Het heilige is vage bla

of hoe je een interessant jargon verinneweert

Er zijn van die dagen die in het teken van grote wijsgerige vragen staan. De naamdag van de heilige Nicolaas, gisteravond begonnen met zijn heerlijk avondje, is daar één van. ‘Bestaat’ de semi-mythologische figuur van ‘de Sint’ nu wel of niet? Gisteravond nog wel, maar vandaag? En wat bedoelen we daar dan mee? Als je de ontologie van onze protestantse volksheilige niet wilt of niet meer kunt ontlopen in poëtische festiviteiten, als de open haard uit is, de zon schijnt tussen winterse buien door, komen dit soort vragen weer boven — even, dan vertrekken ze weer met de man en zijn paard naar Spanje.

Gelukkig is er dit jaar een boek verschenen dat bij deze overpeinzingen helpt: Het Heilige gebeurt. Praktijk, theologie en traditie van de protestantse kerkdienst. De titel alleen al brengt je een flink stuk op weg: laten we er eens van uit gaan dat niet alleen ‘het’ heilige, maar ook ‘deze’ heilige ‘gebeurt’. Daar is in ieder geval meer van waar dan bijvoorbeeld kinderen lief is die zich ergens op de grens van het grote Sinterklaasgeloof bevinden. Durven ze op 3 december nog stoer beweren dat Sinterklaas niet bestaat, meer nog, nooit bestaan heeft, op 5 december zingen ze trouw hun lied voor de Sint die in hun klas bewijst dat hij echt wel terdege bestaat. Waar de goedheiligman verschijnt, voorzien van zwarte pieten, pepernoten en een goed boek, daar staat zijn bestaan niet meer ter discussie: hij wordt opgevoerd, dus hij bestaat.

Daarmee zijn we bij de centrale bijdrage die dit in goedheilig paars geklede boek levert aan de realiteitswaarde van de enige echt katholieke heilige: hij is een praktijk met een performatieve werking: een beslissend en heilzaam gebeuren uit het verleden komt in de performance opnieuw tot leven. Hij is een werkelijkheid die zich aandient in en door de performance. De hele ‘act’ van Sinterklaas, zijn pieten, de opstelling van ouders, verzorgers en onderwijzend personeel, de speciale liederen, alles draagt bij aan de werkzame presentie van het heil van de heilige Nicolaas. Zoals volgens een van de oudhollandse meesters in de vage en ongrijpbare praat Kornelis Heiko Miskotte (1894-1976) het Woord Gods ‘geschiedt’, zo ‘geschiedt’ (dat wil zeggen: gebeurt) ook dit jaar de Sint weer in de ‘performatieve handeling’ van zijn verschijning.

Dat komt uiteindelijk ongeveer neer op: Sinterklaas bestaat, hij is een verklede man — maar het klinkt echt een heel stuk beter. De charme, de impact, de realiteit van zijn aanwezigheid gisteren komen nog uit in woorden als performance, ‘performatieve handeling’ en ‘geschieden’. Zet het op rijm en zelfs de sceptische volwassene ervaart een onbeschrijfelijk gebeuren op pakjesavond: ook dit jaar is de heilige weer gebeurd.

 

Goed, nu we dat achter de rug hebben kunnen we gelijk even de vraag stellen wat er eigenlijk gebeurd is in dat boek. Dat gaat immers helemaal niet over ons Unesco-waardige werelderfgoed te paard, maar over de protestantse kerkdienst. Om wat in de kerkdienst gebeurt te beschrijven maakt Gerrit Immink onder andere gebruik van ‘performance studies’. Dat is heel terecht en levert aandacht op voor zaken die anders onderbelicht blijven, zoals de activiteit van de kerkgangers: ze worden in een kerkdienst in de performance betrokken. Juist in de ‘uitvoering’ van de ontmoeting tussen God en zijn gemeente in een kerkdienst kan die ontmoeting plaatsvinden. Aandacht voor performance levert dan oog op voor hoe het in taal niet alleen maar gaat om uitwisseling van informatie, maar hoe God en mensen meekomen in wat ze zeggen. In gebed geven mensen zich aan God, in zijn evangelie en in doop en avondmaal geeft God zich aan mensen. Je kúnt daarbij ‘doen alsof’ (wel zeggen: ik bid u, maar het in werkelijkheid niet doen), maar dan is juist de performance mislukt, of, beter gezegd: dan ontstaat er een tegenstrijdigheid tussen jou en wat je ‘uitvoert’. Het is juist de bedoeling dat die tegenstrijdigheid niet optreedt.

Van hieruit typeert Immink de kerkdienst nu als een ‘performatieve handeling’. Daarbij beweert hij niet alleen resultaten van ‘performance studies’ op te nemen, maar ook resultaten van een oudere school in de filosofie, de zg. taalhandelingsfilosofie. Eén van de problemen die ik met dit boek heb is nu, dat hij dit wel beweert, maar in werkelijkheid niet doet. Integendeel, het tamelijk exacte instrumentarium van de analytische taalhandelingsfilosofie wordt door hem niet alleen niet gebruikt, het wordt overwoekerd door gedateerde vaagheden over ‘het’ Woord dat geschiedt en ‘het’ Heilige dat zo gebeurt. Daarmee wordt het geheel een vrij zwevende kluit ideeën, die net zo goed op Sinterklaas toepasbaar is als op de kerkdienst.

Nergens wordt dat meer zichtbaar dan bij de ‘performatieve handeling’. Die uitdrukking is jargon in de taalhandelingsfilosifie en duidt dan op een uitspraak waarmee je in de uitspraak tegelijk ‘doet’ wat je zegt. ‘Ik beloof je morgen te komen’ is zo’n uitspraak. Met dat te zeggen beloof je wat je zegt en geef je aan dat je daaraan gehouden kunt worden. Maar ook ‘hierbij open ik de vergadering’ is zo’n uitspraak, tenminste als het woorden van de voorzitter van de vergadering zijn. In dat geval is de vergadering geopend met die woorden. In alle andere gevallen niet.

Wat je aan dat laatste voorbeeld merkt is dat er aan performatieve handelingen voorwaarden verbonden zijn, willen ze ‘lukken’. Als je de voorzitter van de vergadering niet bent, kun je nog zo hard roepen dat je hierbij de vergadering opent, het gebeurt niet. Hoogstens heb je er de werkelijke voorzitter duidelijk mee gemaakt dat jij het tijd vindt dat zij dat eens gaat doen. Performatieve taalhandelingen veronderstellen altijd dat degene die ze doet bevoegd of gemachtigd is ze uit te spreken. Dat is vanzelf zo bij uitspraken als ‘ik beloof je dat ik morgen kom’, maar bepaald niet bij ‘hierbij open ik de vergadering’, bij ‘ik doop je in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’, ‘ik vergeef je je zonden’, ‘het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus’, of bij ‘ik spreek je vrij’, ‘hierbij verklaar ik u man en vrouw’ en dergelijke. Zonder de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand, de rechter, de voorzitter, de ambtsdrager, kun je roepen wat je wilt: er vindt geen performatieve handeling plaats.

Deze hele wereld aan sociale, juridische en traditionele verbanden wordt bij Immink afgedekt. ‘Performatieve handeling’ krijgt bij hem uitsluitend lading vanuit de ‘performance’, en daarmee verdwijnt de vraag naar de werkelijkheid van wat er gebeurt uit beeld. Alleen op performance valt niet te onderscheiden tussen een kerkdienst en het kerkje spelen van een groep kinderen. Zonder een serieuze machtiging om namens God op te treden wordt er namens hem niets ‘uitgevoerd’ in een kerkdienst, en evenmin zonder een serieuze machtiging namens de gemeente om namens haar op te treden. En omgekeerd: met een dergelijke serieuze machtiging gebeuren er veel preciezere dingen dan dat ‘het’ heilige gebeurt.

‘Het’ heilige is vage bla, waar ik niets voor koop, zeker niet in de kerk. ‘Het’ heilige kan overal gebeuren, in alle godsdiensten en ver daarbuiten. In een kerkdienst gaat het om een concrete belofte van de als de Drieënige geïdentificeerde God aan deze verzamelde gemeente. Of die belofte gebeurt hangt af van of het die concrete belofte is en van of degene die haar uitspreekt gemachtigd is haar namens  deze God uit te spreken. En graag niet van meer. Of die gemeente die belofte ook aanvaardt, er uit leeft, er handen en voeten en leven aan geeft is niet van belang bij de vraag of er ook echt iets gebeurd is. Juist omdat er echt iets gebeurd is, kun je rekenen op de vraag waarom je met Gods gave niets gedaan hebt als je haar naast je neerlegt. Zij was je tenslotte wel gegeven.

Uiteindelijk zit hier, bij wat er concreet in een kerkdienst (en in allerlei andere situaties in de gemeente) gebeurt, mijn belang en ook mijn echte irritatie bij het boek van Immink. Door zijn afdekken van een zinnig taalfilosofisch jargon en zijn zich terugtrekken op een algemene performance laat hij een mist hangen rond wat er wel degelijk gebeurt. Daardoor blijft buiten schot wat juist onder schot zou moeten komen, namelijk de zondeval van de gereformeerde traditie zoals je die al bij Calvijn zelf kunt zien plaatsgrijpen. Calvijn heeft het in zijn hoofd gehaald te onderscheiden tussen een Christus ‘buiten ons’ waar wij nog niets aan hebben zolang hij niet door de Geest tot Christus ‘in ons’ wordt gemaakt. Luther kent tenminste nog alleen een Christus ‘voor ons’, die onontkoombaar voor jou is en je in het evangelie in handen wordt gedrukt. Dat is nu net wat er gebeurt in een legitieme kerkdienst. De enige vraag die bij het evangelie verboden is, is de vraag of het ook ‘voor jou’ is. Maar haal die dingen uit elkaar en er moet plotseling nog veel meer gebeuren: je moet je die Christus ‘buiten jou’ ook nog eens gaan toe-eigenen in een uiterst ongrijpbaar gebeuren door de heilige Geest. Er moet je iets gaan ‘komen staan te gebeuren’. En zo blijkt plotseling die boektitel nog tandjes te krijgen ook: wat als dit ongrijpbare heilige niet gebeurt?

Dit hele boek ademt de sfeer van een gereformeerde wereld waar we in de Vrijmaking hartgrondig afscheid van genomen hebben. Dat is de wereld waarin het uiteindelijk maar de vraag is of God iets belooft in zijn evangelie, of er iets  gebeurt in een kerkdienst. In 1994 heb ik er ooit mijn allerkortste artikel aan gewijd: Vrijmakingsformule. En niet voor niets was dat een formule in de taal van de taalhandelingsfilosofie. Had Immink deze oorspronkelijke setting van zijn jargon niet verinneweerd zoals nu, dan had hij kunnen ontdekken hoe grondig het werkelijke hart van een gereformeerde kerkdienst gebroken is in de bevindelijke traditie. Zonde.

3 gedachten over “Het heilige is vage bla

  1. Zinnig, boeiend. Ik denk dat ik nu ook wat beter begrijp waarom ik soms het gevoel heb dat je ‘het’ op sommige momenten allemaal maar een beetje laat gebeuren, met alle respect (dit klinkt negatief maar zo bedoel ik het niet). Want ‘het’ gebeurt dan wel degelijk, zelfs op het moment dat het niet eens over zou komen op de bezoekers. Ga ik over nadenken.

    Jos

    • H Jan-Matthijs,
      Ja, het drong vanmorgen bij het overzicht van Reina pas echt tot me door dat er in ieder geval één uitzondering is op de uitspraak die ik vaak over Kamphuis heb gedaan, en dat is nu net de thematiek van de bevindelijkheid. Misschien gaat er nog wel meer blijken…
      De uitspraak is trouwens dat ik geen onderwerp weet waarin ik het met J. Kamphuis eens ben, maar dat ik hem als enige Kamper docent uit die jaren mijn leermeester zou willen noemen.
      Goede tekst van Reina trouwens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *