De Geest als bewustmaker

Preek over 1 Korintiërs 2:12

orde morgendienst
votum en groet
zingen: Psalm 68,8
gebod
zingen: Psalm 68,13
gebed
Schriftlezing Handelingen 2:1-21
zingen: NGK 103,1-3.6
Schriftlezing 1 Korintiërs 2
zingen: NGK 118,3
preek over 1 Korintiërs 2:12
zingen: Liedboek 239,1.2.6
gebed
inzameling gaven
zingen: Liedboek 241
zegen

Zou u, zou jij dat ook zo zeggen, zoals Paulus hier in 1 Korintiërs 2? Wij hebben de Geest uit God ontvangen, opdat wij zouden weten wat ons door God gegeven is…? Wij hebben de Heilige Geest ontvangen, en wat gebeurt er dan? waarvoor is Hij gekomen? wat voor effect heeft zijn aanwezigheid op ons? Vergis ik me niet, dan zijn wij toch tenminste wel geneigd hier wat accenten anders te leggen dan Paulus. Wij zouden wel graag de Geest uit God ontvangen om ook eens te ervaren wat ons door God gegeven is.

Het gaat ons allemaal niet voorbij. Onze cultuur niet, met haar grote gebrek aan echte emoties en haar enorme jacht naar de kick, de ultieme beleving. Onze manier van leven niet, met alle nadruk op doen wat goed voelt en leven naar wat lekker is. Het zit al lang diep ook in ons, te leven alsof gevoelens en emoties gedachten en ideeën opleveren en niet gedachten gevoelens en emoties oproepen. Al die verhalen uit de bijbel, die we al lang kennen, ze doen ons pas iets als we in de juiste stemming zijn. En de Heilige Geest moet ons die stemming geven. Wat we verwachten van de Heilige Geest is, dat Hij ons gevoelens geeft, laat ervaren, niet maar weten.

We zijn Paulus wat ontwend, zo langzamerhand. Wij verbinden de Heilige Geest niet met weten (al die ouwe leer en die steriele waarheden). Wij verbinden de Heilige Geest met geest-drift. Als wij in de kerk niet geestdriftig kunnen worden is de dienst mislukt, en zeker op Pinksteren. En geest-driftig betekent dan niet eens zozeer dat wij ons door de Heilige Geest laten drijven. Het betekent veel meer dat wij bepaalde onbewuste driften van de Heilige Geest verwachten: blijdschap, een goed gevoel, warmte, een besef van geborgenheid, nabijheid, lieflijkheid. En hoe Hij dat doet maakt ons niet uit: de wind mag waaien waarheen hij wil, als de emoties maar komen.

En voor we het weten spelen rond de Heilige Geest en rond het feest van de Geest, Pinksteren, dezelfde spanningen als  toch al in ons leven zitten: hoe moet het als wij niet aan onze eigen portie emotie, beleving en opwinding toekomen? Hoe zit het met de mensen die zo niet in elkaar zitten? Die reden hebben voor verdriet? Hoe enthousiaster de een spreekt over emoties en ervaringen, des te meer voelt een ander zich buitengesloten, een ander met wie God een andere gang door het leven gaat.

Het zal wel geen kwaad kunnen wanneer wij vanmorgen Paulus eens toelaten wat van die heilige huisjes van ons leven af te breken. Al is het alleen al om te voorkomen dat wij toch nog, met alle goede bedoelingen, de Heilige Geest zouden verwarren met de geest van de wereld en zouden vergeten wat ons door God uit genade geschonken is.

Ja, laten we bij dat laatste even beginnen. Wat ons door God uit genade geschonken is, dat is hier, in 1 Korintiërs de redding door Jezus Christus de gekruisigde. Maar als we dat vanmorgen met Handelingen 2 verbinden, dan kunnen we niet vergeten dat ons de Geest zelf ook door God uit genade geschonken is. En in die Geest hebben wij geen deel aan de een of andere onderbewust werkende kracht, maar in de Heilige Geest geeft God zichzelf aan ons op nog weer een nieuwe manier.

Dat is het nieuwe, het echt nieuwe op Pinksteren, niet dat God mensen krachten geeft, niet dat God mensen tot geloof brengt, niet dat mensen namens God spreken, maar dat God zelf in de persoon van de Heilige Geest komt wonen in mensen. De afstand die God altijd nog gehouden had wordt opgeheven. God woont niet meer in een tempel als een kasteelheer in zijn burcht, ver van zijn mensen. Hij daalt niet meer neer op een hoge berg Sinaï en laat mensen terugdeinzen bij Hem vandaan. Nee, Hij daalt neer op allen in dat huis samen en trekt mensen naar zich toe, roept hen tot zich in Jezus’ naam in doodgewone mensenwoorden. We mogen best leren wat voorzichtig te zijn met beelden als van wind en vuur. Het zijn geen beelden voor de Geest, maar signalen van zijn aanwezigheid. Hij is een persoon, Hij is iemand. Hij doorzoekt, Hij openbaart, Hij leert, Hij is bewust, Hij is God.

Ja, en Hij is Geest. En ‘geest’ mag bij ons intussen allerlei gedachten oproepen van ongrijpbaarheid, bovennatuurlijke mogelijkheden en effecten, invloeden op ons onderbewuste en zo voort – in de bijbel vinden we ‘geest’ steeds verbonden met bewustzijn, begrijpelijke taal, een boodschap, wijsheid. De Geest van God is verbonden met de gedachten van God. Nergens komt dat wel duidelijker naar voren dan juist in dit gedeelte uit 1 Korintiërs. De Geest is het die de diepten van God doorzoekt, en weet wat op de bodem van Gods hart leeft. Bij de Heilige Geest gaat het niet maar om de gevoelens van God. Bij de Heilige Geest gaat het om God die zichzelf bewust is, die weet wat Hij wil en wat Hij bereiken wil en waarom.

Als je dat tot je door laat dringen komt gelijk de gedachte mee dat van de Heilige Geest vooral en in de eerste plaats emoties en ervaringen verwachten een flinke miskenning van de Geest betekent. Dan wordt de Heilige Geest zomaar tot een heilige drift die een heilige roes geeft. En het spijt me wel, maar dat lijkt me veel te veel op de geest van onze wereld in een religieus jasje. De Geest is niet in de eerste plaats de gever van gevoelens. Hij is God zelf die ons aan Gods eigen gedachten deel geeft, Hij is de grote Bewustmaker, die Ene die boven alles ons de ogen opent, en die ons laat weten, weten in de zin van beseffen, inzien, zo dat het echt tot ons doordringt, wat ons door God in genade gegeven is.

En denk dan maar gerust aan die ergens heel nuchtere preek van Petrus. Denk maar aan het evangelie waar Paulus mee rondging, zonder veel special effects of bijzonderheden. Dat hoort bij Pinksteren, omdat het bij de Heilige Geest niet maar gaat om de grote Schwung die de wereld op z’n kop zet, maar om God zelf, die mensen van Gods grote daden bewust maakt. Daar begint alles mee, ook, denk ik zo, in ons eigen leven. Ook werkelijke emotie, wat ons raakt en beweging in ons leven brengt, begint hier. Als we zomaar wat blij zouden zijn (of verdrietig, of optimistisch, of rustig, of noem maar op) is dat misschien best aardig, maar dat heeft nog niets met de Heilige Geest en met ons geloof te maken. Geloofsbeleving en -ervaring die geen illusie is begint altijd met dat tot ons doordringt wat ons door God in genade gegeven is in Jezus Christus, onze Heer.

Natuurlijk is dat geen zaak die wij verder wel begrijpen. Juist niet. Hoe vaak kunnen we het evangelie niet horen zonder dat het ons treft? Hoeveel van het evangelie kunnen we niet ‘weten’ in de zin van wel gezien hebben, van enkele kennis? En wie verklaart en begrijpt het, dat het dan opeens wèl raakt, wèl doordringt, wèl overtuigt, wèl treft?

Natuurlijk is dat ook geen steriele zaak, die verder alleen ons verstand raakt. Opnieuw kun je dan denken aan Handelingen: de verstaanbare preek van Petrus ráákt zijn hoorders wel. En het doordringen van het evangelie roept blijdschap op en een dagelijks lofprijzen van God in de eerste gemeente. En hoe zou het hier in 1 Korintiërs over simpele waarheden kunnen gaan, die ons verder onberoerd zouden laten? Jezus Christus die is gekruisigd voor ons, de eeuwige diepten van Gods liefde voor ons, dat wat geen mens ooit had kunnen verzinnen, het evangelie in al zijn rijkdom, dát wordt ons geopenbaard door de Geest, dát laat Hij tot onze geest doordringen. Niemand overziet wat het aanricht in een mensenleven als doordringt, werkelijk doordringt dat de levende God van mensen houdt in Jezus Christus, onze Heer.

Maar wat ik nu vanmorgen even belangrijk vind, juist voor ons in onze tijd, is dat al die onoverzienbare effecten ontspringen aan een weten, een inzien, een tot ons bewustzijn doordringen van wat God ons in genade geeft. Hij is niet maar een kracht. Hij is geest, bewustzijn dat bewust maakt. Hij is het die het evangelie tot ons diepste zijn laat doordringen. Hij opent ons de ogen voor de rijkdom van het leven met God en laat ons scherp zien wat we daarvan uit kunnen delen.

Als er iets is dat daarom bij de Heilige Geest hoort, dan is het wat Paulus meteen op vers 12 volgen laat: hiervan spreken wij dan ook met woorden die door de Heilige Geest geleerd zijn. En dat zijn heel gewone mensenwoorden, zoals die van Petrus. Er hangt een diep misverstand rond die laatste verzen van 1 Korintiërs 2, alsof geestelijke woorden en geestelijke zaken iets heel aparts en bijzonders zouden moeten zijn. In het geheel van het begin van deze brief gaat het om iets heel anders. Om de tegenstelling namelijk tussen de wijsheid van de wereld en de wijsheid van God. De normale wijsheid en de normale gedachten-patronen van mensen vinden het evangelie dwaas. Het evangelie past niet bij het recht van de sterkste, het verdraagt geen manipulatie. De wereldwijze die bereikt wat hij wil moet hier leren zijn leven te verliezen om het te winnen.

Maar dat zijn allemaal heel inhoudelijke zaken. Woorden die door de Geest geleerd zijn, zijn woorden over Jezus Christus die voor ons gekruisigd is. Geestelijke mensen zijn mensen bij wie dat evangelie in de ziel gezonken is door de Heilige Geest in eigen persoon, mensen die de zin van Christus hebben, mensen die de diepste bedoeling van God in Jezus Christus geproefd hebben, en die nu in het leven staan als vrije kinderen van God. Als mensen ook die weten wat ze van God gekregen hebben. Nee, niet dat ze het allemaal overzien en begrijpen. Maar wel als mensen die een heel eenvoudig verhaal kunnen vertellen over wat ze gekregen hebben van God. In gewone mensenwoorden. In hun eigen taal. Op emoties ketsen onze woorden af. De Geest als gever van emoties en gevoelens, van diepste ervaringen, zou ons stom maken of alleen in onverstaanbare tongentaal laten spreken. Verderop in deze brief laat Paulus merken dat hij dat soort dingen niet wil. Tongentaal moet worden uitgelegd, van de effecten moet telkens weer worden teruggegaan naar de bron, naar de Geest die ons laat weten, laat beseffen, en die ons dat laat vertellen met woorden die Hij ons zo heeft geleerd.

En onze ervaringen dan? En onze emoties? Och, die krijgen zo hun eigen plaats. Die is niet zo schokkend belangrijk als wij wel eens denken. Wat belangrijk is, is dat het evangelie van God over Jezus onze Heer tot ons doordringt. Dat het niet ons ene oor in en ons andere oor uitgaat, maar ons raakt en zich nestelt in ons hart in een diep besef van hoeveel en hoe bijzonder de levende God van ons houdt. Dan komen emoties ook wel, bij ieder van ons op eigen manier, uitbundig of ingetogen, hoe dan ook. Ze worden als echte e-moties dan opgeroepen door het evangelie. Dan komen ervaringen ook wel, omdat we dán leren rondkijken in ons leven vanuit wat we geleerd hebben van God.

Daarom, ik zou zo zeggen, laten we ons geloof en ons leven er nog maar eens op aankijken. Met Pinksteren verschijnt God zelf op een nieuwe manier in ons leven. Hij komt in al zijn volheid van genade in ons leven wonen als Geest, als bewustzijn, als degene die weet wat in God leeft en die dat met ons delen wil, tot ons doordringen laten wil. Laat het vandaag, op Pinksteren ons maar eens gezegd worden door Paulus: we hebben niet de geest van de wereld ontvangen, ook niet de geest van onze wereld, die zich laat leiden door emoties en driften op zoek naar de volgende kick. Wij hebben de Geest uit God ontvangen. Opdat wij zouden weten wat ons door God gegeven is. God – de Geest – de bewuste God die ons bewust maakt van Gods gaven. De gemeenschap van die Geest zij met ons tot in alle eeuwigheid. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 11 juni 2000
Enkhuizen, oktober 2000
Hoofddorp, 5 november 2000
Amsterdam-C, 8 juni 2003
gelezen in: Veenendaal-O, 19 juni 2011

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *