Een knipoog en een schouderklop

Preek over Marcus 9:2-13

orde morgendienst
welkom
zingen: Psalm 25,2.5
zingen: Opwekking 520
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalmen voor Nu 15
gebed
Schriftlezing Hebreeën 2:5-12
preek over Marcus 9:2-13
zingen: Liedboek 483,1.2.4
avondmaalsviering
intro
zingen: NGK 179a
gebed
zingen: Liedboek 358,4.5
viering
zingen: Liedboek 358,6
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 553
zegen

Een knipoog en een schouderklop, daar wil ik vanmorgen bij stilstaan in de preek. Want dat is wat ik zie gebeuren in het stukje uit Marcus’ evangelie dat we net lazen. Petrus, Jakobus en Johannes krijgen een knipoog van Jezus en een schouderklop van God: kom op, houd vol, vat moed, het is de moeite waard. Ik denk dat wij dat ook wel kunnen gebruiken, dus laten we eens kijken naar Marcus.

Voor Jezus’ leerlingen was het in ieder geval geen overbodige luxe, een bemoediging, na het voorgaande. ‘Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee’. Dat verwijst naar wat er zes dagen eerder gebeurd was. Daar hebben wij hier zeven dagen geleden bij stil gestaan, over gehoord en over nagedacht. Vorige week preekte Paul van der Velde over de eerste helft van dit verhaal. Niet iedereen die hier nu is was er toen ook. De meeste mensen zijn bovendien geen geheelonthouders, dus het kan vast geen kwaad als ik wat herhaal.

Het was begonnen met dat Jezus met zijn leerlingen naar de buurt van Caesarea Filippi gegaan was. Behoorlijk uit de buurt van waar Jezus normaal opereerde, trouwens: de ruïnes van de stad liggen op wat nu de Golan-hoogvlakte is. Daar had hij hun gevraagd: wie ben ik volgens jullie? En Petrus had geantwoord: u bent de messias. En dat betekende volgens iedereen in die tijd: u bent de koning uit het nageslacht van koning David, u gaat uw volk redden van onderdrukking en terugbrengen uit de ballingschap, door u gaat alles goed komen. Bij de messias hoorde een succesverhaal. De messias was een overwinnaar. Bij de messias waren de verwachtingen hoog gespannen.

Maar vervolgens, in de rest van het verhaal bij Caesarea Filippi en daarna bij gesprekken met leerlingen, doet Jezus eigenlijk niet zó veel meer dan daar een enorme domper op zetten. Hij zou geen succes hebben. Hij zou moeten lijden, afgewezen worden, gedood worden zelfs, en dan pas zou hij drie dagen later opstaan — bijna en passant wordt het gezegd. Alle nadruk ligt op lijden, afgewezen worden, gedood worden. En hij had het er bij zijn leerlingen nog eens uitvoerig extra ingewreven ook: Jezus’ leerling zijn, bij hem willen horen, betekent jezelf opgeven. Reken er maar op dat het jou net zo zal vergaan: je zult je leven verliezen, je zult om het leven komen, je zult rond geduwd en geslagen worden op weg naar de plek waar je opgehangen wordt aan de kruisbalk die je net als Jezus te dragen krijgt. Realiseer het je vooral — Jezus masseert het in, hij zal het nog heel wat keren meer doen —: Jezus’ leerling worden, christen worden betekent je een hoop ellende extra op je nek halen. Wie hier vorige week was weet nog wel de vraag waar Paul mee begon: Stel je voor, je bent dominee en je gaat een cursus schrijven  over succesvol christen zijn, wat zou je daar in zetten? Aan het eind van de preek was duidelijk dat die cursus niet geschreven kan worden, mag worden. Het gaat over iets heel anders bij christen worden, christen zijn.

Intussen wisten de mensen voor wie Marcus zijn boekje geschreven heeft, daar alles van. Voor hen was dit levend. Goed voor ons om het ons nog eens te herinneren. Het was een tijd waarin je als christen een heel reële kans had vervolgd te worden. Marteling, geseling, voor de wilde dieren gegooid worden, verbrand worden, geëxecuteerd worden, het gebeurde, zoals het vandaag op allerlei andere manieren her en der nog gebeurt. Iets als succesvol christen zijn kon je hier in dit leven echt op je buik schrijven. Als het bij derde-rangs-burger worden, spot en mishandeling bleef had je geluk. Christen worden betekende echt voor Marcus’ eerste lezers naast alle gewone ellende van het leven waar ieder mens in deelt (voor de pijnstillers) nog extra ellende erbij krijgen. Spot, vervolging, het was heel concreet.

Maar voor Jezus’ leerlingen was het echt een enorme omschakeling.  Zij waren daar niet op ingesteld, niet aan gewend. Als er iets was wat ze niet verwachtten van de messias, was het dat hij ten onder zou gaan in de dood. De messias zou de vreemde onderdrukkers — toen de Romeinen — overwinnen. Als hij door hen gedood zou worden was hij gewoonweg de messias niet. Je hoort het nog in de reactie van twee mensen op weg naar Emmaüs na Jezus’ kruisiging: we hoopten nog zo dat hij het zou zijn die Israël zou verlossen…, maar nee. Het was voor Jezus’ leerlingen een serieuze tegenwerping: Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? Wat heb je eraan als Jezus de messias is, maar hij je serieus extra ellende oplevert? Aan een verlosser moet je hier iets hebben, anders is hij niets waard.

En dus blijft er ook iets hangen, zes dagen lang, van teleurstelling, van niet weten wat je hier nu toch mee aan moet, van verwarring en onzekerheid. En misschien heb je dat zelf ook wel meegenomen van vorige week. Jezus volgen en dan toch zo’n boodschap meekrijgen van je leven verliezen om het te winnen, wat heb je eraan als je alles wint maar er het leven bij inschiet? — Daar gaat Jezus nu op in. Hij laat het een tijdje bezinken, zes dagen, en neemt dan drie leerlingen met zich mee, een hoge berg op. Hij neemt het initiatief. Jezus wil hen iets laten zien. En voor hun ogen veranderde hij van gedaante. Jezus’ kleren worden lichtgevend wit, bovenmenselijk helder. Bij hem verschijnen nog twee figuren. Ze worden herkend, hoe dan ook, als Elia en Mozes, twee mensen uit de geschiedenis van Israël die veel voor God en zijn volk gedaan hebben, de aartsprofeet en de aartswetgever.

Wat is dat? Wat zegt het? Het lijkt er het meest op of Jezus deze drie leerlingen van hem even een blik in de toekomst gunt. De helderwitte kleren horen in de bijbel bij mensen die gestorven zijn, maar kijk, ze leven toch: hun leven is geschoond bij God, op zijn plek gekomen. Ze leven bij God, in zijn alles mogelijk makende werkelijkheid. Wie mag wonen op Gods berg? Psalm 15, hoorden we net: mensen met een schoon leven. Mozes en Elia leven zo bij God. Ze zijn niet maar dood, geschiedenis, voorbij. Ze leven. Ze komen praten met Jezus. Waarover dat ging vertelt Marcus niet. Het gaat hem kennelijk meer om wat deze drie leerlingen zien dan om wat ze horen. Even wordt hun een blik gegund in het eindeloze leven van God dat mensen ook door de dood heen blijft dragen. Even mogen ze Jezus zien als de opgestane rechtvaardige, in het licht van zuivere liefde. Even geeft Jezus hun een knipoog, als het ware: aan het eind van mijn leven staat niet het lijden, de dood of het kruis, maar na drie dagen de opstanding uit de dood.

Een knipoog. De hele wereld winnen, maar er het leven bij inschieten — wat koop je daarvoor. Nou, je hebt er alleen iets aan als je dan toch door-leeft, als inderdaad door de dood heen blijkt dat je je leven wint, blijkt dat je als je Jezus volgt je leven terugkrijgt, door de dood heen als een eeuwig, glanzend, goddelijk leven. Een blik in de toekomst, waar Jezus het steeds over heeft. Het gaat bij Jezus niet maar over hier, nee, het gaat altijd over een komende wereld. Zoals het opende in Hebreeën: de komende wereld waarover wij schrijven.

En wat daar bij komt, hier, is een schouderklop van God. Want Petrus reageert, verward, maar wel met iets van: dit is mooi, dit moet blijven, laten we tenten bouwen. Marcus vertelt erbij: hij was zo geschrokken, hij wist niet wat hij deed. Maar dan komt er een wolk en uit die wolk klinkt een stem. Het zijn bekende beelden in de bijbel. Zo ging het bij de berg Sinaï. Zo verschijnt God zelf, hoog op een berg, in een wolk, donderwolk soms, stille wolk soms. — En God spreekt zelf: Dit is mijn geliefde zoon, luister naar hem. Heb je zes dagen rondgelopen met allemaal vragen, je weet niet wat je je voor moet stellen bij wat Jezus gezegd heeft, en dan neemt Jezus je mee en zet je even stil en je hoort Gods eigen stem: dit is hem echt, luister naar hem.

Een extra zetje, een extra bemoediging, een schouderklop. Er is nog een hele tijd te gaan, nog een heleboel uit te leggen. Dat blijkt ook wel. Het gaat over opstanding, maar wat moet je je daarbij voorstellen? In de tijd van Jezus dachten de meeste Joden bij opstanding aan de opstanding op de jongste dag, als iedereen op zou staan. Het lijkt er op dat niemand voordat Jezus zelf uit de dood is opgestaan op het idee is gekomen dat het er wel eens één eerst zou kunnen zijn, als een eersteling, als een begin, en dat de rest veel later zou volgen. Dat konden ze zich niet voorstellen. Wat zou dat moeten betekenen? Er is nog heel veel uit te leggen. Maar God moedigt hen nog eens extra aan: dit is hem, luister naar hem, denk er om. En dan gaan ze verder op weg naar Jeruzalem.

Zo is het ergens nog steeds. We lazen Hebreeën. Er zijn heel veel mooie beloften van God, maar het gaat over een komende wereld, waar wij nu nog niet in leven. Wat zien wij? Wij zien niet christenen regeren over alles. Wij zien geen mensen succes krijgen op aarde als ze christen worden. We zien alleen Jezus, opgestaan, levend bij God. Het is best goed om je dat nog eens extra te realiseren, denk ik. Want in onze zwaar verwende westerse samenleving staan we eigenlijk heel dicht bij die leerlingen: een messias moet hier iets neerzetten, we moeten er hier iets aan hebben. De eerste lezers van Marcus zijn ons veel vreemder. Die wisten dat christen worden een bak ellende extra zou betekenen.

Dat maakt het voor ons lastig. Je merkt dat het geloof daarmee onder druk komt te staan. En onder druk wordt alles vloeibaar. Dus je merkt ook dat er allerlei vreemde ideeën in het christelijk geloof opduiken. De keuzes die je maakt in je leven nu hier, die moeten wel iets opleveren. Daar je wel wat aan hebben. Ze moeten er in ieder geval voor zorgen dat het je beter gaat. Dat zit heel basaal in ons leven. Je moet kunnen genieten. Je moet erop vooruitgaan. Als je dus ergens niet beter van wordt, dan is het niets waard. Reken erop, op die manier van succes krijgen, welvaart krijgen — als je christen wordt gaat het niet beter met je. Maar de druk staat er wel op, en dus duiken er dwaalleraars op die zeggen dat het wel zo is: dat je wel welvaart krijgt als je christen wordt. En er duikt een ketterij op dat God belooft te willen genezen van wat voor ziekte dan ook. Dat heeft God niet beloofd. Als een echte ketterij vertekent het je beeld van God: God is geen tovenaar, hij manipuleert mensen niet. En er duikt een waanidee op, over dat God zijn koninkrijk op aarde hier en nu aan het vestigen is. Dat is niet zo. Het komt, uit de hemel. Al deze dingen staan nergens in de bijbel. Het is gewoon onze cultuur, vermomd in woorden die christelijk lijken. Geloof ze niet. Wat heb je eraan als je de hele wereld wint, maar je leven verliest? Het gaat over een komende wereld. Het gaat om hoop. Het gaat om dat alles nog eens echt goed, recht gezet wordt, niet even een beetje gerepareerd en dan weer verder aanmodderen.

Zo is het extra goed om er vanmorgen eens over na te denken: wat doet Jezus met die leerlingen? Hij laat ze de toekomst zien, waar hij heen op weg is; als in een knipoog laat hij ze zichzelf zien als de levende. En hij geeft ze een schouderklop van God: houd vol, luister naar hem, naar Jezus. Wat maakt het verschil, als je een christen bent of niet? Nou, niet dat je succesvoller, gezonder, krachtiger wordt — maar dat je hem hebt om naar te luisteren, om je leven mee te delen, dat je hem hebt die verschijnt tussen ons, als mens, naast je, als brood en wijn straks. Dan kun je het uithouden tot dan, tot alles recht gezet wordt. En in de tussentijd blijft die stem van God met je mee gaan: hij is mijn geliefde zoon, luister naar hem.

Denk er zo maar eens extra aan bij de viering van het avondmaal, als we zo in de kring staan. Brood staat voor Jezus: dit is mijn lichaam, dit ben ik. Het is een knipoog van de Heer, van de levende zelf. Denk er om: ik leef en ik ben er voor jou. En als we de beker heffen en toasten op de goede toekomst, het nieuwe leven dat we nu al begonnen zijn te leiden: zie het maar als een extra schouderklop van God, kom op, hou vol, blijf luisteren naar hem, dan kom je zeker goed terecht. Dan begin je al iets te proeven van wat komt, als een aperitief van het grote feest.

Alles bij elkaar, het gaat bij Jezus geen succesverhaal worden, echt niet. Het is veertigdagentijd. Jezus’ leven eindigt hier op aarde aan een kruis. En het is normaal voor mensen die Jezus volgen, dat het bij hen ook niet goed afloopt, dat het niet beter wordt, dat je naast de hele bende aan ellende die je met alle mensen deelt, zelfs nog extra bijkrijgt. Ik heb er van de week nog eens extra aan gedacht: er zijn in de gemeente veel mensen ziek, er hebben veel mensen lijden te dragen, er is heel wat wat we moeten uithouden hier, — en het wordt niet beter. Het is uithouden tot God het allemaal goed maakt. Dat is het niveau waarop Jezus je brengt: een komende wereld. Het gaat wel goed aflopen. Dat is wat Jezus hier laat zien. Even, op weg naar Jeruzalem, een blik in de toekomst. Even, extra bemoediging: hij is het, luister naar hem. Een knipoog, een schouderklop, in zijn naam, Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 11 maart 2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *