Christus in gedoopt word je er eentje van God

Preek over Galaten 3: 27

orde morgendienst
welkom
zingen: Psalm 81,1.8
zingen: Liedboek 328,1.3
stil gebed
votum en groet
zingen: Opwekking 328
gebed
Schriftlezing Galaten 3:15-4:7
preek over Galaten 3:27
zingen: Liedboek 87
intro dopen Saar van Dijken
geloofsbelijdenis
doop
zingen: Opwekking 640
kids zingen en geven cadeau
avondmaalsgebed
zingen: Liedboek 337,1-4
viering
zingen: Liedboek 337,5-7
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 602
zegen

Zo, daar heb ik het mezelf — en jullie — vanmorgen bar lastig gemaakt: een toch al volle dienst overvol maken met een lap vervreemdende tekst van Paulus aan de Galaten. Het zou me niets verbazen als zo ongeveer iedereen hier onder de bijbel lezing zat te denken: waar slaat dit op? waar gaat dit over? — Krijg dat maar weer eens helder en eenvoudig…

 

Oké, eerst maar eens wat ruige maatregelen dan. Parkeer al die moeilijke en vreemde woorden en gedachten even ergens in je achterhoofd. We doen even alleen vers 27: U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Dat is in ieder geval een stuk helderder en eenvoudiger. Er komen bij dit soort uitdrukkingen (omkleed, bekleed, ingedoopt) beelden boven. En ook niet meteen heel ingewikkelde beelden. Je kunt op feesten en in musea en dergelijke nog wel eens van die heel ingewikkelde kleren zien, met allemaal knoopjes en ritsjes en tierelantijntje. Aankleden kan heel ingewikkeld worden. Maar dit is indopen en omkleed worden. En dan komen er heel simpele beelden. Even concreet. Je kunt een koek nemen: een ons allen bekende jodenkoek. En die kun je indopen in een chocoladebad, even wachten, en je hebt een koek bekleed met chocola. Ingewikkelder hoeft het niet te zijn en lekkerder wordt het ook nog.

Als het over de doop en Jezus Christus gaat is dat natuurlijk beeldspraak. Maar niet heel ingewikkeld. Je hoeft niet meteen te verwachten dat het in werkelijkheid heel complex gaat worden. Het vers ervoor schreef Paulus dat christenen door het geloof en in Christus Jezus allen kinderen van God zijn. Mensen die uit zichzelf gewoon standaard jodenkoek zijn, niet automatisch kinderen van God — enigszins complexe uitdrukking in de kerk, maar goed —  die worden in Jezus Christus ingedoopt. Hij kleurt alles. Hij is hèt kind van God ten voeten uit. Als hij ons omkleedt zien wij er ook uit als kinderen van God. Zoiets betekent de doop. Saar is de dochter van Nikki en Henk. Straks wordt ze gedoopt. En dat betekent dat God zelf plechtig verklaart dat Saar zijn dochter is, extra, kind van God, zusje van alle andere kinderen van God, van Jezus in de eerste plaats, maar via hem van de hele gemeente hier, van alle christenen op aarde. Je krijgt een complete nieuwe familie, in één keer.

Dat is een mooie eenvoudige start. Kun je ook direct verbinden met het thema van de serie diensten. In Christus zijn betekent kind van God zijn. Kun je aan de buitenkant zien: Zoon van God. En Saar laat gelijk zien straks dat het helemaal niet ingewikkeld is om een kind van God te worden. Je hoeft er niets bijzonders voor te zijn of te kunnen. Je hoeft er geen uitvoerige opleiding voor te volgen, met trainingen en examens en diploma’s en zo. Je hoeft je ook niet eerst te bewijzen, dat je wel netjes en fatsoenlijk leeft en een bewijs van goed gedrag verdiend hebt. Daar is Saar allemaal nog lang niet aan toe. Saar is gewoon Saar. Punt. En dat is voor haar genoeg. Zo eenvoudig is het dus om kind van God te worden: net als Saar.

Christen worden, kind van God worden, Christus in gaan, met Christus omkleed worden, het heeft allemaal de eindeloze eenvoud van de doop, van ingedoopt worden en bekleed weer boven komen. Het enige wat daar verder bij komt kijken is vertrouwen, een bepaald soort lef. Ik verwees net al even naar vers 26 bij Paulus: door het geloof en in Christus Jezus worden mensen kinderen van God. Geloof betekent dan niets meer en niets minder dan vertrouwen. Je kunt het woord op heel veel plaatsen ook maar het beste zo vertalen. Begrijp het doorgaans beter, want dan denk je niet meteen aan al die dingen die je zou moeten geloven, vinden dat het waar is en zo. Vertrouwen op wie eigenlijk? Het gaat er hier in ieder geval om dat je op Jezus vertrouwt dat hij echt de Zoon van God is, en dat jij dus echt kind van God wordt als je je in hem laat onderdompelen. Vertrouwen is dan zo ongeveer het omgekeerde van iets doen, iets presteren. Het is loslaten, overgave, je laten vallen, van je laten houden. Saar doet dat nog helemaal vanzelf. Als er iets is waar ze goed in is, is het van zich laten houden. En juist daarin is ze vanmorgen het grote voorbeeld voor ons allemaal. Daar gaat het om: van je laten houden.

Hoe word ik een kind van God? Hoe kom ik Christus in? Hoe word ik omkleed met Christus? Gewoon door van je te laten houden. Gewoon door op Jezus Christus te vertrouwen, je in zijn armen te laten vallen en je alles te laten geven, gul en overvloedig. Wat je allemaal gepresteerd hebt is in dit verband niet interessant. Het is prima en mooi meegenomen, maar God houdt niet van je omdat je ergens goed in bent, maar gewoon omdat jij het bent. Wat je allemaal uitgehaald hebt, verprutst of kapot gemaakt in je leven is ook niet interessant in dit kader. Dat draagt Jezus allemaal wel voor je weg. Jij mag het allemaal loslaten en jezelf in Jezus laten vallen, ingedoopt in hem, los, plons. Je komt weer boven met zijn volmaakte leven over je heen. Meer dan kind van je ouders, kind van God.

De kunst is om het hier juist niet ingewikkelder te maken. Dat doen we haast vanzelf wel, als we ouder worden dan Saar. Durf je nog van je te laten houden als je gemerkt hebt dat je dan ook gekwetst kunt worden? Durf je nog los te laten als je jezelf een positie hebt veroverd? Durf je controle over je eigen leven op te geven? Als je al zo vaak gemerkt hebt dat mensen je laten vallen? Als je al zo vaak gemerkt hebt dat mensen alleen van je houden als je ergens goed in bent, als je aardig bent, als je iets voor ze doet, kun je dan nog vertrouwen dat er iemand is die zonder meer van je houdt? Dan wordt het ingewikkeld. En de kunst is om dat niet te doen. Dat toch vertrouwen, dat is geloven. Dat doen Nikki en Henk vanmorgen voor Saar. Haar uit handen geven aan de God die er toch voor je is en die van je houdt. Haar laten vallen in Jezus, los en open, en haar terugkrijgen als kind van God. En je doet het gelijk voor jezelf ook: dat is geloven. Saar is vanmorgen eerst ook jullie voorbeeld. Van je laten houden is genoeg. Dat is wat je haar mag leren voor de rest van haar leven. Van je laten houden is genoeg.

 

Goed. Maar nu hebben we nog niets gedaan met heel die ingewikkelde rest van wat we gelezen hebben. Hoewel, als ik er nog eens over nadenk, misschien hebben we het belangrijkste al wel gedaan. De kunst is om het niet ingewikkelder te maken, zei ik net. En hoe meer levenservaring je krijgt, hoe ouder je wordt dan Saar, des te meer ben je allicht geneigd het toch weer ingewikkelder te maken. Daar hadden de mensen aan wie Paulus zijn brief schrijft ook last van. Ze maakten kind van God worden heel ingewikkeld, door er allerlei mitsen en maren en voorwaarden aan te verbinden. Je moet je wel aan een uitvoerige rituele wet houden en je op een nette traditioneel Joodse manier gedragen. Laten zien dat je bij de familie hoort. Paulus gaat er uitvoerig tegenin. En als degene met wie je in gesprek bent dingen ingewikkeld maakt, krijg je vanzelf een ingewikkelde tekst. Wat dit betreft dus even geen punt als je afhaakt bij het lezen van zo’n verhaal. Zorg ervoor dat het niet jouw ingewikkeldheden worden.

Maar er is meer hier. Ik heb de hele tekst toch laten lezen omdat je er gelijk iets in kan proeven van de hele andere wereld waarin Paulus tweeduizend jaar geleden leefde. En als je ze alleen maar hoort in onze wereld, heb je dan alles wel gehoord? Net als je denkt: dit is een duidelijke en heldere tekst, heb je hem dan eigenlijk wel gepakt, of mis je dan wat? Die andere wereld van Paulus brengt een extra eigen boodschap voor ons mee, die we zomaar zouden missen als we alleen vers 27 hadden gelezen. Die boodschap heeft iets te maken met de verhouding van ouders en kinderen toen, die heel anders was dan ze nu is. De makkelijkste manier om die te pakken te krijgen is via de uitdrukking: ‘van wie ben jij er eentje?

Voor ons is dat zomaar een irritante vraag, zeker in de stad. Wij zijn zelf iemand. Wij voeden onze kinderen op tot zelfstandige mensen, die zeker vanaf hun volwassenheid een eigen leven leiden. Wij willen niet gewaardeerd worden omdat we iemands zoon of dochter zijn, maar om wie we zelf zijn. Prima. Geen kwaad woord daarover. Dat is onze wereld. Maar het is goed om je bij je bijbel lezen te realiseren dat die komt uit een wereld waarin het juist zo ongeveer het belangrijkste was ‘van wie jij er eentje bent’. Je kunt het proeven in die merkwaardige geslachtsregisters in de bijbel, bijvoorbeeld. In de eindeloze optocht met namen zie je van wie de laatste er een is. Maar ook in al die keren dat er iemand geïntroduceerd wordt als de zoon van die en die of de dochter van die. Johannes de apostel is er in eerste instantie toch echt eentje van Zebedeüs. Mensen werden in de wereld van de bijbel — en nog in allerlei streken rond de Middellandse Zee — niet zelfstandig als ze volwassen waren. Zo’n vertaling als mondig worden heeft iets dubbelzinnigs, want mondig zijn betekent bij ons iets anders dan toen. De vader van de familie bleef degene die alles bepaalde en ordende en voor alles verantwoordelijk was. Zo lang als hij leefde was hij dat, of je als kind nu 6 of 18 of 55 was. Pas als hij overleden was, werd zijn oudste zoon zijn opvolger. Je was dus zomaar het grootste deel van je leven letterlijk er eentje van die.

Voor het eerste stuk: als je kind was in een rijke familie kreeg je een slaaf of een bediende als toeziend voogd. Die zorgde voor je opvoeding, was je bodyguard, en regelde van alles voor je, tot het moment dat je vader je oud genoeg vond om zelf verantwoordelijk voor je leven te zijn. Maar daarna was je nog steeds niet zelfstandig. Paulus gebruikt dat beeld voor het volk Israël onder de wet. Ik ga daar nu verder aan voorbij. Waar het me even om gaat is dat je na afloop van je kindertijd niet zo zelfstandig werd als wij. Je bleef er eentje van je vader, onderdeel van je familie, en je had de taak de eer van je vader en van je familie hoog te houden. Kind zijn van iemand was echt iets anders toen dan het nu voor ons is.

En als we nu toch bezig zijn: er is nog iets wat hierbij hoort. Kleding zei iets heel anders dan het voor ons zegt. Voor ons is onze kleding vooral iets waarmee we iets over onszelf zeggen, een manier om onze eigen identiteit vorm te geven. In die wereld was — en is — kleding vooral iets waarmee je je sociale status en je rol uitdrukte. Je kon eraan zien van wie je er eentje was, of je het kind was van een vrije burger of van een slaaf. En als je dan ouder dan twintig bent zie je dat nog: de zoon van een vrije burger, de zoon van een slaaf. Iets ervan kun je hier in de buurt nog proeven als je kijkt naar onze mediterrane medelanders. Die hoofddoek die zegt: ik ben er eentje van mijn man, mijn vader, ik hoor bij het interieur van zijn huis, ik ben altijd binnen.

Als je dan nog eens kijkt naar die op het eerste gezicht zoveel eenvoudiger en helderder woorden van vers 27: in Christus gedoopt, met Christus omkleed, en het verbindt met vers 26: kind van God geworden zijn — dan blijkt er wat Paulus betreft nog een extra lading in te zitten vanuit zijn wereld. Als kind van God ben je en blijf je er ‘eentje van God’. En als je met Christus omkleed wordt dan is het de bedoeling dat iedereen ook aan je kan zien dat jij er ‘eentje van God’ bent, of, wat voor Paulus op hetzelfde neerkomt, ‘eentje van Christus’. Dat is voor Paulus het belangrijkste effect van in Jezus Christus ingedoopt worden, dat jij er echt en zichtbaar en merkbaar ‘eentje van God’ van wordt. Alle andere sociale onderscheidingen, ‘van wie jij er nog meer eentje’ bent, komen in vergelijking daarmee op de tweede plaats: niet waar het om draait. Vers 28: Jood of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw — dat is allemaal secundair. Je bent er in de eerste, allereerste en beslissende plaats ‘eentje van Christus’.

Er zijn andere plaatsen in de bijbel waar Paulus dat ook verbindt met hoe christenen zich hebben te gedragen. Ik merkte dat dat het eerste was waar ik aan dacht: als je er eentje van iemand bent moet je je ook zo gedragen. Dat komt voor. Het meest uitvoerig wel in Kolossenzen 3. Omdat u de nieuwe mens hebt aangetrokken moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. En nog een heleboel dergelijke dingen. Zo laat je zien dat je er ‘eentje van Jezus Christus’ bent, Christus die die nieuwe mens is. Maar hier in Galaten doet Paulus dat niet. Hij wil iets anders zeggen. Daarom vind ik ook zo’n eenvoudige chocoladekoek een belangrijk beeld. Niet meteen denken aan ingewikkelde kledingstukken die je met veel gedoe moet aantrekken. Ingedoopt wordt houdt de eenvoud van een chocoladedip. Zo wordt zichtbaar dat er iets veranderd is, dat je er eentje van God bent. Hier ligt veel meer de nadruk op wat je wel niet gekregen hebt als je in Christus ingedoopt bent: je mag kind van God zijn en zijn erfgenaam. Het mag de kern van je identiteit zijn dat je er ‘eentje van God’ bent. Wat mensen ook allemaal vinden en zeggen en denken over je.

Om het in wat beelden te zeggen die wij rond kleding ook nog kennen. Als je er eentje van Christus bent en gekleed als kind van God, is het volgens Kolossenzen (manier van leven) de bedoeling dat je herkenbaar bent zoals het personeel in een restaurant. Christenen zijn helpende mensen, herkenbaar als de ober of de serveerster in het restaurant van God: ‘eentje van God’. Hier in Galaten heeft het meer weg van de corsage waaraan je de familie en de daggasten herkent op een bruiloft. Dat zijn de mensen die allemaal de moeite waard zijn om te feliciteren. Ze zijn er ‘eentje van het bruidspaar’. Dat is een eer. Juist. Zo is kind van God zijn ook in de eerste plaats een eer. Je krijgt die eer zonder er iets voor te hoeven doen of bereiken of presteren. Geen ingewikkelde dingen aan- en uittrekken. Je hoeft er alleen maar jezelf voor te zijn en ingedoopt Christus Jezus in. Zoals hij dé Zoon van God is, zijn eniggeboren natuurlijke kind, zo mag jij dochter of zoon van God zijn. Machtig. Dat is een eer. Basic. Geen wonder dat die oude Heidelbergse Catechismus, waar we de 450e verjaardag van vieren dit jaar, het mijn enige troost, mijn laatste houvast in leven en sterven noemde: eigendom van Christus zijn, ‘eentje van Christus zijn’. De diepe gegeven kern van je identiteit: ik ben er eentje van de levende God zelf.

Laten we er straks even extra op letten. Want er is niet alleen een doop vanmorgen, ook avondmaal voor iedereen die gedoopt is en op Jezus vertrouwt. Een kring vol gewone mensen die niets gepresteerd hebben om kind van God te worden, maar die toch die eer ontvangen hebben. Denk er maar eens extra aan als je brood  en beker doorgeeft: respect, jij bent er ook eentje van Christus. En voel het vooral als een grote eer als je brood en beker krijgt: jij bent er ook eentje van Christus. Zo mag je van je laten houden, ingewikkelder wordt het niet. Saar blijft ons voorbeeld vanmorgen. Wat het verder allemaal inhoudt ontdekken we vanzelf. Dat is niet voor vanmorgen. In Galaten is het de eer: jij bent er eentje van God. We zingen er voorlopig eerst maar eens een lied over, waarin de God de eer geven. Van deze God mag jij er eentje zijn. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 12 mei 2013

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *