Gereserveerd

Preek over Efeziërs 1:4-6

orde morgendienst
zingen: Opwekking 518
zingen: NGK 141
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 103,1.5.9
gebed
Schriftlezing Efeziërs 1:1-14
preek over Efeziërs 1:4-6
zingen: Opwekking 599
doopsformulier
zingen: Opwekking 347
dopen Ruben Boiten
zingen: Liedboek 335,1.2.5.6.9
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 574
zegen

Het hoort op de een of andere manier bij het krijgen van een kind dat het tegelijk een wonderlijke ervaring is èn heel vanzelfsprekende reacties oproept. Van te voren heb je geen idee wat er komt, zeker niet bij de eerste, maar als je zoon of dochter er eenmaal is, is het totaal vanzelfsprekend dat je van hem of haar houdt, dat er een warm plekje voor de kleine is, een eigen plek, is het zelfs al heel snel zo dat het onvoorstelbaar is dat je kindje er niet was. Dat wonderlijke wordt niet minder bij je tweede of derde. Het wordt hoogstens anders. Ze lijken ook niet allemaal op elkaar, ook die drie Boiten-boys niet, maar zijn telkens weer eigen mensen, van het begin af aan. En tegelijk wordt ook het vanzelfsprekende niet minder als je meer kinderen krijgt dan één. Vanzelf schuift iedereen in, of vanzelfsprekend zet je nog maar een verdieping op je huis. Na Lucas en Aron moet ook Ruben een eigen plek kunnen krijgen. Dat is logisch, met de logica van de liefde.

Die combinatie van het wonderlijke en het vanzelfsprekende gaat niet alleen bij mensen op, lijkt me. Vanmorgen mogen we haar ook bij God zien. We lazen in Paulus’ brief aan de Efeziërs over het wonderlijke verlangen van God dat wij in Jezus Christus zijn kinderen zouden worden. Dat gaat niet alleen maar over die christenen daar in Efeze in wat nu Turkije is, het gaat over alle christenen, alle gemeenten, alle mensen die bij koning Jezus horen.  God wil dat wij zijn kinderen zijn. Dat gaat, zo haal ik vanmorgen maar apart even naar voren, ook over Ruben, Alinda en Christiaan, Lucas en Aron. En wat bij dat wonderlijke dan heel vanzelfsprekend hoort is dat je ook echt een eigen plek krijgt in Gods gezin, laat ik het maar zo zeggen: aan de tafel van Jezus. Dat gebeurt in de doop straks. Laat ik het vanmorgen maar eens zo zeggen en uitbeelden: als Ruben zo gedoopt wordt krijgt hij zijn eigen, voor hem zelf gereserveerde stoel aan de tafel van Jezus.

Dat is verder heel vanzelfsprekend. Het is een wonderlijk wonder dat de levende God, de schepper, de goede, een verlangen heeft dat mensen zijn kinderen worden. Het is een vreemd wonder dat er op onze aarde, met alles wat daar gebeurt en gebeurd is, zo’n tafel van Jezus staat. Maar zodra God wil dat ook Ruben zijn kind is, is er niets vanzelfsprekender dan dat hij ook zijn eigen plekkie krijgt, persoonlijk, op naam, op doopnaam gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Er is niets vreemds aan de kinderdoop, er is eerder iets heel onvanzelfsprekends aan de geloofsdoop. Alsof je je kind pas een eigen plek in je gezin geeft als het zelf voor jou als vader en moeder kan kiezen. Zo heeft de kerk God in ieder geval nooit begrepen.

Maar laten we het vanmorgen maar even wat uitwerken. Als Ruben zo gedoopt wordt krijgt hij zijn eigen, voor hem zelf gereserveerde stoel aan de tafel van Jezus. Wie hier verder ook gedoopt is heeft ook zo’n stoel, op je eigen naam gereserveerd. Zo waar als je gedoopt bent, zo waar verklaart God drie-enig je dat hij voor jou persoonlijk een stoel gereserveerd heeft, een eigen plekkie in zijn gezin, aan Jezus’ tafel, in zijn koninkrijk. En, zoals gezegd, dat je een eigen plek krijgt dat is een vanzelfsprekend gevolg van een wonderlijk iets, hier nog van een veel bijzonderder wonderlijk iets dan de geboorte van een kind. Tenminste, ik vind het nogal wat bijzonderder dan wat ik verder ook meemaak, dat de schepper van alle leven, de God, de levende die echt van een heel andere orde is dan ik en dan wij, zo’n diepe wil en verlangen heeft dat mensen zijn kinderen worden en dat hij al voor de schepping daarmee bezig was. Voordat de wereld gegrondvest werd naar Gods wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden, schrijft Paulus.

Je zou zo zeggen, als je wat rondneust in onze werkelijkheid, dat God voor de grondvesting van de wereld toch wel wat anders te doen zou hebben gehad dan nadenken over jou en mij. Het zit hier tenslotte allemaal nogal complex in elkaar. En daar is over nagedacht. Waarom zou iemand van het formaat van God enige tweede gedachte wijden aan wat druppels aan een emmer en stofjes aan een weegschaal als wij zijn? Toch doet hij het. En als je dan als een deupie van een paar dagen of weken oud hier de kerk wordt ingedragen, of als je na een half leven van omzwervingen eindelijk rust vindt bij Jezus en je meldt bij het doopvont — dat maakt uiteindelijk niets uit, baby of volwassene — dan mag je ontdekken dat God al een eigen plek voor je klaar heeft. Voor wij ook maar iets goeds of kwaads gedaan hebben roept hij ons, en als wij inmiddels allerlei goeds of kwaads gedaan hebben roept hij ons nog: kom, de maaltijd is gereed, de dieren zijn geslacht, de tafel is gedekt, je eigen stoel is al klaar gezet. Ik houd van je. Kijk maar: Jezus’ bloed is voor jou vergoten en zijn Geest is al met je aan het werk. Vergeving en vernieuwing komen uit de diepte van een ver verleden op ons toe als stromen van genade en bevrijding. De stroom ontspringt bij de troon van God zelf, aan zijn hart, uit zijn liefde die van altijd is, die hij zelf is, tenslotte.

En laten we er dan vanmorgen maar eens speciaal op letten hoe open dat is. In Christus, zegt Paulus hier steeds, gebeurt dat allemaal. In Christus heeft God ons gezegend, ons uitgekozen, voorbestemd, de genade wordt ons geschonken in zijn geliefde Zoon, in hem, en zo voort. Dat is allemaal nogal abstract. Maak het maar even concreet hier op het podium. Dit is, zeg ik maar even, de tafel van Jezus, dat wil zeggen de tafel van Gods kinderen, Gods Zoon aan het hoofd. Wie aan die tafel komt zitten hoort bij Jezus, is ‘in Christus’. Iedereen die aan die tafel zit krijgt al die mooie dingen van God. Tegen iedereen die aan die tafel van Jezus zit zegt God: ik houd van jou, we gaan er wat moois van maken. Iedereen die daar zit voelt zich uitverkoren: wat een wonder. En iedereen die er nog niet zit hoeft zich niet buitengesloten te voelen. Waarom? Is die tafel verboden, soms? Welnee. De boodschap van Jezus is juist voor iedereen: kom op, de tafel staat klaar, ook voor jou, schuif aan. In Christus uitgekozen zijn om Gods kinderen te worden, dat betekent, zeg maar: de hele tafel van Jezus is de tafel van Gods kinderen: wie er aan zit hoort er bij, wie er niet aan zit, heeft zichzelf in de problemen gebracht. Uiteindelijk is Jezus zelf de enige echte uitverkorene (dit is mijn Zoon, de geliefde, luister naar hem), wie bij hem aan tafel schuift, hoe schuchter ook, wordt met hem mee uitgekozen, geliefd, veranderd, opgewekt, tot werkelijk leven gebracht. Kom op, dit is echt voor iedereen die maar wil.

Nu. Wie hier of elders gedoopt is, is met zoveel woorden en gebaren een eigen stoel, een eigen plekkie aan Jezus’ tafel toegewezen. Dat is dus niet iets van ‘dat komt nog wel eens’ of zo. Die stoel staat er voor jou en ze is bedoeld om te gebruiken. Gereserveerd voor jou zelf, in eigen persoon, in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Je mag nu zijn kind zijn, met Jezus, naast Jezus, vergeving en vernieuwing ontvangen, jezelf zijn en God ontdekken. Aan Jezus’ tafel, zoals vanmiddag bij het avondmaal, weer zijn leven voor jouw leven krijgen en feest vieren op het nieuwe leven dat blijft tot in eeuwigheid.

Dan zeggen: ik sta liever, of: ik loop liever nog even een rondje om, betekent heel eenvoudig: dat is allemaal wel leuk, God, die vergeving en vernieuwing die u me geven wilt, maar doe nu eerst nog maar even niet. Er is nog heel veel wat ik belangrijker vind dan u. Dat is bepaald hoog spel spelen. Vragen om eens terug te komen en de deur op slot te vinden, en als je dan aanbelt, te horen krijgen: wie ben jij? Ik heb je nooit gekend. Die stoel van ons, die door God zelf gereserveerde plaats, die is om te gebruiken, vandaag.

En dat kan. Ook als die stoel nog lang niet past. Want dat is natuurlijk zo. Wat dat betreft zijn wij allemaal, groot of klein, in dezelfde situatie als zo’n klein kindje dat gedoopt wordt, zoals Ruben. Stel het je maar voor: zo’n wurm dat in een hoekje van die stoel ligt. Veel te groot, die stoel, niet echt Maxi-Cosi-formaat. Maar dat geeft in dit verband helemaal niets. Het gaat er juist om dat die eigen stoel van ons de richting aangeeft waarin wij groeien moeten, en groeien zullen als we er gebruik van maken: onze eigen versie van heilig en zuiver zijn voor God.

Kijk maar, ontdek maar wat God u persoonlijk, jou persoonlijk leert in het leven, leert ook door de vergeving van hoogst persoonlijke zonden. Ga eens rechtop zitten in Jezus’ naam, en kijk eens naar wat de Geest ons leert met alles wat ons overkomt. Je kunt dat best, houden van de mensen om je heen. Je kunt dat best, geen ruzie maken. Je kunt dat best, geduld opbrengen en vriendelijk zijn. Je kunt dat best, pijn verdragen en niet bitter worden. Je kunt best bidden, en waarom ben je eigenlijk niet blij? En vul maar gerust iets eigens aan. Ga zitten op je eigen plek bij God, aan tafel in zijn gezin, wat er allemaal verkeerd gegaan is, leg het maar op tafel, dan doet God het uit je leven weg met zijn vergeving, wat je allemaal niet kunt, dat overwint Hij met zijn vernieuwing. Kijk vrij rond, ontdek je eigen mogelijkheden op je eigen plek bij God. Nee, niet meteen naar anderen kijken. Iedereen heeft zijn of haar eigen gereserveerde stoel bij God. De een misschien een schommelstoel, de ander een rechte stoel, nog weer een ander een stoel met een voetenbankje en extra leuningen, iedereen bijpassend bij eigen gaven en mogelijkheden, en voor iedereen op de groei. Probeer maar. Vandaag al kan er meer dan je denkt.

Maar probeer het vandaag. En niet morgen. Gods beloften zijn alleen voor morgen als ze ook voor vandaag zijn. Maar als je ze vandaag gebruikt, als je vandaag al gaat zitten en kijken, dan is alles wat je vandaag ontdekt als tekort, als ruimte over, als dit of dat waar je nog in groeien moet of in uitgroeien kunt, tegelijk een belofte voor de toekomst. God zelf zal er, als de drieënige God die hij is, voor zorgen dat die eigen stoel van ons eens volmaakt past. En dat zal altijd weer nog rijker en meer volkomen zijn dan we nu kunnen zien. Want als er één ding voor ons niet te overzien is, dan is het de diepgang en de reikwijdte van wat God ons geeft als Hij ons een eigen plek geeft in zijn gezin, een eigen plek aan zijn hart.

Ik zou zeggen: kijk die stoel hier nog eens aan. Hij stond er al toen u binnen kwam. Hij staat er nog. En ook als deze straks weer weg gezet wordt, uw eigen plaats bij God blijft als u er gebruik van maakt. Niemand zet deze stoel weg, als er iemand op zit. Zo is het ook bij God. Als u bij God uw stoel leeg laat, wordt-ie eens opgeruimd, met een eeuwig, goddelijk verdriet. Hij was voor u bedoeld geweest, maar u hebt het niet gewild. Maar als u uw eigen plaats bij God gebruikt, al is het maar voor een klein stukje, omdat er nog zo veel te groeien, te leren en af te leren valt, niemand zal u wegsturen. Integendeel. De engelen zullen u blij ontvangen en u nieuwe kleren geven, en God zelf zal u voltooien en uit laten groeien, precies passend. Want Gods beloften gaan niet maar over de toekomst. Ze wortelen in het verleden, ver in de eeuwigheid, ze staan voor ons in het heden, als een levende kracht om te gebruiken, en blijven dan tot in eeuwigheid.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 28 september 2008

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *