Ledematen van een lichaam

Preek over Romeinen 12:4-5

orde morgendienst
welkom
zingen: Opwekking 557
zingen: Opwekking 194
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 118:1.10
gebed
Schriftlezing Romeinen 12:1-8
preek over Romeinen 12:4-5
zingen: Liedboek 242
intro avondmaal
zingen: Iona 42
avondmaalsviering
zingen: Liedboek 362
gebed
mededelingen
zingen: E&R 438
zegen

Het is een van de meest aparte dingen van christen zijn, dat het je geen nummer maakt, geen exemplaar zoveel uit een zelfde reeks, maar een appèl doet op jou zelf, zoals jij uniek bent. Jij wordt ingeschakeld, jij bent belangrijk. Als je christen wordt, word je niet maar lid van een kerk, je wordt een ledemaat van een lichaam, een eigen orgaan, iemand die zelf van belang is; niet maar één van de velen, maar één van allerlei unieke mensen. Zo zitten we straks bij elkaar rond de avondmaalstafel, als allemaal zelfstandige mensen, met eigen gaven, mogelijkheden en onmogelijkheden, maar allemaal belangrijk voor God, voor Jezus, en voor elkaar. Daar wil ik vanmorgen even kort aandacht voor vragen. Niet alleen omdat dit sowieso belangrijk is, maar vanmorgen extra omdat we straks na de dienst nog even doorgaan over onderling pastoraat en de nieuwe structuur die we dat willen geven.

Daarin gaat het uiteindelijk precies hierom: jij bent belangrijk voor die ander naast jou, jij bent een eigen lichaamsdeel, ledemaat, orgaan, en die ander is dat ook. Je kunt alleen samen goed functioneren, net als je eigen lijf alleen goed functioneert als hart en longen, spieren en spijsvertering goed op elkaar zijn afgestemd. We gaan dat in het nieuwe seizoen op een nieuwe manier organiseren: rond de kringen, in kleine groepen mensen die extra een boodschap aan elkaar hebben. Maar het gaat daarin niet maar om wat organisatie en wat efficiëntie. Het gaat tenslotte precies hierom: jij hebt een boodschap aan en een boodschap voor die ander naast jou, omdat je, ieder apart, elkaars lichaamsdelen bent.

Dat gebeurt natuurlijk allemaal niet zomaar. Laten we eerst eens even kijken naar de bron van alles, naar wat God zelf doet in Jezus. In Romeinen 12 begint Paulus met: broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u, uzelf te geven, in te zetten. Een paar verzen verder heeft hij het over de genade die hem geschonken is en over denken overeenkomstig het geloof. Dat gaat uiteindelijk allemaal over hetzelfde. Laat ik het zo maar zeggen: God zelf neemt jou serieus. Hij heeft je gemaakt, je je eigen gaven gegeven, je een uniek mens gemaakt. Hij heeft je opgezocht en aangesproken: jou wil ik en met jou wil ik goed leven. Daar heb je niets aan verdiend en is niets vanzelfsprekend aan. Zo onder mensen kun je nog eens denken dat jij belangrijk bent en beter dan anderen of zo, maar dat God zelf tegen je zegt: ik vind jou de moeite waard, ik geef mijn Zoon voor jou, ik wil met jou iets moois opbouwen, dat is nooit logisch. Hij is tenslotte nogal wat maatjes groter en anders dan wij. Toch doet God dat. Dat is zijn barmhartigheid. En dat is de bron van alles in de kerk.

Want God zegt dat niet alleen tegen jou, maar ook tegen die ander die naast jou zit. Hij vindt jou de moeite waard, maar die ander ook. Hij houdt van jou, maar ook van die ander. En dat bindt mensen op een heel speciale manier samen. Jij bent niet degene om wie alles draait, welnee, je doet er goed aan jezelf niet hoger aan te slaan dan je kunt verantwoorden. Je bent samen geliefde mensen. Niet jij alleen, maar jij ook. Jij uniek, en die ander ook uniek. En samen door Gods barmhartigheid van belang voor elkaar. Jij voor die ander en die ander voor jou. Jij een eigen mens, zij ook een eigen mens, en hij ook. Dat maakt alles nieuw. Vandaar dat Paulus zegt dat je ook je gezindheid moet vernieuwen, dat je anders in het leven moet gaan staan. Dan ontdek je samen wat God van je wil, wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.

Zie je, juist omdat God tegen jou zegt: ik neem jou serieus, ik vind jou belangrijk, hoef je niet meer om jezelf te cirkelen, maar kun je om je heen kijken, naar anderen. Net als Jezus zelf niet om zichzelf cirkelde, maar zich juist voor anderen, voor ons, heeft gegeven. Je hoeft jezelf niet te bewijzen, niet overeind te houden, niet beter voor te doen dan je bent, je kunt jezelf zijn en je als jezelf laten inschakelen. Juist omdat het niet om jou draait is het op een nieuwe manier belangrijk dat jij jezelf bent en als jouw eigen unieke persoon iets bijdraagt aan het geheel. Juist doordat Jezus van jou houdt, leer jij van anderen houden. En daarmee wordt alles beslist: je blijkt in de kerk niet maar lid te zijn van een vereniging, die jou ook het een en ander moet opleveren, maar ledemaat van een lichaam, waar jij een eigen plaats in hebt en een eigen bijdrage aan kunt leveren, altijd. Jezus zet ons niet maar naast elkaar, hij geeft ons aan elkaar, als mensen die elkaar nodig hebben.

Goed, God neemt jou serieus, als de mens die jij bent. Dat is dus ook precies waarop Paulus hier in Romeinen 12 verder gaat. In de kerk ben je echt een lichaamsdeel met een eigen functie. Je wordt dus echt geacht jezelf te zijn en een eigen bijdrage te leveren. Niemand is hetzelfde als jij. Jij hebt iets te bieden, net als ieder ander, en God wil dat jij dat ook biedt. Hij geeft speciaal zijn Geest om je daarvoor te bezielen. Daarom gaat het in de rest van dit stukje Paulus ook over allerlei gaven. Dat wil net zo goed heel persoonlijk zijn. Paulus geeft geen lijstje met alle mogelijke gaven, maar noemt er gewoon een paar op. Gaven variëren eindeloos. Ze zijn persoonlijk. Ze zijn dat wat jij te bieden hebt omdat jij dat van God gekregen hebt. En je ontdekt ze door te kijken naar jezelf en naar de situatie van de gemeente, van de anderen, naar wat nodig is, en dan te vergelijken: wat kan ik doen aan wat hier nodig is? Wat jij kunt doen is zeker jouw gave. Als er gelopen moet worden en jij kunt dat, doe dat vooral. Als er geluisterd moet worden, idem dito. Als er iets weggegeven kan worden, doe het maar. En als je ergens initiatief in kunt nemen, laat het niet. Nergens word je als het goed is zo op je eigen persoonlijke mogelijkheden aangesproken als in de kerk.

Het is de moeite waard er even bij stil te staan dat dit echt precies omgekeerd is als wij vaak denken. Als je jezelf wilt zijn moet je toch buiten de kerk zijn, laten we zeggen: in de grote wereld. Zolang we elkaar niet al te veel hinderen moet in Nederland toch iedereen zichzelf kunnen zijn. Maar intussen heeft Paulus het juist bij die wereld over aanpassen en dat je dat niet moet doen. En dat is een wijs woord, wijs juist ook in onze samenleving. Als er ergens druk op de ketel staat om je aan te passen, om allemaal hetzelfde te doen en de politiek correcte meningen te vinden, dan in onze samenleving. We zijn allemaal onszelf, maar door de druk van de reclame en de media zijn we toch op een vreemde manier allemaal op dezelfde manier onszelf.

Als het over de kerk gaat is de reactie van veel mensen maar al te voorspelbaar: je moet zeker van alles en je mag niets. Maar intussen moet je van alles in onze samenleving en leeft het van de dingen die je echt niet mag. Je moet echt hier genieten van het leven, want anders heb je alles vergooid. En dit op televisie moet je gezien hebben en daar moet je aan meegedaan hebben, want anders tel je niet mee. Vul nog maar wat in en aan, iedereen heeft er zijn eigen ervaringen mee. Maar waar word je nog echt op je eigen persoon aangesproken? Op wat jij kunt, op wie jij bent? Paulus wil dat in de kerk zo hebben. We zijn samen één lichaam in Christus, juist in onze onderscheiden personen, juist omdat Jezus Christus echt om ons persoonlijk geeft. Buiten de kerk dragen mensen uniformen, dezer dagen oranje, in de kerk mag dat niet. Ieder apart, ieder persoonlijk, heeft een eigen plek en taak en functie en gave. Daartoe wil de Geest ons bezielen. En dat ligt dus als een prachtige gave en opdracht op het bordje van ons allemaal.

Wil dat een beetje lukken dan moeten we nog iets van Paulus leren. In vers 3 zegt hij dat iedereen zichzelf niet hoger moet aanslaan dan hij of zij kan verantwoorden, maar verstandig over zichzelf moet denken. Dat is ook zoiets dat hoort bij die vernieuwing van gezindheid van eerder. Bij christenen hoort een bescheiden attitude. Jij weet niet alles, maar je kunt van anderen leren, zeker in de gemeente, maar ook daarbuiten. Je bent zelf geliefd, dan heb je alle ruimte om een ander echt te waarderen. Juist als je denkt overeenkomstig het geloof ontdek je dat je niet maar een lid onder vele bent, maar echt een ledemaat van een lichaam. Daar word jij niet groot van, maar daar word je jezelf van en de ander ook. Wat goed. Heel persoonlijk.

Je hebt ook iets te ontvangen in de kerk, altijd weer wat. Er is een ander die jou aanspreekt en met wie je in gesprek raakt. En kijk, die ander heeft iets wat jij niet hebt, een eigen gave, een eigen levenservaring. Wat goed dat God je aan elkaar geeft. Je had dat zelf nooit ontdekt, maar nu die ander je erop wijst trekt het z’n sporen in je leven. Juist omdat God jou belangrijk vindt, plaatst hij je in zo’n gemeente en geeft hij je die ander en leert hij je wat je zelf niet had verzonnen. Juist omdat God van je houdt geeft hij je die ander die je aanspreekt met het evangelie en goede woorden spreekt voor jouw hart. Een te waarderen ander dus. Zeg het vooral ook maar eens tegen haar, tegen hem: ik ben blij met je, dank je wel. Denk er nog maar eens extra aan, zometeen, als we samen aan die avondmaalstafel zitten. Je weet het nog wel. Misschien zit die ander er ook wel. Jij bent meer jezelf geworden als de christen die jij bent door die ene ander. Wat goed. We zijn samen, elk apart, elkaars lichaamsdelen. Lekker, kun je nog eens lopen als hand, en horen als oog, of kloppen als long en inademen als hart.

Zo ontvangen we elkaar uit Jezus’ handen. Hij houdt van ons allemaal, juist als de mensen die wij zijn. Laten we dat dan ook zijn, voor elkaar en anderen. Denk er maar aan als we rond de tafel zitten. Neem, eet, gedenk en geloof. Maar denk er ook aan als je op kring bij elkaar bent. Spreek, luister, dien en help. Dan zullen we leven als gemeente van Christus, die zich gaf voor ons om ons te laten leven als mensen, eigen en goed. Amen.

We zien het evangelie nog eens in het avondmaal vanmorgen en we voeren het op, we voeren het uit. Kijk maar naar het brood: Jezus’ lichaam. Je krijgt het heel persoonlijk uit handen van Jezus zelf. Ik vind jou de moeite waard, ik heb mijn leven voor jou gegeven. En we delen het samen. Volg het brood maar: daar is Jezus’ lichaam. Wat een reden voor blijdschap! Zo onverdiend als wat mogen we samen leven als door God geliefde mensen, als zijn kinderen. We heffen er de beker op: op het nieuwe leven met God dat we samen mogen leiden, elke dag. Wie bij Jezus hoort, de Heer van deze maaltijd, en wie al die mensen hier als zusters en broeders in hem wil ontvangen is van harte uitgenodigd met ons mee te doen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 8 juni 2008

eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 4 juni 2006

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *