Niet zorgen dat God voor je zorgt…

Preek over 2 Samuel 6:6-8

orde morgendienst
welkom
zingen: Liedboek 479,1.2
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 111,1.2 (Liedboek)
Schriftlezing Kolossenzen 3:1-17
zingen: Psalm 111,6 (Liedboek)
gebed
Schriftlezing Matteüs 16:13-23
zingen Liedboek 259
Schriftlezing 2 Samuel 6:1-10
zingen: Liedboek 30:1.2
preek over 2 Samuel 6:6-8
zingen: Liedboek 30:5
gebed
inzameling gaven
zingen: Liedboek 107
zegen

Dit is echt zo’n bijbelgedeelte waar je over na blijft denken als je het gelezen hebt. Zo verging het mij tenminste wel. We lazen het op een gegeven moment aan tafel en vanzelf kwam het verder die dag weer bij me boven. En als je er dan eenmaal mee bezig bent, dan blijf je er een tijdje mee bezig. En als je dominee bent wordt het dan zomaar een preek.

In ieder geval roept het verhaal sterk vervreemding op. Het lijkt wel alsof God zo’n onvoorspelbaar agressief figuur is. Je zegt iets tegen zo’n knul en hij explodeert in een waanzin van zinloos geweld. Daar vallen ook doden bij. Maar ja, dat durf je van God natuurlijk niet te denken. Dus er zal wel iets behoorlijk mis zijn geweest met wat die Uzza deed. Maar wat dan? Er staat in onze vertaling dat God Uzza sloeg vanwege zijn onachtzaamheid. Hij had niet opgelet bij wat hij deed. Maar daar wordt het niet minder vreemd van. Tenslotte kunnen we ons voorstellen dat Uzza niet nadacht. Hij zag de ossen afwijken en wilde snel voorkomen dat de verbondskist van de wagen zou vallen. Er gaat iets mis, snel ingrijpen om te helpen dus; dan heb je helemaal geen tijd om na te denken. En dan word je met al je goede bedoelingen meteen doodgeslagen. Je moet er toch niet aan denken dat God ons in elkaar gaat slaan als wij met de beste bedoelingen fouten maken…

Nee, daar moet je inderdaad niet aan denken. Maar waar moet je dan wel aan denken? Wat zegt deze passage dan wel over God? En wat zegt God er in tegen ons? Laten we eens kijken naar wat er eigenlijk gebeurd is hier. Pak je bijbeltje er gerust bij. We beginnen aan het begin van 2 Samuel 6.

Het begint met weer, met nog een keer. Na de vorige keren, toen koning David Jeruzalem veroverde en de Filistijnen verslagen had, brengt David nog een keer zijn leger bij elkaar, dertigduizend man sterk. Met dat leger gaat hij naar Baäla in Juda, een andere naam voor Kirjat-Jearim, om de ark, de verbondskist van God op te halen. Expres wordt erbij gezegd dat het de verbondskist is waaraan de bijzondere naam verbonden is van de Heer van de hemelse machten die op de cherubs, op de gevleugelde wezens troont.

Goed, even luisteren en nadenken. Is dat logisch? Iets wat vanzelf spreekt? Met een leger de verbondskist van de almachtige Heer ophalen? Niet echt, zou ik zeggen. De Heer die op de gevleugelde wezens troont is prima in staat om voor zichzelf en voor zijn volk te zorgen. Het is net nog gebleken, toen de Here voor zijn volk uitgetrokken was om de Filistijnen te verslaan. God is niet echt iemand die beveiliging of een escorte nodig heeft. Zijn verbondskist dan ophalen met dertigduizend man bereden marechaussee is tenminste iets wat niet echt voor de hand ligt. Er klopt iets niet hier.

Als je de bijbel aan het dóórlezen bent kan het ook ergens aan doen denken. De ark, de verbondskist en een leger zijn we eerder tegengekomen in de bijbel. En ook dat getal van dertigduizend soldaten. Dat was in 1 Samuel 4. Zoek het rustig op. Vers 3 daar: de Israëlieten haalden de verbondskist in het legerkamp om hen te helpen tegen de Filistijnen. Maar dat hielp niets, integendeel, kijk maar in vers 10: dertig duizend soldaten sneuvelden en de verbondskist werd buitgemaakt.

In 1 Samuel 5 wordt dan verteld hoe de Here zelf afrekent met de Filistijnen en hun god. In hun wanhoop sturen, 1 Samuel 6, de Filistijnen de verbondskist terug naar de Israëlieten. Nu we daar toch zijn, kijk even naar 6:7: de Filistijnen sturen de verbondskist terug op een nieuwe wagen. Dat is ook bekend, nietwaar. Terug naar 2 Samuel 6:3: ze droegen de verbondskist naar buiten en laadden hem op een nieuwe wagen. En Uzza en Achio, de zonen van Abinadab gaan mee, net als Chofni en Pinechas, de zonen van Eli. In drie, vier verzen zitten we hier in 2 Samuel helemaal in de sfeer van die andere hoofdstukken uit 1 Samuel. En dat is een heel slecht teken. Er klopt hier iets helemaal niet. Je zou haast zeggen: je kunt er op wachten dat er ongelukken gaan gebeuren.

Wat klopt er dan niet? Nou ja, je kunt het haast zien als je je de stoet voorstelt. Het lijkt wel een militaire parade, militaire kapel incluis. De mensen zijn blij, ze dansen, maar het lijkt er het meest op dat ze dansen omdat ze blij zijn met de buit, met iets dat ze veroverd hebben, gepakt, genomen. De almachtige Heer die op de gevleugelde wezens troont wordt meegenomen. Hij moet David gaan dienen in Jeruzalem, Hij moet voor het koninkrijk Israël gaan zorgen, Hij moet geregeld worden, inderdaad, net als destijds, toen Hij geregeld moest worden om het tegen de Filistijnen voor Israël op te knappen. Met een woordspeling gezegd: David probeert de Heer voor zijn karretje te spannen. Hij probeert te zorgen dat de Heer voor hem zorgt.

In die sfeer blijkt er dan nog veel meer niet te kloppen. Aan de Heer wordt niets gevraagd, met hem wordt geen rekening gehouden. Over het omgaan met de verbondskist en de andere allerheiligste dingen had de Here uitvoerige voorschriften gegeven. Als je even terug bladert naar Numeri 4, zie je daar dat er een speciale afdeling Levieten, de Kehatieten, was afgezonderd om de verbondskist en andere heilige voorwerpen te dragen. Vers 15 daar: ze mogen het heilige niet aanraken, want dan zouden ze sterven. De verbondskist moest bovendien gedragen worden, niet direct, maar met de stokken die er aan de zijkant aan bevestigd waren. Je zou kunnen zeggen: de Heer wil niet op z’n heidens op een kar rondgereden worden, maar wil door mensen zorgvuldig op handen worden gedragen. Want niet hij dient ons, maar wij dienen hem. En als wij hem dienen, dan zorgt hij voor ons, niet als wij proberen hem voor ons te laten zorgen.

Maar Uzza en Achio nemen dat allemaal niet serieus. Zij zorgen wel op hun manier voor de Heer. Ze hebben thuis voor de ark gezorgd en willen dat best blijven doen. Zij regelen de verbondskist waaraan de naam van de almachtige Heer verbonden is wel voor David. Dan kan de Heer voortaan netjes voor David zorgen, en ook voor hen natuurlijk. Ze gaan met de verbondskist om alsof de Heer de eerste de beste afgod is, van wie je ook het godenbeeld kunt rondrijden en meenemen van de ene plaats naar de andere. Maar dan blijkt dat God van deze optocht helemaal niet gediend is. De runderen blijken runderen, ze ruiken voer, ze wijken af, de wagen wankelt. God wil van de wagen af. Hij laat zich niet regelen. En hij laat zich door Uzza ook niet tegenhouden. Hij slaat hem vanwege zijn onachtzaamheid.

Het kan nu wat duidelijker zijn waar Uzza dan niet op gelet heeft. Het gaat er echt niet alleen maar om dat Uzza niet bedacht heeft dat hij volgens Numeri die kist helemaal niet mocht aanraken. Het gaat om het geheel waar die poging om de kist op de wagen te houden een uitdrukking van was. Je zou kunnen zeggen: het gaat meer om de houding waaruit Uzza’s daad vanzelfsprekend volgt, dan om de daad zelf. Die houding van: ik regel God, ik manipuleer hem naar Jeruzalem, en zo zorg ik er voor dat Hij daar wel voor mij, voor ons zorgt.

Het gaat hier echt niet om een fout per ongeluk met de beste bedoelingen gemaakt. Het gaat hier om een niet bedenken wie God is, om een de Here niet serieus nemen en dan niet meer beseffen met wie je te maken hebt. Er zijn mensen die hier in 2 Samuel dat woord dat voor Uzza’s zonde gebruikt wordt niet als onachtzaamheid vertalen, maar als brutaliteit. In ieder geval is dat wel waar het op neer komt. Als je niet bedenkt tegen wie je het hebt en zomaar wat zegt, ben je zomaar brutaal tegen mensen of, zoals hier, tegen God. Wie doet alsof de levende God een invalide is die wel sterke armen heeft, maar niet kan lopen, en die je dus wel even in een rolstoel zet en kan tegenhouden als hij er uitkomt, die maakt niet zomaar een fout. Die beledigt diep de almachtige Heer die op de gevleugelde wezens woont.

Goed, ik ga even terug naar die vervreemding waar ik mee begon. Als ik kijk naar waarom ik zelf in eerste instantie dit een vreemd en wat afstotend verhaal vond, vind ik twee dingen. Het ene is dat ik bij eerste lezing de reactie van God zo willekeurig en overdreven vind. Er lijkt niets aan de hand en toch wordt daar iemand zomaar doodgeslagen. Dat is na een paar dagen nadenken een stuk minder geworden. Het gaat hier echt niet om zomaar een foutje. In het kader van Davids verkeerde omgang met de verbondskist en met God gaat Uzza ook zo verkeerd met God om dat het een grove belediging wordt. De Heer wordt in feite aan de eerste de beste heidense afgod gelijk gesteld en behandeld als een invalide zelfs niet behandeld wil worden.

Maar er is nog iets, en daar wil ik nog even apart iets van zeggen. Ik vind zo’n verhaal ook daarom vreemd, omdat ik vaak niet besef wie God is. Ik weet wel dat hij groot is en machtig en zuiver en eerlijk en van een heel andere orde dan wij. Ik weet wel dat hij de Levende is, die zelf zijn gang gaat en op zijn eigen manier voor ons zorgt. Maar zo in de praktijk van alle dag voelt het toch zo dat als ik netjes bid en bijbel lees en ’s zondags naar de kerk ga en verder redelijk fatsoenlijk leef, dat ik er dan recht op heb dat God wel voor me zorgt en alles op z’n pootjes terecht laat komen. Zo zorg ik er ook zomaar voor dat God voor mij zorgt. Ik heb God m’n eigen Jeruzalem al lang binnen gehaald en hem een plekkie gegeven. Nu moet hij mij dienen en zorgen dat het allemaal lukt.

En als God dan eigenwijs blijkt en dingen anders doet, me tegenvallers geeft, me pijn doet, nou, dan word ik boos, net als David hier. Of dan probeer ik hem tegen te houden, net als Uzza hier. Zo makkelijk draaien ook wij de hele orde om. We denken dan, net als Petrus, niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen. We houden niet van God om wie hij is, maar we richten ons op hem om wat hij ons op moet leveren. Hij moet tenslotte ons dienen en niet wij hem.

Met zo’n schokkend verhaal als dit over Uzza schudt de Heer ons dan weer wakker: ik ben de Heer van de hemelse machten, die op de cherubs troont… Het vreemde en afstotende wil ons weer bij de les brengen. Net als die intense, ook schokkende reactie van Jezus op Petrus’ opmerking in Matteüs 16: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen.’ De almachtige Heer die op de gevleugelde wezens troont regelt zijn eigen leven zelf. De Zoon van deze Heer gaat zijn eigen levensgang, het lijden en de dood door. En in die eigen gang zorgt de Heer voor ons, dat zie je nergens duidelijker dan in die eigenwijze levensgang van Jezus: het eindresultaat is eeuwig leven voor ons. Wij hoeven niet te zorgen dat hij voor ons zorgt; dat toch proberen betekent hem miskennen, hem beledigen. Wij hoeven er alleen maar op te letten dat we deze God dienen. Dan zorgt hij verder wel voor de rest.

Goed. Dit is echt zo’n bijbelgedeelte waar je over na blijft denken als je het gelezen hebt. Dat was de eerste zin van de preek. Ik denk dat het verhaal erom vraagt dat het ook de laatste zin van de preek wordt. Blijf vooral nadenken over zo’n passage, ook de rest van vandaag, van de komende week. De levende God die hier verschijnt is de Heer van de hemelse machten die op de cherubs troont. En wie hij is verandert niet als hij in Jezus zonder hemelse machten en cherubs verschijnt. Hij laat zich niet sturen, niet regelen, hij leeft zelf. En tegen ons heeft hij gezegd: volg mij. Denk er rustig nog eens extra over na hoe het er in jouw leven uitziet als je die rollen probeert om te keren en tegen Jezus zegt: volg mij. En hoe goed het is dat hij dat niet doet. Dan blijft dit verhaal allicht nog steeds vreemd, maar ontdek je iets van het leven erin in jouw leven. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW i.c.m. De Bron, 2 oktober 2011

eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 15 augustus 2004
Utrecht-C, 3 oktober 2004
Huizen, 2 november 2008
Leidsche Rijn, 25 januari 2009

2 gedachten over “Niet zorgen dat God voor je zorgt…

  1. We hebben zondag, op doorreis naar het zuiden, de dienst in De Bron bijgewoond. Indrukwekkende preek over een bijbelgedeelte dat je niet zonder hartelijke weerstand kunt lezen. Mooi dat de preektekst goed verzorgd/geredigeerd op internet staat, dan kan ik ‘m bij ons ook eens lezen, als u mij toestaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *