Leren van de paus en zijn kerk

De Reformatie 87 (2011-2012) 3,28-30 (4 november 2011)

Als gereformeerden iets leren van de rooms-katholieke kerk, kan dat? Wie eens serieus in de roomse spiegel durft te kijken ziet dat het niet alleen kan, maar dat het ook hoog tijd is dat we het doen. Loop maar gewoon een willekeurige katholieke kerk binnen. Wat zie je dan?

In de allereerste plaats zie je dan dat je een huis van gebed binnen gekomen bent. Elke roomse kerk staat er (en staat ook vrijwel altijd open) om te bidden. Het gebouw ‘richt’ dat gebed ook. Je kúnt er ook een kaarsje branden als teken van je gebed tot ‘wat er ook maar is tussen hemel en aarde’. Maar centraal in het gebouw staan een altaar en een kruis, en nog veel meer verwijst naar Jezus Christus en die gekruisigd. Hier wordt in Jezus’ naam gebeden tot God of tot Jezus zelf. Veel kerken zijn in hun geheel ‘georiënteerd’: gericht naar het Oosten, waar de zon opgaat die symbool staat voor Jezus, de opgaande zon van het nieuwe leven. Wat er ook meer van te zeggen is, de diepste laag van rooms-katholieke spiritualiteit is de aanbidding van Jezus.

Kijk verder en je ziet dat je in een katholieke kerk bepaald niet alleen bidt. De familie van bidders is altijd aanwezig, in beelden van heiligen, aparte hoekjes die gewijd zijn aan voorbeeldige christenen, in de rij stoelen in het koor. Ook als je helemaal alleen in de kerk bent, zie je dat gebed hier altijd gemeenschappelijk gebed is en dat er nooit iemand alleen op de verhoging van het liturgisch centrum staat. Je ruikt de wierook nog, er is wijwater, de banken zijn knielbanken, je kunt rondlopen langs een kruisgang met afbeeldingen van Jezus’ lijden, je kunt een kaars aansteken. Alles wijst op lijfelijkheid en lichamelijke beweging. Bidden doe je hier niet maar in het diepst van je gedachten. Het is de bedoeling dat je hier biddend bènt en dat je je gebed dóet.

Hemelse liturgie Blijf je wat langer in een grotere kerk of een kloosterkerk of -kapel, dan merk je dat er ook gebeden wordt: op vaste tijden en met vaste formuleringen. Niet alleen is er dagelijks een eucharistieviering, er zijn ook de getijdengebeden op het ritme van de dagen: morgen en avond, dag en nacht. Zelfs in de eucharistieviering is alles ingekaderd in gebed en cirkelt het om de aanbidding van Jezus Christus in brood en wijn.

Er is niet alleen veel dat verwijst naar Jezus’ leven op aarde. Afbeeldingen en zichtlijnen die je oog naar boven trekken, richten je op Jezus als de levende Heer. Inscripties zeggen het soms met zoveel woorden: dit is het huis van God en de poort naar de hemel. Hier bidden betekent je invoegen in een veel grotere liturgie: de aanbidding van God in hemel en op aarde. Het betekent je op een plek hier op aarde aansluiten bij Jezus, die als hogepriester van het nieuwe verbond zijn leven offert in het hemels heiligdom. In de eucharistie gaat het precies daarom: tastbaar hier op aarde deelnemen aan die hemelse liturgie. Jezus’ offer wordt hier niet herhaald, er wordt symbolisch aan deelgenomen door zijn lichaam op aarde, in een gebed van overgave aan Jezus en met Jezus mee.

Anders gereformeerd blijven Het is duidelijk dat bovenstaande schets selectief is. Ik herinner me nog goed de vervreemding toen ik ooit tijdens een vakantie in Brugge in de Heilig-Bloedbasiliek de verering meemaakte van een ampul waarin bloed van Jezus zou zitten. De eucharistieviering waarin een oude vriend van me tot priester gewijd werd was vol van Jezus en van zijn genade; des te meer viel de strakke belofte van gehoorzaamheid aan de bisschop uit te toon. Maria is ongetwijfeld de moeder van God, voorbeeld van overgave en als geen ander verbonden met haar Zoon; maar alles wat daaromheen verzonnen is, leidt af van degene om wie het werkelijk gaat: de levende God in Jezus Christus. En zo is er nog veel meer te noemen. Je kunt als gereformeerde niet rooms worden en gereformeerd blijven.

Maar wat ik hier nu wil benadrukken is dat je ook niet op dezelfde manier gereformeerd kunt blijven als voorheen, als je de rooms-katholieke traditie echt leert kennen. De roomse wereld stelt je als protestant ook pijnlijke vragen. De schets aan het begin van dit artikel is expres zo geschreven om daar gevoel voor op te roepen. Er is iets weg bij ons. We zijn iets kwijtgeraakt. En waarom? Is daar echt een goede reden voor?

Lichamelijk Onze kerken zijn geen huizen van gebed, zelfs niet van dankgebed voor de God die genadig is. Onze kerkdiensten cirkelen rond een God die spreekt, en wat Hij zegt, is in veel gevallen een gebod. Onze erediensten doen geen beroep op ons als lichamelijke mensen. Luisteren is in de dienst genoeg; zingen mag. Zelfs als we avondmaal vieren, zo nu en dan, worden we van brood en wijn weggeroepen naar een voor ons besef verre hemel: de harten omhoog! Daar is Jezus. We gedenken dat Hij op aarde was, verwachten dat Hij terugkomt, maar de indruk die wordt opgeroepen is meer dat Hij nu ‘reëel afwezig’ is dan ‘reëel aanwezig’ in brood en beker en wat wij daarmee doen.

Wij zijn geen familie die samenkomt voor God, maar worden aangesproken op onze persoonlijke relatie met Hem. Hoe meer we die zelf moeten onderhouden des te meer worden we op onszelf teruggeworpen — wat we er ook bij zeggen over de heilige Geest. De aanbidding en verering van God vinden wij geen kenmerk van de kerk (NGB 29). Bidden is wel het belangrijkste in de dankbaarheid (HC 45), maar dat is jouw persoonlijke dankbaarheid, niet die van de kerk. Als kerken nemen we daar dus ook geen verantwoordelijkheid in: de Nederlandse gereformeerde kerken kennen geen gemeenschappelijk gebed.

Wie beseft er dat het de bedoeling is van de zondagse eredienst dat we daarin deelnemen aan de ene grote liturgie voor God in hemel en op aarde? De meeste kerkgangers komen naar de kerk om weer opgeladen te worden voor een nieuwe week zelf God dienen. Wij vieren de zondag niet, maar houden rust en komen bijeen in kerkdiensten om onderwezen te worden — en gaan over tot de orde van de dag. Wat niet concreet kan worden uitgevoerd in lichamelijke handelingen en rituelen blijft hangen in het hoofd; het bereikt hart en handen tenslotte niet en voelt opgedrongen en opgelegd. We weten het, maar doen er in de kerk niets mee.

 

Dat zijn maar een paar opmerkingen naar aanleiding van wat je kunt zien in iedere katholieke kerk. Als je gaat praten en lezen stelt de rooms-katholieke traditie je nog heel andere, theologische, vragen: over de apostolische successie en het ambt (kan iemand zomaar namens Jezus spreken en handelen?), over het eigen recht van de traditie van de kerk (heeft de kerk een eigen beslissingsbevoegdheid om bijvoorbeeld een kinderdoop in te stellen?), over de Schrift (kan er iets bestaan als een ‘sola Scriptura’ en kan de Schrift haar eigen uitlegster zijn?), om er maar een paar te noemen. Daar is hier nu geen ruimte voor. Maar ook daarbij zou hetzelfde blijken: er is iets weg bij ons, we zijn iets kwijtgeraakt.

Vernieuwen Wat kunnen we daaraan doen? Daar zouden we van dezelfde rooms-katholieken iets over kunnen leren. Wij heten gereformeerde, dat wil zeggen: vernieuwde kerken, maar de rooms-katholieke kerk hééft zich de laatste halve eeuw vernieuwd, en grondig ook. En dat is anders gegaan dan ik doorgaans onder gereformeerden hoor bepleiten. Dat komt meestal neer op: je moet je eigen sterke punten weer ontdekken en revitaliseren: vernieuwing door je eigen traditie ‘in rapport met de tijd’ te brengen. Vandaag de dag gaat het dan bijvoorbeeld over hoe het heil in de preek weer kan worden bemiddeld of hoe het heilige ook in een gereformeerde kerkdienst gebeurt.

Kijk je van daaruit naar de veranderingen in de Rooms-Katholieke Kerk sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), dan valt op dat het niet maar om het vernieuwen en revitaliseren van de eigen sterk punten gaat, maar om een verbreding, om een toevoegen van de sterke punten van anderen. Een paar voorbeelden: er is binnen de katholieke traditie structureel meer aandacht gekomen voor de Bijbel, voor de lezing en vertaling ervan, voor missie en evangelisatie, voor het betrekken van gemeenteleden in de liturgie en het gebed van de kerk. Er is niet alleen een nieuwe versie gekomen van het getijdengebed dat clerus en kloosterlingen verplicht bidden, er is ook bewust gewerkt aan het toegankelijk maken daarvan voor gemeenteleden.

Er is, kortom, sinds de jaren ’60 in de Rooms-Katholieke Kerk enorm veel ingevoegd en uitgewerkt dat vanouds meer typerend was voor protestantse tradities. Tegelijk is de Roomse Kerk daar niet minder rooms van geworden. Het valt ook niet te verwachten dat dit gaat gebeuren, ondanks de nodige verklaringen van overeenstemming na oecumenische gesprekken met luthersen, gereformeerden, anglicanen, oosters-orthodoxen en zelfs evangelischen. Dat is nu net wat deze rooms-katholiek vernieuwing interessant en voorbeeldig maakt: je kunt je kennelijk vernieuwen door te verbreden en toch jezelf blijven.

Wederzijds helpen Dat is precies wat de gereformeerde traditie nodig heeft aan het begin van de 21ste eeuw. De Reformatie was een sterke nieuwe contextualisatie van het christelijk geloof in de culturele setting van de Renaissance. De ontwikkelingen daarna hebben de kracht èn de beperkingen daarvan voldoende aangetoond. Nu de Westerse wereld ondergaat in secularisatie en overgaat in een geglobaliseerde mediacultuur levert het bar weinig op om die eigen traditie nog eens te vernieuwen en meer niet. We hebben vandaag de dag niet de sterke punten van onze traditie nodig (de sacramentele kracht van het woord, verheldering, kritiek, visie en leer), maar wat we juist vanaf de Reformatie kwijtgeraakt zijn: wat van mysterie is ontdaan spreekt mensen niet meer aan, wat niet belichaamd kan worden en werkelijk geleefd, raakt mensen niet meer. Zonder een gereformeerde versie van Vaticanum II gaan we het niet redden.

Als iets de kern was van de rede van paus Benedictus XVI tot zijn protestantse broeders en zusters in Erfurt afgelopen september, dan is het wel de oproep: ‘Verdieping en verlevendiging van ons geloof, daar moeten we elkaar wederzijds bij helpen. Wij en het christendom redden het niet met een andere tactiek.’ Hij mag het zeggen. Zijn kerk heeft het voorbeeld al gegeven. Wij doen er goed aan daarin van deze paus en zijn kerk te leren.

Samenvatting Wie zich als gereformeerde spiegelt in de rooms-katholieke traditie kan ook zien dat we van de Rooms-Katholieke Kerk kunnen leren. We zijn een wereld van aanbidding kwijt geraakt en zonder vernieuwing door verbreding gaan we ook als gereformeerden niet overleven.

11 gedachten over “Leren van de paus en zijn kerk

  1. Een gereformeerd kerkgebouw is pas huis van gebed als gelovige harten zich wijden aan de Heer. Een kernpunt van de Reformatie was nu juist dat eredienst niet in het gebouw zit maar in het hart. De gelovige als tempel van de Geest.

    Als we zo het kale kerkgebouw in gaan, is er niets kaals aan. De God die spreekt wordt dan aanbeden. Ons offer is een offer van ons hart, ons zelf, ons leven (zie bijv. Rom. 12 voor een bijbelse oproep om juist dat te doen).

    Als bijvoorbeeld de Tituskapel een kil gebouw blijft wanneer je daar met medegelovigen zit te zingen, te luisteren, als het dan niet een huis van gebed is waarin God ons aanraakt door zijn Woord in ons hart en onze lofprijzing voor hem, dan is er iets mis. En ik geloof niet dat kaarsen, wijgeschenken, kruizen, heilig water, of wat voor versiering dan ook daar iets wezenlijk aan verandert.

    De aankleding van een groots gebouw, de “gewijde stilte”, de oude koude stenen en het warme kaarslicht kunnen ons gemoed wel aanspreken, ons in een stemming brengen die toewijding uitlokt– maar als die devotie niet structureel is, niet iets is van zondag en maandag, van kathedraal en kantoor, dan is er iets mis. En in dat geval spreekt de gewijde sfeer wel tot het gemoed maar niet tot de ziel. Het is psychologisch-mystiek, niet spiritueel-mystiek.

    Dat was denk ik een belangrijke reden voor onze Reformatie-voorgangers om van de aankleding van gebouwen af te zien. Wat mij betreft een wijs besluit.

  2. Goed artikel. Prikkelend om te lezen ook. Ik heb niet zo veel op met de ‘kaalheid’van de Reformatie omdat deze een te strikte onderscheiding van vorm (hoe we het vormgeven) en inhoud (wat we willen vertellen). Je punt over lichamelijkheid deel ik dan ook.
    De katholieken zijn hier beter in (geweest?), alleen zijn ze volgens mij vergeten dat symbolen en rituelen niet altijd meer hetzelfde zeggen in deze tijd wat denk ik komt door de institutionele benadering van kerk zijn.
    In die zin vind ik je wel te optimistisch over de dynamiek van de RK kerk in de afgelopen decennia. Op het terrein van de liturgie stap je als doorgewinterde gelovige misschien nog wel in, maar anders is het al gauw een bevreemdende poppenkast of een mysterieus vaag gebeuren. Misschien hip voor (kaalgeslagen?) zoekende gereformeerden zoals ik, maar niet direct relevant voor niet-christenen of mensen die niet bekend zijn met de kerk. Oftwel, verbreding is niet per definitie vernieuwing als het (nog meer?) vervreemding to gevolg heeft.
    Inzetten op vernieuwing ben ik dan wel voor maar niet direct door leentjebuur te spelen in andere tradities of te wachten op institutionele vernieuwing, maar liever door zelf aan de slag te gaan, te experimenteren en te leren.
    Verder vind ik dat je ‘het deelnemen aan de ene grote liturgie’ heel sterk benadrukt. Het is een van de manieren waarop je tegen (de functie van) een kerkdienst aan kan kijken, maar zeker niet de enige en misschien ook niet de belangrijkste. Het helpt iig om niet teveel navelstaarders te worden maar het blijft wel wat vaag. Maw, als een kerkdienst niets toevoegd aan het geestelijk leven van de deelnemers gaat er ook wat mis, hoe ‘hemels’ je ook zegt bezig te zijn.

  3. Interessant Wim, ik werk hier tussen 15 atheisten (sommigen lid van de Communistische Partij) en 1 Jesuiet, mijn baas, met wie ik samenwerk om bedrijfsethiek hier vorm te geven. We kunnen niet altijd vrij spreken op kantoor over onze achtergronden (kantoor is gebugd..),maar in gesprekken in restaurants komen we verder.
    Ik merk toch wel een kloof op in de benadering van ons beider werk; ik benader de verbetering van de Chinese bedrijfsvoering als het laten doorwerken van de genade en gerechtigheid van God (Tim Kellers boek), mijn baas ziet de vebetering van de ethiek een begin van mensen om spiritueler te worden en daarmee dichter bij God. Wat denk je typisch verschil protestants en katholiek?

  4. Jammer dat mijn rechtstreeks naar van der Schee gestuurde reactie (ik ben geen echte computerman) hier door van der Schee zelf niet bij geplaatst is. Jammer.

    Remmelt

    • Gelukkig kan dit zo gebeuren (kwestie van vragen 🙂 ) W

      Dag dominee,

      Ik ken u niet en heb ook nooit horen preken, ook niet via internet. De bedoeling van deze mail is u feedback te geven, om u niet te corrigeren of te eisen dat u bepaalde uitdrukkingen terug zou moeten trekken. Nee, het gaat om een gevoel van een betrokken Reformatielezer.

      Ik vind het waardevol dat u iets over de beleving van rooms katholieke kerkgebouwen en de roomse liturgie zegt. Ik denk wel dat het voor het grootste deel een gevoelskwestie is. Ik vind het erg lastig om zowel het artikel van u als dat van Schaeffer te plaatsen omdat uw persoonlijke voorkeuren en behoeften daarin zo’n grote rol spelen en beiden zoveel waarde hechten aan een traditie die na de periode van de Bijbelschrijvers door mensen gevormd is. Ik heb van Schaeffer bijvoorbeeld nooit begrepen waarom hij bij het Avondmaal perse elk stukje brood eerst zelf van het bord wil pakken en het vervolgens aan te reiken. Ik kom zo’n voorschrift nergens in de Bijbel voor en zie het wel in de Roomse traditie. Maar dat vind ik niet leidend.

      Wij hebben als gezin 18 jaar naast actieve rooms katholieke mensen gewoond en ook gesprekken gevoerd. Ieder hadden we toen vier kleine kinderen. Wat kerkelijk meeleven in de eigen traditie betreft, zijn hun kinderen een andere weg gegaan dan de onze. Verder bezoek ik elke 4 weken een gemeentelid dat lang rooms katholiek is geweest en wiens vrouw nog steeds rooms katholiek is gebleven en ook uit overtuiging. Ik weet dus een kleine beetje van die wereld af, maar ook niet meer dan dat. Het heeft mij wel voorzichtig gemaakt om zo positief over de roomse kerk te spreken als sommige protestanten de laatste tijd doen. Daar reken ik u niet onder want u schrijft ook wat niet navolgenswaard is. Ik schets u dit beeld even om vervolgens ongevraagd aan te geven hoe ik die gebouwen met hun voorwerpen en de roomse liturgie ervaar.

      Ik ervaar hun kerkgebouwen vaak als erg donker en onvrolijk. En dat terwijl de boodschap van de Bijbel spreekt over het Licht, de Opgaande Zon en de Morgenster. Juist vanwege het verkregen heil in Christus prefereer ik de lichtrijke moderne kerkgebouwen met wat ramen waarop eventueel Bijbelse taferelen staan.

      Ik kan ook nooit begrijpen waarom die kerken zo groot moeten zijn. Sommige kerkgebouwen zijn zo groot en zo hoog dat ik wel eens denk: is het een wedstrijd tussen plaatsen geweest? Ik lees nergens in de Bijbel dat God grote gebouwen prachtig vindt.
      In Jezus dagen waren er ook veel huisgemeenten. Past in die zin de nadruk op pracht en praal in roomse kerken wel? Hebben zij iets aan de traditie van de kerk in de apostolische tijd toegevoegd wat er daarvoor niet was en ook geen Bijbels gebod is geworden?

      Ik heb het kaarsje altijd een wonderlijk gebeuren gevonden en voel er niets bij. Zou daar niet veel meer bijgeloof bij zitten dan de Bijbel toestaat? Ik ervaar zo’n kaarsje niet als een gebed. Maar misschien ben ik daar niet goed in onderlegd.

      Los van de vormgeving van de gebouwen kunnen onze kerkdiensten veel meer diensten van gebed zijn. Daar hoef je geen roomse kerk voor te zijn, alleen we doen dat niet! Ik heb er wel eens met onze vorige predikant over gehad dat de gebeden meer dan eens alleen maar voorbeden voor gemeenteleden met bijzondere zorg zijn en voor rampen die er de afgelopen week waren. Ik ben niet gebonden aan de woordkeus, maar als predikanten alleen al de onderwerpen uit onze formuliergebeden regelmatig zouden bidden, zouden we al een andere dienst houden dan alleen maar een preekdienst. Dat zou ook al het geval zijn als bidders op gezette tijden eens een bede uit het Onze Vader in een dienst als leidraad namen. Ik hoor zeer zelden bidden voor de functies van de overheid (recht handhaven en omzien naar zwakkeren), voor de wederkomst van de Here Jezus, voor instellingen die op christelijke basis in de maatschap hulp willen verlenen en vergeet vooral niet voor de vervolgde christenen. Dat is het ene aspect dat ik wilde noemen bij ‘huis van gebed’. Het andere is dat het voor zover ik weet in de roomse diensten heel vaak om vastgestelde gebeden gaat. Het is voor mij zeer de vraag in hoeverre kerkgangers die steeds repeterende gebeden nog als betrokken meebidders actief beleven of dat de aloude en heel vaak herhaalde zelfde zinnen gaan afstompen. Zelf vind ik de soms steeds herhalende uitdrukking ‘Heer, ontferm U’ flats van klank worden als het vaker dan drie keer in een gebed genoemd wordt, hoewel het goed bedoelde woorden zijn. Ik heb daar weinig mee. Ik heb genoeg in mijn leven meegemaakt om te voelen wat die bede uitdrukt, maar het steeds herhalen vind ik niet zo zinvol. Ik heb trouwens niet begrepen waarop u doelt als u schrijft dat gereformeerde kerken geen gemeenschappelijk gebed hebben. Het Onze Vader is toch het meest volmaakte en deelbare gebed?

      Ik ervaar die beelden juist niet positief omdat het voor mij aangeeft dat de kerkgangers beelden moesten zien omdat ze als leken zelf het Woord niet mochten lezen. Alleen al om die reden hebben die beelden voor mij een nare smaak. Afgelopen week was ik bij de broeder die nu Ger Vrijg kerkt en bij zijn vrouw. Zijn vrouw is een zeer gelovig en actief kerklid, doet mee aan een bidgroep en gaat nog ter biecht. Maar vorige week vertelde ze dat ze als bijna 80-jarige voor het eerst het boek Deuteronomium las en nooit heeft geweten dat God ook zo’n strenge God was en is. Volgens haar pasten al die oorlogen, verbanningen van melaatsen naar de rand van de samenleving en uitsluitingen bij onrein zijn niet in de Bijbel. Ze vond het verschrikkelijk. Wel, ik krijg dus eerder een negatief gevoel bij de roomse beelden dan een positieve. En zo kunt u zien hoe wij zoiets heel verschillend kunnen taxeren.

      Ik kijk denk ik ook iets anders tegen de kruisgang van Jezus aan. Ik belijd dat Jezus de kern van het evangelie is. Maar de wereld begon met de schepping en eindigt met het Nieuwe Jeruzalem. Waarom die dan ook niet verbeeld? Dus een trilogie van begin, midden en toekomst van de geschiedenis? Ik vond het glas in lood van de Ger HBS in Groningen over het nieuwe Jeruzalem altijd een geweldig perspectief uitbeelden en dat ook nog eens in vrolijke kleuren. Daar werd ik blij van, zelfs toen mijn zus suïcide pleegde. Roomse kerken geven mij een wat naargeestig gevoel.

      Ik vind uw omschrijving dat wij de zondig niet vieren te ver gaan. Wat is vieren? Het Nieuwe Testament geeft er geen omschrijving van. Wij internetten niet op zondag en kijken geen TV, niet vanuit het principe maar wel om de zondag echt te vieren. Wij richten ons op God en de naaste in de gemeente. Als je dat niet onder vieren kunt verstaan, wat dan nog wel? En komt uw bedoeling van vieren van de zondag dan wel rechtstreeks uit de bijbel of is dat uw persoonlijke behoefte om het anders te doen? Ik voel de behoefte niet om concrete lichamelijke handelingen te verrichten. Ik denk zelf dat de roomse traditie voor ons geen bron van rituelen moet zijn, maar het Nieuwe Testament. En dan kom ik geen kaarsje branden tegen, kom ik geen grote gebouwen tegen, kom ik geen beelden tegen.

      Samenvattend, ik ervaar helemaal niet dat wij iets zijn kwijt geraakt, zoals u schrijft. Ik heb bijna alle cursusavonden van Verbree en Douma over het OT bijgewoond en elke keer ga ik daar met een grotere gerichtheid op God weer weg. Vijf lezingen van 20 minuten en een discussieblok van een half uur. En het is echt waar: daar kom ik bevindelijk gelovend vandaan. Waarom? Omdat ik weer beter leerde zien wie God is en was en wie ik ben en mag zijn.

      Dominee, ik heb u met het bovenstaande ongevraagd feedback willen geven op uw laatste artikel in De Reformatie. Niet vanuit een belerende houding, maar meer om eens aan te geven hoe ik de roomse lichamelijkheid en interieur van gebouwen ervaar. Ik lees al 45 jaar De Reformatie, ben nooit kerkistisch Vrijgemaakt geweest, heb bevindelijke omgang met God bij het lezen en bestuderen van Zijn Woord, heb kennissen onder Rooms Katholieken, heb altijd de opmerkingen van Prof. Trimp over de beweeglijkheid van de Geest buiten onze kerken goed onthouden en toch verschillen u en ik heel erg in de behoefte aan en noodzaak van rituelen. Wat kan het toch raar lopen onder Gods volgelingen.

      Gezien uw vrijwel zeker drukke agenda, reken ik niet op een reactie. Het was mij ook niet te doen om een discussie op gang te zetten, maar als lezer van uw artikel gewoon eens te laten weten dat ik helemaal niet ervaar dat we iets kwijt zijn geraakt en nog niet overtuigd ben dat we alleen door verbreding als gereformeerden kunnen overleven.

      Ik wens u plezier in en sterkte met uw werk.

      Met vriendelijke groeten,
      Remmelt Groenwold

  5. Het is een poos geleden dat ds Wim deze column geschreven heeft, maar het is nog steeds een leuk en prikkelend verhaal. En toch, als ik ds Wim goed begrijp, dan mist hij vooral het saamhorigheidsgevoel dat die vroegere katholieke kerk doortrok. Het protestantisme heeft sterk de individuele verantwoordelijkheid van de gelovig benadrukt. Luther vroeg het al: wie bekomme ICH einen gnädigen Gott? En dat woordje ‘ich’ zit mijns inziens de crux van het verhaal. Je zou kunnen gaan denken dat de kerk de optelsom van een x-aantal ich’s. En dat God uiteindelijk van al die ikken een wij zal maken. De Heidelbergse Catechismus draagt nog bij aan dat ik-gevoel door in Zondag 1 de parmantige vraag te stellen: wat is Uw enige troost (d.w.z. mijn enige troost) in leven en in sterven? Je zou bijna gaan denken dat protestantisme vooral een ik-gerichte godsdienst is, of, anders gezegd: ‘jij’ interesseert mij niet, zolang ik ‘het’ maar heb.

    Om nog een regel om aan onze reeds (veel te) uitgebreide dogmatiek toe te voegen: De kerk is ‘wij’. Kent de kerk dan geen ‘ik’? Jawel, maar ‘ik’ dient zich in dienst te stellen van ‘wij’. Doet dat ook pijn? Ja, dat doet heel veel pijn, pijn aan ‘ik’, pijn die wij maar al te graag willen ontgaan. Maar de kerk is de gestalte van Jezus Christus in deze wereld. Dat gaat niet zonder pijn. Wie zonder pijn in deze wereld wil leven, die leeft niet in de kerk maar in zijn eigen sekte. De kerk kent altijd pijn, onder andere de pijn van al die ikken die zich in geen ‘wij’ willen laten voegen. En dat is in feite ook het probleem van kerkelijke verdeeldheid zoals die vandaag en alle eeuwenlang zichtbaar is in alle kleuren van de regenboog.
    Die gedachte lijkt mij haaks te staan op 1 Korintiërs 12, waar gesproken wordt over de opbouw van het lichaam van Christus: U hebt elkander nodig, zegt de apostel. In een wereld die vol is van zonde en dood, dringt dat des te meer. De les is deze: neem niet te snel afscheid van elkaar. De reformatoren hebben dat ten aanzien van ‘Rome’ nooit gedaan, Rome wel ten opzichte van de reformatoren. Als Rome daarop terugkomt, dan is dat winst. Maar je weet het nooit met Rome. Rome is een kerk met twee gezichten. Het ene gezicht zegt: met ons (lokale RK-kerk) kun je overal over praten, terwijl Rome zelf zelf zegt: Trente is heilig en wij danken de kerkvaders van toen voor hun bijdrage aan het bewaren van de heiligheid van de kerk. Dat werkt dus niet. Dat is net zoiets al het praten met de slang in het paradijs.

    Dus ja, kerkelijke eenheid is lastig. Reformatoren hebben nooit beweerd dat je in de RKK niet zalig kunt worden. Maar wel dat wie zich daarbij aansluit een groot risico loopt. Reformatoren hebben – wellicht zonder het te willen – het ‘wij’ van de kerk, van het Lichaam van Christus, opgeofferd aan de individuele, persoonlijke verantwoordelijkheid. Althans, dat ‘wij’ van de Kerk heeft onvoldoende doorgeklonken in de protestantse geloofsbeleving tot op de dag vandaag.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *