandoeken. Het kind van de rekening organiseerde een stille tocht, met kaarsen. ‘Tenslotte,’ zei het, ‘je moet vrede hebben met het feit dat je niet weet waar het allemaal goed voor is. De zinloosheid van het bestaan vieren. Als ik niet weet hoe het met de wereld moet, dan maak ik het wel gezellig met mijn vriendin, met toastjes en brie.’

De rest is toch maar drukte die niets voorstelt. ‘Aan oude idealen heb je niks. Daarom zijn het ook oude idealen.’ Niemand meent ze. ‘Iedereen maakt zich druk over allochtonen, maar de actie blijft beperkt tot hapjes eten op een multicultureel festivalletje. Intussen brengen ze hun kinderen naar een blanke school.’ schreef het kind van de rekening. En het vertelde: ‘Een beter milieu begint bij jezelf, zie je op tv. En vervolgens zie je dat Schiphol mag uitbreiden en dat activisten van vroeger een tweede auto aanschaffen. Dat ontneemt je de motivatie om iets te ondernemen.’

En dus ondernam het kind van de rekening verder ook niets. In stilte, en in kranten, en soms eens op MTV, dacht het hardop: ‘De milieuschuld, de staatsschuld, de kosten van de vergrijzing, de hypotheek bij de rest van de wereld, het morele tekort, als wij veertig zijn gaan we daar dus wel voor betalen.’ Nou ja, we zien wel. We zijn nog geen veertig. Voorlopig vinden we het wel goed zo.

***

Toen het kind van de rekening klein was lag het in een warme voederbak. Het was trouwens zomer. Vreemde mensen bogen zich over de krib. Ruig volk. Ze brachten de stank van hun geiten mee naar binnen. Ze praatten honderduit. Iets over engelen. Een tijdje later weer vreemd volk. Een soort zigeuners, magiërs. Ze gaven wat goud, wat wierook, wat mirre. Ze praatten honderduit. Iets over een ster en een koning. Het zou wat worden met het kind van de rekening. Maar toen had pappa een droom, en hij stond op en hij nam in de nacht het kind van de rekening en zijn moeder en werd een tijdje asielzoeker in Egypte.

Toen het kind van de rekening groter werd, werd het wijs. Mensen waardeerden het, verbaasden zich er soms over: hoe komt een kind uit zo’n achterlijk plaatsje aan zulke diepzinnigheden? Hij is er toch eentje van de timmerman? Maar het kind van de rekening wist dat het er niet eentje van de timmerman was. Hij kende zijn Vader. Hij was het Kind van de rekening. Hij had geen dromen. Hij had een opdracht. Hij had geen illusies. Deze wereld wordt niet meer verbeterd. Er komt een nieuwe, op zijn rekening.

Toen, op een gegeven moment, het kind van de rekening was ongeveer dertig jaar oud, toen begon het aan zijn opdracht. Het werd een profeet. Het onderwees de mensen zijn wijsheid. Veel begrepen ze er niet van. Erg serieus werd het niet genomen. Toch maakte het kind van de rekening leerlingen. Die begrepen er ook niet veel van. Iedereen dacht dat de wereld toch verbeterd zou gaan worden. Ze wilden demonstraties, met toeters en spandoeken. Maar het kind van de rekening organiseerde zijn eigen tocht door het land. ‘Ik kom de rekening betalen voor de zinloosheid van het bestaan,’ zei het, ‘en voor alles wat jullie niet menen en toch zeggen.’

Maar ja, toen werden de mensen boos. ‘Wie denk je wel dat je bent?’ zeiden ze. En ze hebben het kind van de rekening opgehangen. Het was dan ook het kind van de rekening. Niet dat het veel geholpen heeft, trouwens, dat boos worden. De wereld is nog altijd niet verbeterd. Dat ophangen leverde meer op. Een dag of drie later bleek tussen de regels door alvast een nieuwe wereld begonnen, op zijn rekening. Het kind van de rekening was niet meer dood. Het leeft. Het is dan ook het Kind van de rekening.

***

Morgen is het kerstfeest.
Welk kind wilt u voor uw rekening nemen?
En jij?

Ik dank u voor de aandacht.

gehouden in de Ned. Hervormde Kerk, Loenen aan de Vecht, 24 december 2002

Dodenherdenking 2002

Geachte dorpsgenoten,

Vrijheid luistert nauw. Vrijheid en luisteren, goed luisteren, dat heeft met elkaar te maken.

Daar staan we vanavond een moment bij stil, voor we naar het monument gaan. Het is mooi dat we dat hier kunnen doen, in een kerkgebouw. Een ruimte die gemaakt is om te luisteren, om stil te worden en te denken over wat echt belangrijk is. Dat is niet maar een toevalligheid. Dat deze kerk hier staat en dat we onze doden in vrijheid mogen gedenken, hoort bij elkaar. Het komt uit dezelfde bron. Waar kerken, waar heiligdommen verwoest worden èn waar kerken en heiligdommen worden afgebroken is de vrijheid in gevaar. Daar verdwijnt de ruimte om te luisteren, echt te luisteren. En vrijheid luistert nauw.

Luisteren – naar wie dan? waarnaar dan? Vanavond beginnen we als vanzelf met luisteren naar de stemmen van doden die we herdenken. Ze zijn omgekomen, omgebracht, gesneuveld, vermoord, verkracht, gemarteld, afgemaakt. Hun stemmen komen van alle kanten. Ze roepen ons verschillende dingen toe. Soms klagen ze ons aan: wie was er om ons te helpen? wie kwam er voor ons op? wie was er met ons verbonden toen het er op aankwam? Soms spreken ze ons aan: de vrijheid waar jij nu van geniet, was voor mij de moeite waard om m’n leven voor te geven, voor te laten nemen. Altijd maken ze ons stil. En in die stilte groeit de vraag: die vrijheid, die ruimte, die wij hebben, waar hebben we die eigenlijk voor?

Die vraag moet je láten groeien. Blijven luisteren. Vrijheid luistert nauw. Laat die mensen uitspreken, die doden die we herdenken. Ze klagen: jij hebt ons de vrijheid niet gegeven. Ze spreken aan: ik heb jou mede je vrijheid gegeven. Ze klagen: jij hebt je verbondenheid met ons geen recht gedaan. Ze spreken aan: ik heb vanuit verbondenheid met jou geleefd. Laat ze uitspreken, die doden, en hoor dat vrijheid geen gegeven is, iets wat je overkomt of niet, iets waarmee je je eigen gang kunt gaan. Vrijheid wordt je gegeven, gegeven door al die andere mensen met wie je onontkoombaar verbonden bent als mens. Vrijheid is geen gegeven, het is een geschenk. En dat geschenk doet een appèl op je: waar heb je die vrijheid eigenlijk vóór?

Echte vrijheid, dat niemand jou dwingt, wordt je gegeven als een geschenk dat een appèl op je doet: je bent iets verschuldigd aan je medemensen met wie je verbonden bent. Doe iets goeds voor die ander, in vrijheid, zonder dat iemand jou dwingt. Vrijheid is ergens vóór. Anders is het geen vrijheid, maar vrijblijvendheid. Dan wordt het iets als ‘niets moet, alles mag, zolang ik een ander maar geen schade toebreng, zolang ik me maar houd aan de regels’. Wat een ander doet, moet-ie zelf weten. En dan krijg je van die dingen, dat iedereen staat toe te kijken als mensen afgetuigd worden. Dan krijg je van die dingen, dat Nederlanders toekijken als zeven duidend mannen afgemaakt worden. We hebben ons aan de regels gehouden en konden ook weinig anders. Wel verantwoordelijk, maar niet schuldig. In gewoon Nederlands: we waren erbij betrokken, maar wij hebben het niet gedaan. Machteloze woorden, tegelijk typerend voor wat vrijheid in werkelijkheid betekent in onze samenleving: vrijblijvendheid. We weten niet meer dat vrijheid ergens vóór is, een doel heeft, een geschenk is, dat een appèl op ons doet. Vrijheid luistert nauw.

Tegelijk beseffen we het wel. Dat vrij zijn betekent dat je iets verschuldigd bent, dat er een appèl op je gedaan wordt en dat je je schuldig maakt als je op dat appèl niet ingaat. Je proeft dat besef in de stille tochten, in de protesten, in de sympathie voor de vrouwen van Screbrenica. Maar het lijkt wel of we als samenleving uiteindelijk weinig met dat besef kunnen. Het wordt verdoofd, weggepraat: Je hebt je toch aan de regels gehouden en zelf niemand beschadigd? Schuldbesef mag niet. Dat doet teveel denken aan die oude calvinistische kerk, waar het altijd maar over schuld ging.

Ja, maar in die kerk ging het er om dat je je schuld kwijt kon, zonder verdoving. Dat er een plek was om uit te huilen en te rouwen en opnieuw ontvankelijk te worden voor het leven. En in de ruimte van het heiligdom ging het er om te luisteren naar die ene stem die zegt: Ik geef jou leven, ondanks alles, en de vrijheid die je ontvangt is uiteindelijk mijn geschenk. Ik geef je die vrijheid om elkaar lief te hebben, om naar elkaar te luisteren, om verbonden te zijn met elkaar. Wees er zuinig op. Vrijheid luistert nauw.

Het is tegenwoordig mode om godsdienst met fundamentalisme in verband te brengen, met fanatici, met onvrijheid, aanslagen en oorlog. Wie echt luistert naar de geschiedenis, naar de doden die nog spreken, die hoort ook dat het niet toevallig is dat het vrije Westen ooit het christelijke Westen is geweest. En iedere kerk die nog staat, ieder heiligdom, vormt nog steeds een ruimte om stil te zijn en te luisteren. Luisteren naar de stemmen van mensen, luisteren naar de stem van God. Alleen wie luistert kan echt vrij zijn. En wie vrijheid van meningsuiting hoog inschat, maar vrijheid van godsdienst niets waard vindt, heeft eenvoudig niet begrepen wat vrijheid is. Vrijheid praat niet maar, vrijheid luistert nauw.

Ik dank u wel.

gehouden in de Ned. Hervormde Kerk, Loenen aan de Vecht, 4 mei 2002

Liefhebben leer je…

Zusters en broeders,

Dit is riskant, wat we hier gaan doen, een seminar over liefhebben. Het kan haast niet anders worden dan een verzameling grote woorden. En ik hoor het mijn buurvrouw al zeggen: ‘Ja, die christenen, ze praten wel mooi over liefde, en zo, maar doen, ho maar.’ Daar kom je niet doorheen met nog meer mooie woorden. Als het over liefhebben gaat móeten woorden handen krijgen, en voeten, en armen en benen, en een schouder, twee schouders zelfs: een om er onder te zetten en een om op uit te huilen. Intussen heb ik hier alleen maar woorden, want het blijft een seminar. En dus blijft het riskant: wat ga ik, wat gaat u doen met die woorden? Gelukkig helpen de nodige workshops ons verder deze dag op weg. Lees verder

Avondmaal gebruik je niet, avondmaal vier je

Broeders en zusters, beste mensen,

’t Is me een hele eer vanavond hier iets te mogen bijdragen aan jullie gedachtevorming over het avondmaal. Het zal maar iets zijn, want de tijd is kort. Het zal maar een bijdrage zijn, een uitnodiging om nog eens anders te kijken, want rond het avondmaal liggen de dingen niet zo eenvoudig. Dat zult u trouwens zelf ook wel gemerkt hebben, in de discussies het afgelopen seizoen: de tijd is kort en het ligt niet zo eenvoudig. Lees verder