Wie is hij toch?

preek over Marcus 4:35-41

orde 
welkom
stilte
intochtslied Lb 84,1.6
openingswoorden
zingen Lb 304
gebed
muzikaal intermezzo
1e Schriftlezing 2 Korintiërs 5:14-21
zingen Lb 107,11-15
2e Schriftlezing Marcus 4:35-41
zingen Halleluja
overweging
muzikaal intermezzo
zingen Lb 321
gebed, stil gebed, Onze Vader
inzameling gaven
zingen Lb 978
zegen

Geliefden in Jezus,

Zo, het leesrooster splitst ons vanmorgen een mooi stukje Marcus in de maag. De vraag van de leerlingen echoot nog na: Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen? Ook als we verhalen als dit vanzelf met een flinke schep skeptisch zout nemen, zijn we van het begin van die vraag niet zomaar af: Wie is hij toch? Want die hij is dan tenminste iemand aan wie dit soort verhalen gewoonweg toegeschreven worden. Dat gebeurde ook in de eerste eeuw niet bij elke opvallende profeet.

Marcus heeft er zijn lezers trouwens van het begin af aan niet over in onzekerheid gelaten wie die Jezus toch is. Hij is de rouwdouwer onder de evangelisten, die bepaald geen rekening houdt met 21e eeuwers. Zijn openingszin laat niets aan duidelijkheid te wensen over: Begin van het goede nieuws over Jezus Messias, Zoon van God. Zo ongeveer op elke bladzij van zijn boekje komt dat ‘Zoon van God’ terug. Soms met zoveel woorden, soms impliciet: iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder (3:35). In het direct volgende verhaal komt een bezetene op Jezus af rennen: Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Aan het eind trekt een Romeinse officier onder het kruis zijn conclusie: Werkelijk, deze mens was een godenzoon.

In ieder geval is het onmiskenbaar wat Marcus ook in dit verhaal voor het voetlicht wil halen. Hier is een Zoon die op zijn Vader lijkt. Hier wordt Psalm 107 nog eens opgevoerd, en duikelen herinneringen aan de schepping, de uittocht, de intocht, en het verhaal van Jona over elkaar heen. Als Jezus wakker wordt staan we plotseling aan de binnenkant van de stormachtige heerlijkheid van God: na de storm, de donder en de bliksem, de aardbeving, is er het suizen van een zachte stilte. De reactie van de leerlingen is bijpassend: nu worden ze pas echt bang, bevangen door grote schrik. Ook die angst trekt trouwens het hele boekje van Marcus mee. Het lijkt er op dat het oorspronkelijk zelfs eindigde met drie vrouwen die bevangen door angst en schrikt wegvluchten bij Jezus’ graf, zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden (16:8). Het kan in ieder geval geen kwaad als ook wij ons vanmorgen weer eens te binnen brengen dat met lengte het meest voorkomende gebod dat God in de bijbel aan mensen geeft de opdracht is: vrees niet, wees niet bang. Kennelijk is dat de normale reactie van mensen die iets van God ontmoeten en zichzelf terugvinden in hun naakte bestaan, volkomen kwetsbaar, als doordringt dat alles waar we onszelf normaal achter verbergen nu volkomen nutteloos is.

Maar goed, wij zijn Marcus niet, we houden niet van angst in de kerk, en we bepalen zelf wel wat we van Jezus vinden. Zoals gezegd, we zijn over het algemeen behoorlijk skeptisch over dit soort verhalen. ‘Rabbi stopt supercel op het meer van Galilea’ valt voor velen van ons niet onder nieuws, maar onder sterke verhalen. En wat vaak de diepste laag onder dat alles is: we hebben serieus moeite met een beeld van God en geloof dat we hier zomaar proeven. Laten we zeggen het beeld van het scheepje onder Jezus’ hoede, met de kruisvlag hoog in top. Alsof God je leven wel goed maakt als je maar op Jezus vertrouwt. En je laat verzuipen als je dat niet doet. ‘I don’t believe in an interventionist God’ is de openingsregel van een song van Nick Cave and The Bad Seeds en tegelijk een mooie samenvatting van wat heel veel mensen in ieder geval vinden van God of iets wat daarop lijkt. Trouwens, als God wèl zou ingrijpen in de gang van zaken in ons leven, dan zou hij dat wel behoorlijk wat beter mogen doen.

Maar met dat alles zijn we nog steeds niet af van het begin van die vraag van de leerlingen: Wie is hij toch? En ik denk dat we ook nog steeds niet van Marcus af zijn. Wat we lazen is maar één voorbeeld van verhalen en gebeurtenissen waarin hij laat merken hoe groot hij Jezus vindt en hoeveel macht hij aan Jezus toeschrijft. Maar uiteindelijk is dat allemaal niet meer dan achtergrond van het echt vreemde en bijzondere van Jezus. De man die zelfs de wind en het meer met een enkel woord het zwijgen oplegt, de man die slechte machten gebiedt, die geneest wat ongeneeslijk is, die elke tegenspraak tot zwijgen brengt, de man die alles kan wat de schepper van heel ons uitdijend universum kan — die man laat zich bespotten en kruisigen, roept om de God die hem verlaten heeft en geeft na een luide kreet de geest. ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet’. Dat was de spot. Gegeven al het voorgaande is voor Marcus het echt vreemde en bijzondere van Jezus dat hij zichzelf niet wilde redden. Hij was niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen (10:45). En juist zo is hij de Zoon van God.

Ook dit verhaal is zo’n contrast-verhaal. Het is tenslotte niet waar het om gaat, maar het zorgt ervoor dat het echt vreemde van Jezus weer even boven kan komen. Het heeft deel aan een andere aparte trek die heel Marcus’ boekje doorloopt: Jezus is niet degene die het initiatief neemt om zijn macht te tonen. Hij doet het, haast zou je zeggen met tegenzin, als hij gevraagd wordt, als anderen aandringen. En heel vaak zegt hij vervolgens: vertel het niet door. Alsof hij zeggen wil: het gaat niet om macht, het gaat niet om kunnen, het werkelijke leven speelt niet in categorieën van macht, maar in categorieën van liefde, van zorg, van delen, van overgave. Als hij een Zoon is die op zijn Vader lijkt, dan lijkt hij op de God die ooit alles uit liefde heeft geschapen, en die zo eigenwijs mogelijk volhoudt dat liefde het enige is dat echt de moeite waard is. De rest is bijzaak. Het enige dat hij geeft is het goede. Zelfs het kwade wordt niet met kwaad vergolden, maar overwonnen door het goede. Als Marcus gelijk heeft is het echt bijzondere van Jezus dat hij in vlees en bloed de God is die zichzelf niet handhaaft, maar geeft, die alle macht heeft, maar die niet voor zichzelf gebruikt, die niet om zichzelf cirkelt, maar zich opent naar anderen, koste wat kost.

Dat is wat ik met lengte het meest bizarre vind aan Jezus en — wat dit betreft — aan de God die in de bijbel opereert. Ik denk in termen van macht, van zelfhandhaving, van bescherming, van mezelf overeind en in leven houden. En ik dacht niet dat ik de enige was. Jezus niet. Hij gelooft echt dat het goede sterker is dan het kwade en liefde sterker dan de macht van de dood. Niets is begrijpelijker dan dat een God alles kan en onbeperkte mogelijkheden heeft. Niets is vreemder dan een God die in staat is dat allemaal los te laten om naakt een slavendood te sterven. Ook als we denken aan een God die ingrijpt, denken we aan macht, aan kunnen. Maar hoe zou ingrijpen er eigenlijk uitzien bij een God die werkelijk alleen maar het goede geeft. Die ook op kwaad alleen maar met goed reageert? Dat is zo vreemd, dat je vanzelf die vraag overhoudt: Wie is hij toch? — Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen? Eigenlijk is dat een kleine vraag, klein bier, vergeleken met de grote vraag die Marcus ons stelt: Wie is hij toch, die naakte man aan dat kruis?

Misschien dringt daar pas echt iets van door als wij zelf gereduceerd worden tot ons naakte bestaan. Zoals die leerlingen hier zich al gereduceerd zagen worden tot een hoopje mens dat aanspoelt aan de kust van het meer. Wie geeft er om je als je geen mogelijkheden meer hebt? Wie ziet je staan als je niets bij te dragen hebt? Wie houdt er van je zoals je simpelweg bent, onder de douche of voor de spiegel of in je bed? Als macht niet meer telt, wat ligt er dan nog onder je bestaan? Wie draagt je dan? — Wie is hij toch? Hij is de God die laat vragen, niet de God die imponeert, die gebiedt, boeken vol geboden, zelfs niet de God die fascineert. Hij ziet van al die vormen van macht af en laat alleen maar vragen: laat van je houden. Dat is het echte leven, dat altijd verder reikt dan je denkt.

In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, amen.

gehouden in de Oude Kerk in Spaarndam, 24 juni 2018

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *