Ervaring van Gods aanwezigheid

Preek over zondag 28 en 29 Heidelbergse Catechismus

orde middagdienst
votum en groet
zingen: Psalm 84,1.3
gebed
Schriftlezing Lucas 22:14-30
zingen: Liedboek 357,1-4
preek over Zondag 28 en 29
zingen: NGK 123,1.2.5
gebed
inzameling gaven
zingen: Psalm 73,9-11
zegen

Ervaring van God, een diep gevoel van zijn aanwezigheid – als er iets is wat hoog op het verlanglijstje van veel christenen staat, dan dat. Zoveel mensen om ons heen leven rustig alsof God niet bestaat. Even makkelijk kun je zelf ook leven alsof God er helemaal niet is. En dan slaat er niet meteen een bliksem naast je in met de boodschap: hé, hé, Ik ben er ook nog. Juist daarom wil je extra graag dat je, als je wèl met God leeft, iets merkt van zijn aanwezigheid.

En niet alleen het gebrek aan ervaring van God om ons heen zorgt voor dat verlangen, ook het algemene verlangen naar het ervaren van dingen. Als we iets prachtig vinden zeggen we: joh, dat moet je meemaken. Als je er maar op de een of andere manier bij geweest bent, dan betekent het iets. Alles uitproberen, desnoods risico’s nemen, voelen dat je leeft. Als je echt wilt leven kun je geen tijd verspillen met erover na te denken. Je moet het ondergaan. Maar ja, wat valt er nu mee te maken aan je geloof? Jezus leefde bijna twee duizend jaar geleden. Dat maak je niet meer mee. En dus maken veel mensen het ook niet meer mee. Maar als je nog wel christen wilt zijn, dan is daar ook dat verlangen naar ervaring, naar aanwezigheid, naar meemaken.

Dat verlangen zorgt in en rond de kerken voor een bepaalde spanning. Je merkt het rond de doop. Juist jonge mensen die hun geloof intens beleven hebben vaak een voorkeur voor volwassendoop: dan kun je tenminste eens iets meemaken, iets ondergaan. Je merkt het rond de inrichting van de erediensten. Er moet iets gebeuren in de kerk, er moet iets mee te maken zijn. Je merkt het in de gemeente zelf: de onderlinge gemeenschap moet iets zijn waar je echt iets van merkt of je er nu zelf iets aan doet of niet.

Nou ja, ik denk dat hier wel een en ander van herkenbaar is. Er horen veel vragen bij dit hele complex waar ik in een preek niet op in kan gaan – stel dat ik er al iets over zou kunnen zeggen. Ik houdt het vanmiddag even bij twee dingen: ik ga eerst dat verlangen naar ervaring van ons gebruiken, vervolgens ga ik het wat relativeren.

Eerst maar eens gebruiken. Want het lijkt me dat als we iets herkennen van dat verlangen naar ervaring van Gods aanwezigheid, van Gods werkelijke tegenwoordigheid in ons leven, dat we dan aardig voorgesorteerd staan om wat meer te begrijpen van die eindeloze ingewikkelde discussie over het avondmaal in de tijd van de Reformatie. Iedere keer kun je er weer wat vreemd van opkijken dat die toch redelijk beknopte catechismus van ons drie lange zondagen aan het avondmaal besteedt. Als je dan vervolgens er eens wat omheen leest en op dat debat tussen roomsen, luthersen en gereformeerden stuit, wordt het allemaal nog ingewikkelder. Grote moeilijke woorden duiken op: transsubstantiatie, consubstantiatie. Hupsakee. Maar waar gaat het dan eigenlijk nog om?

Nou, om Gods aanwezigheid in ons leven, om de werkelijke tegenwoordigheid van de Here Jezus in ons bestaan. Hoe laat God, hoe laat de Here Jezus zich door ons ervaren? Hoe geeft Hij zich aan ons? Op die vragen gaf de Roomskatholieke kerk van de late Middeleeuwen het antwoord van: in brood en wijn, tastbaar, concreet, reëel. Zo tastbaar dat je Jezus als hostie in een potje kon doen, ermee rondlopen en er mirakels van verwachten. Zo grijpbaar dat je God gebruiken en manipuleren kon. En zo feitelijk dat de kerk er macht aan kon ontlenen, en veel geld mee verdienen. God wordt onderdeel van onze werkelijkheid in de hostie.

Toen zeiden de reformatoren: nee, dat nooit, laat God God blijven. God wordt nooit een ding en Hij laat zich niet gebruiken. Maar Hij is er wel echt en Hij laat zich ervaren ook. Vervolgens ging de discussie tussen de protestanten verder over de vraag hoe God zich dan ervaren liet. Luther zei: als Jezus zegt ‘dit is mijn lichaam’ dan is dat ook zo. Dus als ik avondmaal vier dan ervaar ik Jezus direct: als ik van het brood eet dan proef ik Hem en als ik van de wijn drink dan proef ik Hem. In het avondmaal komt Jezus zelf echt mee, en dat geeft zekerheid en vertrouwen, houvast in aanvechtingen. Godservaring heeft hier iets lijfelijks. Jezus’ lichaam is alomtegenwoordig geworden na hemelvaart en laat zich als het ware tasten in brood en wijn. Daarin staat Luther, zoals wel vaker, tamelijk dicht bij ons eigentijds levensgevoel. Wat we verlangen is ervaring, directe ervaring van God, dat je God zelf meemaakt, ondubbelzinnig voelt: ja dat is God. Ook dat heeft snel iets lijfelijks: Gods arm om je schouder of, andersom, als dat nodig is zijn stok tussen je benen. God is er direct.

De gereformeerden intussen zeiden iets anders. Zij legden er de nadruk op dat God echt God is en dat Jezus echt in de hemel is. Hij is er wel echt en Hij laat zich ervaren ook, maar niet direct, niet alsof Hij deel van onze werkelijkheid is en niet alsof Hij bij ons is als mens. God is nog niet bij ons, dat komt nog, in de nieuwe werkelijkheid. God laat zich hier alleen indirect ervaren, in andere dingen, en speciaal in de teken-handeling van het avondmaal. Je kunt God niet zo ervaren als je hier op aarde iets meemaakt of proeft, maar in wat je hier op aarde doet of meemaakt of proeft kun je God ervaren. Hij zit daarin verborgen en wordt er alleen in opgemerkt en ontvangen door het geloof. De verbinding tussen God en mensen wordt niet gelegd door iets hier op aarde, maar door de Heilige Geest. Die verbinding is echt, maar je kunt haar niet te pakken krijgen, niet opsluiten in iets op aarde. Er blijft altijd een geheim in, het geheim van de verhouding van de grote God en de kleine mens.

Dat is wat je in deze twee zondagen van de catechismus telkens weer tegen komt in die woorden ‘even zeker’ of ‘even werkelijk’. Wat je meemaakt in een avondmaalsviering is op zichzelf niet waar het om gaat. Dan proef je alleen gewoon brood en gewone wijn. Daarom moet je ook niet op de tekens blijven zien, maar je hart op Christus richten. Want dat wat je meemaakt in een avondmaalsviering is even zeker en even werkelijk als wat je op een ander niveau meemaakt van Jezus en van zijn Heilige Geest. Je krijgt even echt vergeving en nieuw leven als je werkelijk brood en wijn proeft.

Even echt, even werkelijk. Er zindert een intense aanwezigheid van God, van de Here Jezus, door een gereformeerde avondmaalsviering. Ik weet niet of het u vanmorgen opgevallen is, maar juist dat klas­sieke avondmaalsformulier gaat vanzelf over in de Ik-vorm: Jezus is zó aanwezig dat Hij sprekend wordt ingevoerd: Ik heb immers voor u mijn lichaam aan het kruis gegeven. Ik voed en verkwik uw ziel tot het eeuwige leven. In het eten van het brood en het drinken uit de beker zegt Jezus dat tegen je. En er zit de intimiteit in van het samen zijn van man en vrouw: vlees van zijn vlees, been van zijn gebeente. Even echt, even werkelijk. Maar indirect. Wat je direct ervaart is samen eten en drinken.

Je loopt hier aan tegen de gewone gereformeerde nuchterheid. Gereformeerden nemen de dingen zoals ze zijn en lopen niet met hun hoofd in de wolken. God is God, Hij is in de hemel en wij zijn op aarde. En Jezus is ook in de hemel en wij op aarde. God laat zich niet ervaren zoals de mensen om ons heen of de eerst beste gebeurtenis die wij hier mee kunnen maken. Hij is Iemand van andere orde. In onze gebroken en zondige realiteit kun je God alleen werkelijk ervaren in iets anders, in een teken, in een veelbetekenende handeling, in iets wat gebeurt, indirect. Even zeker, even werkelijk als.

En trouwens, je merkt hier niet alleen die gereformeerde nuchterheid. Er zit ook een goed stuk gereformeerde barmhartigheid in. Jezus heeft zelf het avondmaal ingesteld. Blijf dit doen tot mijn gedachtenis, zei Hij. Daar is verder niets bijzonders aan. Het avondmaal is een heel eenvoudig gebeuren. Iedereen die oprecht bij God wil horen kan er aan meedoen. En ook als je daar verder helemaal niets bijzonders bij voelt of ervaart geldt, dat Christus’ vergeving en vernieuwing even werkelijk voor jou zijn als je het brood hebt ontvangen en uit de beker gedronken. Even zeker, even werkelijk.

Er zijn geen bepaalde gevoelens of ervaringen die je direct toegang tot God geven en die je maar net gehad moet hebben om zeker te zijn van je verhouding tot Hem. Het is niet zo dat je dit of dat meegemaakt moet hebben voor je kunt zeggen dat je echt bij God hoort. Integendeel, alle gevoelens en ervaringen kun je ook altijd anders uitleggen. Die fijne ervaring van rust en overgave die haast automatisch als gave van God opneemt is ook gewoon een psychologisch effect van bepaalde beslissingen of een lichamelijk effect van de nodige stofjes in je hersenen. Dat prachtige gevoel van saamhorigheid en verbondenheid dat je de indruk gaf dat God je echt een plek in de kerk had gegeven deel je met talloze voetbalsupporters in een stadion en volstrekt heidense mensen die net in de groep zijn opgenomen waar ze altijd bij wilden horen. Uiteindelijk zegt dat op zichzelf allemaal niets. Zo direct laat God zich niet ervaren. Hij geeft zich indirect in iets heel gewoons en toegankelijks, zoiets als het avondmaal. Even zeker, even werkelijk als.

Goed, ik had gezegd dat ik dat grote verlangen naar speciale ervaringen van God zou gaan relativeren. Daar ben ik dus nu mee bezig. Juist omdat God God is kan Hij zich laten ervaren in zoiets simpels als het avondmaal. Doodgewoon brood ontvangen kan je in één keer verbinden met het leven van Jezus dat je nooit zult meemaken. Even werkelijk als je dat stukje brood geproefd hebt is Hij voor jou de dood ingegaan. Die simpele slok wijn geeft je in één keer contact met werkelijke levensvernieuwing die reikt tot in eeuwigheid. Even zeker als je dat proefde krijg je deel aan het grote feest op Gods nieuwe wereld, waar je nog niets van hebt meegemaakt.

En daarin stuit je op het geheim van echt christenleven. Want die doodgewone boterham die je morgenochtend smeert wordt nu net zo goed een teken van meer. Van wie heb je die eigenlijk gekregen? En wiens liefde proef je in je prakkie morgenavond? Als je overmorgen weer zin in je werk hebt, wie geeft je dat dan? En als je straks de kracht krijgt om eerlijk te zijn, te breken met je kwaad en iets goeds te doen voor een ander, wie is daar dan in aanwezig? Juist dat doodgewone avondmaal opent je voor werkelijke godservaring in je doodgewone leven van alledag. En niemand hoeft zich daarvan buitengesloten te voelen. Niemand hoeft op jacht te gaan naar de speciale kick of de uitzonderlijke ervaring die God geeft. God laat zich in het gewone ervaren. Al lang voor wij Hem daarin opmerken heeft Hij zich in ons leven verstopt. Hij is de God van gewone mensen, de kleine-mensen-God.

Dat geheim, dat indirecte, dat hoort bij onze omgang met God zolang we hier leven. Pas later zullen we kennen zoals wij gekend zijn. Verlang dáár vooral naar. Zo’n stukje brood dat je voelt en proeft, zo’n slok wijn waarvan je de smaak meeneemt als je weer terugloopt naar je plaats, het verwijst ook daar naar toe, naar de komende werkelijkheid van directe ervaring van God. Tot die tijd is het allemaal indirect. Nuchter en relativerend. Maar wel echt en even werkelijk. Even zeker als je hier vanmorgen kon eten en drinken zei de Here Jezus tegen jou: Ik heb voor jou mijn lichaam gegeven en Ik voed jou. Dat heb je dus meegemaakt, even echt, even werkelijk. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 7 juli 2002
Hilversum, 25 mei 2003
Nieuw-Lekkerland, 28 maart 2004
Hoofddorp, 7 november 2004

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *