Jezus’ telefoonspel

Preek over 1 Korintiërs 15:3-4

orde morgendienst
welkom
zingen: Psalm 9,1.7.8
zingen: PvN 84,1-3
stil gebed
votum en groet
zingen: PvN 84,4-5
gebed
Schriftlezing 1 Korintiërs 15:1-11
preek over 1 Korintiërs 15:3-4
luisteren Missions Flame (Matt Redman)
geloofsbelijdenis en doop
zingen: Joh.de Heer 569,1.3
avondmaalsviering
zingen: Iona 20,1.4
viering
zingen: Liedboek 358,6
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 454
zegen

Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen. Zo gaat het in de kerk van het begin af aan. Mensen ontvangen van mensen de boodschap dat de Messias, Jezus, voor onze zonden is gestorven, is begraven en op de derde dag opgewekt uit de dood. En die boodschap geven ze vervolgens zelf weer door aan anderen. Dan zijn die anderen aan de beurt. Zij doen hopelijk hetzelfde: de boodschap die ze ontvangen hebben weer doorgeven, en zo voort, en zo voort. Zo is die boodschap ook bij ons terecht gekomen, via het nu al zo’n tweeduizend jaar lopende telefoonspel van Jezus dat ook wel bekend staat als de kerk.

De meeste mensen kennen dat, denk ik, wel, het telefoonspel. Je gaat met een groepje in een kring zitten. Iemand verzint een verhaaltje en fluistert dat door aan degene naast haar, en die weer door aan de volgende, tot het verhaal de kring rond is en weer terugkomt bij degene die begon. De grap van het spel is meestal dat het verhaaltje dat terugkomt niet erg meer lijkt op het verhaaltje dat begon. Als de een het doorgeeft aan de ander wordt het net anders gezegd en langzaam maar zeker wordt het hele verhaal anders. Dat is dus best spannend als het maar niet om een spelletje gaat, maar om een echt belangrijke boodschap. Ook dan wordt het verhaal voor je het weet anders als de een het doorvertelt aan de ander.

Toch heeft Jezus ervoor gekozen zijn kerk als een telefoonspel op te zetten: de ene leerling moet andere mensen tot leerlingen van Jezus maken, zijn boodschap doorgeven, en vervolgens zijn die nieuwe leerlingen aan de beurt om de boodschap door te geven, andere mensen tot leerlingen van Jezus te maken, in telkens nieuwe rondes, van generatie op generatie, van volk tot volk, van land tot land. Telkens weer is er een groep mensen die zegt, of schrijft, of mailt, of sms’t: het belangrijkste dat ik jou door te geven heb, heb ik zelf ook doorgegeven gekregen: Jezus, de Messias, is gestorven voor onze zonden, is begraven en op de derde dag opgestaan uit de dood; dat is ‘naar de Schriften’, dat past bij de geschriften die we nu kennen als het Oude Testament, het eerste deel van de bijbel.

En zo werkt het ook, nietwaar? Als je christen bent geworden, ben je dat tenslotte altijd omdat iemand, of een aantal mensen, echt aan jou hebben doorgegeven dat Jezus ook voor jou is gestorven en opgestaan, en iets hebben laten merken van wat dat allemaal wel niet betekent. Zelfs als je tot echt geloof gekomen bent door het lezen in de bijbel heb je die bijbel van iemand gehad of ben je door iemand anders erop gewezen. Veel christenen kunnen zich nog heel goed herinneren wie het was of wie het waren die hen de boodschap over Jezus zo doorgegeven hebben dat die echt binnen kwam. Vraag het Carmen, en ze zal je vertellen over haar moeder. Vraag het Derek, en hij zal je vertellen over thuis. En ga het bij jezelf maar na, wie waren het die het jou doorgegeven hebben, wat ze eerst zelf hadden ontvangen?

En laten we gelijk even iets langer nadenken daarbij. Waarom zou Jezus, ondanks alle risico’s van vertekening en misvorming, toch gekozen hebben om zijn kerk als een soort van telefoonspel op te zetten? De een geeft het door aan de ander. Ik denk dat je het belangrijkste antwoord op die vraag vindt als je terugdenkt aan die ander of anderen die jou de boodschap over Jezus’ zo doorgegeven hebben dat die jou raakte. Er zit natuurlijk altijd een geheim in zo’n ervaring, een verrassing van getroffen worden door iemand anders. Maar ik denk dat er ook iets bij speelt wat je wel woorden kunt geven. Die ander die jou over Jezus vertelde vertrouwde zelf ook op Jezus, leefde zelf ook bijpassend. Het maakte echt iets uit voor die ander dat Jezus gestorven was voor zijn of haar zonden, was begraven en weer opgestaan uit de doden. Nee, dat hoeft echt niet volmaakt of heel indrukwekkend te zijn, maar ik denk wel dat iedereen die jij zou noemen als iemand die je echt het geloof in Jezus heeft doorgegeven je ook het gevoel heeft gegeven van: dit is echt, dit betekent echt iets, dit is een soort van vertrouwen op Jezus, op God dat ik ook zou willen hebben.

Vertrouwen, dat is het speciale woord hier. En dat is precies waar je dat telefoonspel, dat doorgeven van de een aan de ander, voor nodig hebt. Als het alleen maar zou gaan om de vraag of de boodschap over Jezus wáár is, of die klopt, dan zou het ook wel met certificaten, bewijzen of onmiskenbare sporen toe kunnen. Stel je voor dat al die meer dan vijfhonderd getuigen waar Paulus over schrijft netjes bij de notaris toen acte hadden laten opmaken: hierbij verklaar ik dat ik Jezus heb gezien, na zijn kruisiging, onmiskenbaar levend, en dat al die actes net zo netjes bewaard waren, duidelijk te dateren en te verifiëren, c14 methode incluis. Stel je voor dat er bij Jeruzalem nog altijd een zwaar beschadigde graftombe was, waar kennelijk iets explosiefs gebeurd is en waar je niet maar een lijkwade van Turijn in textiel kon zien, maar een lichaamsafdruk in hard graniet. En verzin gerust nog een paar dingen die je nodig zou hebben om te zeggen: het klopt, Jezus is gekruisigd en opgestaan, dat is waar. Uiteindelijk mis je er precies het belangrijkste mee dat je meekrijgt in het doorgeven van de een aan de ander in de kerk, in het telefoonspel van Jezus: de boodschap is méér dan de boodschap van ‘dit is waar’, het is de boodschap van ‘op deze Jezus kun je vertrouwen’, hij is echt voor jóuw zonden gestorven en opgewekt, meer nog, de hele wereld wordt hersteld en recht gezet door hem. Daar kun je op vertrouwen, kijk maar, ik doe het ook. Laten we hem aanbidden en voor hem zingen.

Over waarheid of niet zou je nog kunnen zeggen: dat valt te bewijzen, objectief. Maar vertrouwen wordt gewekt door vertrouwen. Of je echt met iemand kunt leven en sterven, of je je echt helemaal aan iemand kunt uitleveren, daar helpen geen certificaten, bewijzen of sporen bij. Die vonk springt alleen over als iemand anders het doet, het leeft, het laat zien dat het kan.

Dat is méér dan waarheid, zei ik. Het is in ieder geval niet minder. Paulus vertelt niet voor niets uitvoerig over al die mensen aan wie Jezus verschenen is. Je kunt niet zeggen: ik vertrouw op Jezus die voor mij gestorven en opgewekt is, maar ik geloof niet dat hij is gestorven en opgewekt. Het is een mooi verhaal, niet echt gebeurd maar wel waar, of dat soort onzin. Het is in ieder geval waar, in ieder geval echt gebeurd: Jezus leeft en is verschenen aan al die mensen. Maar dat is niet alleen maar waar, het is ook echt iets waar jij op kunt vertrouwen, vertrouwen dat Jezus in dat alles ook jouw zonden vergeeft, ook jouw leven herstelt, ook jouw wereld recht zet. En bij dat vertrouwen hoort echt zo’n telefoonspel. Hem kun je echt vertrouwen, van hem kun je altijd op aan, hij is goed voor zijn woord, hij laat je niet in de steek, dat zijn dingen die je alleen maar gelooft als mensen ze persoonlijk tegen je zeggen. Wat waar is kan wellicht bewezen worden, of iemand te vertrouwen is geloven we alleen op het getuigenis van andere mensen. Laten we hem aanbidden, dat zeggen we tegen elkaar.

Maar goed, dan is er nog steeds de vraag van het telefoonspel: hoe kun je ervoor zorgen dat het verhaal een beetje hetzelfde blijft? Hoe voorkom je dat bij een belangrijk verhaal als dit niet meer dan een grap, een heel ander verhaal, overblijft als het de kring rond is? Nou, het scheelt als je het op mag schrijven. En het verhaal van Jezus, van zijn sterven en opstanding, is opgeschreven in het Nieuwe Testament, het tweede deel van de bijbel. Het scheelt ook als je mensen aanstelt die er speciaal op letten dat het verhaal hetzelfde blijft. Dat is in de kerk gebeurd. Wij noemen ze ambtsdragers, predikanten, ouderlingen, diakenen. Maar er is nog iets belangrijkers en eenvoudigers: het maakt alles uit of je alleen woorden door laat geven of dat je ook handelingen door laat geven. En dat is wat Jezus doet, nietwaar? Hij zegt niet alleen: maak anderen leerlingen, hij zegt ook: doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. En hij zegt: dit delen van brood en dit delen van de beker, blijf dat doen om mij te gedenken. Dat soort heel eenvoudige handelingen als dopen en maaltijd houden, dat zijn dingen die heel goed door te geven zijn, de kring rond in Jezus’ telefoonspel. En die dingen sturen helemaal de boodschap waar het verder om gaat.

Het belangrijkste, zei Paulus, dat ik u heb doorgegeven, en wat ik zelf heb ontvangen, dat is dat Christus voor onze zonden is gestorven, dat hij is begraven en op de derde dag opgewekt. Als dat alleen woorden zijn is het best moeilijk dat netjes door te geven aan elkaar, zeker over 2000 jaar heen. Maar als er een handeling bij zit wordt het een stuk makkelijker. Het gaat er om dat jij erop vertrouwt dat Jezus voor jou is gestorven en opgewekt, is de boodschap. De bijbehorende handeling is, dat jij je laat onderdompelen in water als teken van de dood en je er weer uit laat ophalen als teken van Jezus’ opwekking: de doop. Als je dat helemaal uitwerkt in het complete teken, zonder de stilering die we in de kerk intussen gebruiken, dan gaat het erom dat je jezelf loslaat, laat gaan, laat wegzakken in het water dat symbool staat voor de dood — en dan in Jezus’ naam weer wordt opgetrokken uit dat water, uit de dood, als teken van opwekking en nieuw leven. Zoiets doen kan niet anders betekenen dan: ik vertrouw erop dat Jezus echt voor mijn zonden is gestorven en begraven en dat hij op de derde dag is opgewekt, en ik met hem! Je laten dopen betekent: je overgeven aan Jezus, echt bij hem willen horen en delen in zijn leven en lijden en opstanding.

Het gaat er om dat jij erop vertrouwt dat Jezus voor jou is gestorven en opgewekt, dat is de boodschap die doorgegeven wordt. De bijbehorende handeling is dat jij brood ontvangt en doorgeeft dat staat voor zijn lichaam: hij is gestorven voor mij en daar leef ik van. De bijbehorende handeling is dat jij een beker ontvangt en doorgeeft die staat voor het resultaat van Jezus’ leven, voor wat hij bereikt heeft als de opgestane: nieuw leven voor altijd voor hemzelf en voor iedereen die bij hem hoort. In die handelingen komt alles bij elkaar. Je krijgt brood en beker van de ander die naast je staat, zoals je de boodschap krijgt doorgegeven van anderen en tot geloof, dat wil zeggen vertrouwen komt. En je geeft brood en beker weer aan de ander door die dan naast je staat. Het hele telefoonspel van Jezus uitgevoerd in brood en beker. Dat staat voor geloven, dat staat voor kerk zijn, dat staat voor als christen leven.

Al doende zie je dat het gaat om meer dan dat het waar is wat over Jezus verteld wordt. Wat alleen maar waar is steek je in je zak of doe je in een tas. Dat Jezus voor onze zonden gestorven en begraven is, dat eet je op: dat wil zeggen: daar leef je van. Dat Jezus is opgewekt uit de dood tot eindeloos nieuw leven, dat leg je niet ergens neer, daar hef je de beker op, de beker van de dank. En zo geven we in de kerk Jezus aan elkaar door: als degene op wie we helemaal vertrouwen en als degene die we voor altijd danken. Zolang we dat zo blijven doen gaat het ook verder met dat telefoonspel van Jezus wel goed komen. Je kunt best wat eigen accenten leggen als je het verhaal over Jezus doorvertelt zolang het maar past bij de doop en bij het avondmaal.

 

Goed, in dit grote doorgeven je eigen plek innemen, dat is wat jullie  elk op eigen manier willen doen vanmorgen, Derek en Carmen, Soeraina en Saffira. Je hebt het op jouw beurt ontvangen, vertrouwen op Jezus die is gestorven en is opgestaan ook voor jou, je mag het nu zelf ook weer doorgeven, aan elkaar, aan anderen. Daarin klopt het hart van de kerk: ontvangen en doorgeven, ontvangen en doorgeven. Jezus’ liefde ontvangen, Jezus’ liefde doorgeven. Jezus’ vergeving ontvangen, Jezus’ vergeving doorgeven. Jezus’ redding ontvangen, Jezus’ redding doorgeven. Daarin krijgen jullie je eigen plaats. En die plaats is belangrijk. Want het gaat om méér dan alleen of iets waar is, het gaat om vertrouwen en het gaat over dank. Het boek waarin staat dat het waar is, kan niet zonder ons, ook niet zonder jullie, levende mensen die tegen anderen zeggen: Jezus, die is echt te vertrouwen, ik doe het ook, kom, laten we hem aanbidden. Wie weet wie dan later eens aan jou zal denken als die ene door wie Jezus’ boodschap echt binnenkwam bij hem, bij haar. Zo gaat het verder, net als in het avondmaal zometeen. Wat ik heb ontvangen, dat geef ik jou weer door. Kijk maar, zo meteen, naar hoe dat gaat met brood en beker. Dat is de kerk. Daar hoor je bij. Blijf er aan meedoen en God zal je zegenen, vandaag en morgen en voor altijd. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 10 juni 2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *