…maar God dienen uit alle macht geeft leven

Preek over 2 Samuel 6:21-23

orde morgendienst
welkom
zingen: Psalm 121,1-4
zingen: Psalmen voor Nu 84
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 25,2.4
gebed
Schriftlezing 2 Samuel 6:1-23
preek over 2 Samuel 6:21-23
zingen: Opwekking 136
avondmaalsviering
zingen: NGK 179a
viering
gebed
inzameling gaven
zingen: Opwekking 78
zegen

Vanmorgen luisteren we verder naar 2 Samuel 6. Vorige week in de morgendienst zijn we begonnen met vers 1-10, over David en over Uzza. Over David die er wel voor zal zorgen dat God, de Heer van de hemelse machten die op de cherubs troont, voor hem, voor David en voor zijn nieuwe koninkrijk zal zorgen. Over Uzza, die de goede invloed van deze God best wel voor David wil regelen. En over God de Heer zelf, die daar allemaal niet van gediend is en zich niet laat tegenhouden als hij wegloopt uit de voor hem geregelde rolstoel. Uzza heeft zijn brutaliteit niet overleefd en David werd op een gevoelige manier stilgezet. Eerst is hij boos. Dan wordt hij bang. Er begint David iets te dagen. Hij was bezig de verbondskist van de Heer bij zich te halen, maar nu wordt de vraag: Hoe kan de ark van de HEER ooit bij mij in Jeruzalem komen? (vers 9). Kennelijk heeft David het probleem door: hij kan niet zorgen dat God voor hem zorgt. God leeft zelf. Maar hoe hij daar mee verder moet weet hij niet meteen. Voorlopig geeft David zichzelf een time-out en brengt de verbondskist onder bij ene Obed-Edom.

Eigenlijk hebben wij dat ook een beetje gedaan, nietwaar, onszelf een time-out geven. Tenminste, wie zich vorige week door God zelf even stilgezet voelde bij de vraag: hoe ga ik met God om, probeer ik hem ook te regelen, te zorgen dat hij voor mij zorgt? — die heeft toch een week ruimte voor bezinning gekregen nu. Ik denk ook dat het de bedoeling is dat we in dit soort dingen van David leren. Het raakt één van de eigenaardige dingen van de figuur van David in de bijbel. Ik werk dat even iets uit en kom dan terug bij 2 Samuel 6.

Wanneer je David vergelijkt met Saul, of Samuel of met de rechters voor hem, dan valt op dat de Heer David als het ware veel vrijer laat. De rechters worden geroepen en krijgen direct opgedragen wat ze moeten doen. Samuel net zo. Saul wordt via Samuel aangestuurd, telkens weer; en als hij die opdrachten van God niet uitvoert, zelfs als hij niet wacht op wat God te zeggen heeft maar op eigen initiatief offert, kost Saul dat zijn koningschap en zijn leven. Bij al die mensen wordt wat God wil van buitenaf ingebracht, via een openbaringswoord, een opdracht. Er is steeds eerst een opdracht en dan iets wat mensen doen, gehoorzaam of ongehoorzaam. Eerst is duidelijk wat God wil, dan doen mensen dat of niet.

Bij David is dat anders. David wordt geroepen en gezalfd, maar dan als het ware aan zichzelf overgelaten. Met hulp van anderen en met eigen inzicht moet hij proberen zijn eigen weg te vinden. Als je kijkt naar hoe David koning wordt zie je dat hij in feite een self-made-man is: door moed, slimheid, organisatievermogen en nog heel veel meer wordt David uiteindelijk dat waar hij al toe geroepen en gezalfd was. Bij David gaat het juist andersom dan bij Samuel, Saul en anderen: hij vindt zelfstandig zijn weg en die weg wordt dan geduid als dat wat God wil. Eerst is er wat David doet en dan wordt duidelijk of God dat ook wil, of niet. Al doende blijkt de wil van God.

Natuurlijk, het kan ook directer. In 2 Samuel 5 is net nog verteld hoe David de Heer raadpleegde en dan concreet antwoord krijgt over wat te doen. Maar dat is toch nog steeds anders dan bij zijn voorgangers: David heeft het initiatief, hij raadpleegt de Heer. Hij krijgt niet eerst instructie en voert dan uit. Hij zoekt zelf zijn weg en betrekt dan God daarbij. Wanneer de Here Davids weg bevestigt dan was het Gods wil, en zo niet, dan is er iets fout gedaan en probeert David te leren. Als je het geheel van wat er over David in de bijbel verteld wordt probeert te overzien dan krijg je de indruk dat David de man naar Gods hart was juist omdat hij in staat was zo open te leven en te leren. Niet omdat hij zo goed was of zo zuiver — in veel opzichten heeft David iets van een wilde roverhoofdman — maar omdat hij in staat was Gods correcties te verwerken. Wanneer God anders wilde ging David eerlijk overstag en ermee aan het werk. Het zou me niets verbazen als dit ook een rol speelde in de psalmen, waarvan er zoveel op naam van David gezet zijn. Vast niet alleen omdat hij er zelf gemaakt had, maar ook omdat in de psalmen zo vaak die zelfde levende omgang met God naar voren komt.

Trouwens, dat is wat David als figuur meteen ook zo herkenbaar maakt voor ons. Wij weten meestal ook niet precies wat God wil met ons en ons leven. We moeten, zoals Paulus dat ergens zegt: nieuw leren denken, om zo te ontdekken wat God van ons wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is. (Rom. 12:2). David leert je daarbij dat het op zichzelf niet erg is om fouten te maken; het is pas erg als je niet meer van je fouten kunt leren, als je je door God niet meer laat corrigeren.

Goed, dan terug naar 2 Samuel 6. Wat blijkt David hier nu te doen en te leren? Nou, hij begint met opletten. Hij ziet dat Obed-Edom gezegend wordt: het gaat hem uitstekend. Het lag dus niet aan God of aan de ark, maar aan de manier waarop David daarmee was omgegaan. Ik betrek dat meteen even op ons, bij wijze van voorbeeld. Stel, je hebt God op een verkeerde manier betrokken bij je werk. Je mooie project waar je God bij had geregeld: Hij moest je daarbij helpen, het is mislukt. God heeft je er mee laten zitten. Je bent van de klus afgehaald en een ander heeft jouw plek. Wij roepen dan zomaar: het was ook niks, en ik wil het helemaal niet meer. Maar David let op en ziet dan waar de fout zat: niet bij het betrekken van God bij je werk, bij dit werk, maar bij de manier waarop. En hij gaat daarmee aan het werk. Dat is meteen een goede tip.

David gaat nu de verbondskist op een heel andere manier naar Jeruzalem halen. Laten we het ons maar weer even voorstellen. Vorige week zagen we hoe David de koning, met veel militair vertoon de verbondskist haast als buit Jeruzalem wilde binnenbrengen. De ark werd meegenomen. Nu is de sfeer heel anders. Onder gejuich, feestelijk, en met eerbied, wordt de verbondskist gedragen. Wat je ziet is nu geen militaire optocht rond een koning die wat meeneemt, maar een triomftocht van de ark, van de verbondskist, van God zelf. Ze tellen hun stappen: zes en dan een offer. Net als de dagen van de week: zes en dan een sabbat. Zes stappen werken en dan een rund en een kalf rust nemen om je te bezinnen, om te offeren, te bidden en te beseffen wie God is. En David is nu niet de koning, voorafgegaan door marsmuziek, maar David is nu de priester, de dienaar, gekleed in een linnen lendendoek zoals de priesters dragen. Zijn waardigheid heeft hij afgelegd. Hij danst bijna naakt, met alles wat hij in zich heeft. Alles draait nu niet om David, maar alles gaat om God, om de Heer die op gevleugelde wezens troont.

En dat blijft zo. In Jeruzalem eindigt de plechtigheid eerst met brandoffers en vredeoffers. De brandoffers drukken de totale overgave aan God uit: alles wordt verbrand. En de vredeoffers wijzen dan op de nieuwe verhouding van vrede en heelheid tussen God en zijn volk. Pas als zo alles aan God gegeven is en het duidelijk is dat alles echt om Hem gaat, zegent David het volk in de naam van de almachtige Heer. En die zegen wordt concreet, tastbaar gemaakt door het uitdelen van voedsel: brood, gedroogde dadels en rozijnen. Het ging David om God; en dat mocht hem best wat kosten. Hij zei niet maar iets als: nou, het ga je goed, maar hij zorgde er zelf meteen voor dat het zijn mensen goed ging. David zelf is niet meer belangrijk, maar God is belangrijk en zijn volk. En zo eindigt het niet met dood, maar met zegen.

Wat je dus ziet is dat vanaf vers 11 in 2 Samuel 6 echt alles anders wordt. David had zijn weg gekozen en God had hem gevoelig stilgezet. En dan leert hij en doet het anders. In woorden van vorige week: David geeft het op om te proberen te zorgen dat God voor hem zorgt. Hij concentreert zich erop om helemaal en uit alle macht God te dienen en alle zorg dan aan God over te laten. En dat geeft zegen. In de woorden van Davids Zoon en Heer: zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en de hele rest krijg je er bij.

Zo eindigt het hier in 2 Samuel voor het volk. Maar zo eindigt het voor David niet. Hij heeft zelf zijn les geleerd, maar daarmee wordt voor hem en rondom hem niet vanzelf alles goed. Ik denk dat we ook daarin David wel kunnen herkennen. Soms leer je zelf dingen van God, over je gedrag, over je leven, maar dan blijkt dat je oude houding nog nawerkt in de mensen om je heen. Ze volgen je niet, integendeel. Sowieso: je bekeren van je kwaad betekent niet dat de gevolgen van je kwaad meteen weg zijn. In ieder geval komt David niet fijn thuis. Hij stoot zich keihard aan zijn eigen oude opstelling in de persoon van zijn vrouw Michal.

Het volk ging naar huis met een zegen. En ook David ging naar huis om zijn gezin te zegenen. Ik denk dat de mensen gelijk hebben die dat heel concreet vertalen als: David wil met Michal naar bed, bij haar een kind verwekken en op die manier zijn huis in gezegende omstandigheden brengen. Maar ook als dat een stap te ver is: David wilde zijn eigen huis net zo zegenen. Maar hij krijgt geen kans. Michal, de dochter van Saul (let op dat soort aanduidingen!) komt hem tegemoet en zet David direct op zijn nummer. Een mooie koning zeg, een koning zonder waardigheid, een koning zonder kleren, als een leeghoofd. Michal had niet gezien dat het David om God ging en om zijn volk, ze zag alleen maar dat het in ieder geval niet om David ging. En dat kan niet. Het kan niet om een koning zonder kleren gaan. Een koning kan zich niet verliezen, kan zich niet wegcijferen. Een koning moet zich laten gelden. En een koningin net zo. Michal laat zich niet zegenen door zo’n koning met zo’n God.

Ja, en daarom blijft ze kinderloos, als enige van Davids vrouwen. Er wordt verder niet uitgeweid over het hoe (of David niet meer met haar geslapen heeft of dat ze onvruchtbaar geworden was of anderszins), het waarom is duidelijk: Michal wil zich niet laten zegenen door een koning zonder kleren, door een koning die het niet om zijn koningschap gaat. Michal past meer bij Uzza dan bij David. David is de koning, God had hem moeten dienen en niet andersom. Wat David zelf had afgeleerd vindt hij terug in zijn vrouw.

Daarin krijgen we nog een keer iets om over na te denken van God, denk ik. David heeft geleerd van God. Haast nergens komt hij dichter bij God en dichter bij zijn grote Zoon en Heer dan hier. Zijn eigen positie interesseert hem niets. Hij wil onaanzienlijk zijn in eigen ogen, laag, sjofel zijn in eigen ogen voor het aangezicht van de Heer en van zijn volk. Hij wordt een koning zonder kleren als die andere Koning zonder kleren aan het kruis. In die overgave aan God ligt voor David alles. Maar dat eren van God is voor Michal niet van belang. Het gaat om Davids eer en daarin om haar eer. En daarin sluit zij zich af voor David, voor zijn God, voor zijn Zoon. Daarom sterft in haar het huis van Saul. Michal zal de moeder van Israëls nieuwe koning niet zijn. David zal wel de vader zijn. Hij had geleerd.

Zo zet God David hier in de bijbel ook voor ons neer, samen met Uzza en Michal. Als we hebben nagedacht over God en ons, over om wie het eigenlijk gaat, om hem of om ons, dan zegt God ons gelijk voor keus: wat willen wij? Je mag het in je eigen leven zelf kiezen. Gaat het om jou, om jouw leven, om jouw voorspoed waar God voor moet zorgen, pas dan maar op. Je zou kunnen sterven als Uzza. Draait het om jouw eer en positie, realiseer je in ieder geval dat je onvruchtbaar blijft als Michal. Een leven dat om jou draait betekent niets. Er blijft niets van. Gaat het om God, leer je, net als David, dat het om God gaat, dan wordt je uiteindelijk gezegend en mag je zegenen om je heen. Hier misschien gebroken, omdat je kwaad niet meteen over is en je leven een nasleep heeft, maar later toch compleet. Om die andere Koning, die andere Koning zonder kleren, die het ook alleen om God ging en om zijn volk, en om ons. Bij hem is het leven. Bij hem is ook dit vlees en bloed geworden: niet zorgen dat God voor je zorgt, maar God dienen uit alle macht geeft leven. En het is hier vanmorgen brood en wijn voor ons geworden. Zijn overgave tot en met proeven we in het brood. De zegen die God hem geeft, geeft hij door in de wijn. Laten we tot hem bidden.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 9 oktober 2011

eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 22 augustus 2004
Utrecht-C, 10 oktober 2004

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *