Christenen gaan mank aan de heup

Preek over zondag 8 Heidelbergse Catechismus

orde morgendienst
welkom
zingen: Liedboek 457,1.3.4
zingen: NGK 165
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 62,1.2.3
gebed voor de opening van het Woord
Schriftlezing Genesis 32:22-32
preek over Zondag 8
zingen: Iona 20 (melodie Samen in de naam van Jezus)
geloofsbelijdenis van Nicea
zingen: NGK 161
mededelingen
gebed
inzameling gaven
zingen: Liedboek 460,1.2.3
zegen

Zondag Trinitatis is het vandaag, zondag van de heilige drie-eenheid. Altijd al was er God de Vader, de schepper van alles. Maar in de gang van het jaar hebben we nu ook Jezus ontmoet, de zoon van David, de Koning van Israël, in zijn opstanding uitgeroepen tot de Zoon van God in kracht. En we hebben de heilige Geest ontmoet, God zelf gekomen op Pinksteren in overvloed van nabijheid en energie. Dan is het tijd om even stil te staan. Wat is er gebeurd? Wie hebben we ontmoet? Wie heeft ons ontmoet? Wíe zeg je? Je kunt zo  doorlopen in die eenvoudige vraag uit het leerboekje van Heidelberg: waarom noem je drie Personen, de Vader, de Zoon en de heilige Geest, terwijl er toch maar één God is? Ja, omdat God zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft: deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God. Wíe zeg je? De ene, ware en eeuwige God.

Deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God. Het wordt zo eenvoudig gezegd. Maar het is geen stoere taal. Het zijn geen woorden van mensen die het na lang nadenken begrepen hebben, God begrepen hebben. Het zijn eerbiedige woorden, vol respect, vol vertrouwen, vol betekenis. En ze kunnen eigenlijk niet, drie Personen kunnen niet één zijn. De woorden stamelen. Spreek ze na en je loopt mank, net als Jakob.

Als het zo over de levende God zelf gaat en we gaan spreken over God drie-enig, is er geen bijbelplaats die zich meer aan me opdringt dan het verhaal uit Genesis 32 dat we net gelezen hebben. Wat daar gebeurt in het donker bij de Jabbok, het lijkt zich, op ander niveau en binnenste buiten, te herhalen in de geschiedenis van de christelijke kerk. En sinds die tijd is het een gemeenschappelijke trek van alle christelijke denkers en vertellers, dat hun denken kreupelt en hun verhaal mank gaat. En dat is niets om zich voor te schamen, zomin als Jakob zich had te schamen voor deze episode in zijn leven. Het is een ereteken dat de christelijke kerk eens te meer recht geeft op de titel van het Israël van de nieuwe wereld. Liever mank dan strijdbaar rechtop met de eenvoudige boodschap van de islamitische Rotskoepel in Jeruzalem: God is één en hij heeft géén Zoon.

Het was nog midden in de nacht van de vervolging en de verachting dat de oude kerk de doorwaadbare plaatsen overtrok van de rivier die het oude Israël scheidde van de volken. Ze gingen het land niet in deze keer, maar uit. Ze hadden de God die ze vanouds kenden opnieuw ontmoet in Jezus de Nazoreeër, en nog een keer ervaren in de uitstorting van de Heilige Geest. En in alle eenvoud gingen ze op weg, ieder naar zijn buurman, haar buurvrouw. Als een lopend vuurtje ging het Evangelie uit, van mond tot mond, van hand in hand. In een wereld vol goden van kracht, met allerlei godenzonen die heroën waren, bovenmenselijk en dol-sterk, gingen ze rond met hun boodschap van die andere Zoon van God, de Gekruisigde en Opgestane. De overgang was groot en moeizaam. Voor wijzen van deze wereld was het een boodschap over een mislukte godenzoon, vooral geschikt voor mislukkelingen en drop-outs. Pas na een paar eeuwen dringt het Evangelie werkelijk door boven de onderste lagen van de samenleving.

Dan zie je plotseling allerlei vragen zich samentrekken en gestalte aannemen en de rest van de nacht heeft de kerk te worstelen met ‘die man’. Allerlei ketterijen en vreemde gedachten zijn de concrete aanleiding, maar in die alle zie je de kerk worstelen met God zelf: wie is Hij? hoe krijgen we echt houvast aan Hem? hoe kunnen we Hem noemen naar Hij is? als Hij zich opnieuw geeft aan ons in Christus Jezus, hoe verhoudt dat zich dan tot zijn openbaring vroeger? kan Jezus echt God zelf zijn, mijn Heer en mijn God? wat bedoelen we dan? doet God dan alleen een ander masker voor, of is Hij echt zelf nog een keer anders? of is Hij toch een meervoud, meer dan één God?

Op al dat soort vragen en nog vele meer worstelt de kerk zich naar een antwoord toe, maar telkens weer wordt het niet een echt antwoord. Er worden formuleringen gevonden, maar alle vragen zitten daar nog steeds in opgesloten. Eén wezen, de ene ware en eeuwige God, drie Personen, deze drie onderscheiden Personen. drie-eenheid. Het zijn begrippen die zich niet laten begrijpen, maar waarin het duidelijk om één ding gaat: Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent.

En als dat in de vierde eeuw zo wordt uitgesproken en vastgelegd, wordt kort daarna voor lange eeuwen de kracht van de kerk gebroken door de volksverhuizingen en de enorme veranderingen die deze aanbrachten. Het is alsof God zelf voorkomen wilde dat de kerk nog weer achter Hem aan zou komen, om nog verder, nog dieper, nog ingewikkelder te vragen en te denken. In de grote beslissingen van de vierde eeuw klemt de kerk zich vast aan de levende God op zoek naar zijn zegen. Daarin is zij door God zelf bevestigd, alle eeuwen daarna. En iedere vraag verder, naar Gods eigen naam, krijgt tot op vandaag alleen de weer-vraag: Waarom vraag je mij toch naar mijn naam? Neem Mij zo als Ik me geef, daarin ben je de gezegende.

Dat zit in zo’n eenvoudige formulering in zondag 8 verborgen. Deze drie Personen zijn de ene, ware en eeuwige God. Als je die worsteling van de oude kerk vergeet, die inspanning om de levende God niet te laten gaan tenzij Hij haar zegenen zou, dan wordt dit zomaar een formule, of een platte uitspraak, die niet veel meer zegt dan: ja, zo is God nu eenmaal, ergens, toch ergens net als de bananen nu eenmaal krom zijn. Dan sluiten de woorden zich zomaar voor je af en ga je verder, morgen met je leven, met iets van: tja, dat is allemaal erg ingewikkeld en niets voor mij. Voer voor theologen.

Maar het gaat om God zelf, ook uw God, jouw God, mijn God. Zo als Hij zichzelf in de bijbelse geschiedenis te ontmoeten geeft, zo wil Hij dat wij Hem vastgrijpen en niet meer loslaten. Hij geeft geen formules of waarheden over zichzelf, maar geeft zichzelf aan ons als God de Vader die ons geschapen heeft, eigenhandig gemaakt; die ons daarom echt van waarde vindt en met ons samen leven wil. Zo is God echt. En daarom gaat het er voor ons om, om Hem zo vast te grijpen en vast te houden. Midden in een wereld waar mensen zomaar tot streepjescodes worden gereduceerd, of tot materiaal, of tot kanonnenvoer, in een wereld waar je je mislukt en waardeloos kunt voelen. Midden in een wereld waarin mensen zich als kleine goden aanstellen, met alle gevolgen van dien, geeft God de Vader zich als de echte God, die ons onze eigen plaats geeft, kleiner, bescheidener, maar ook veel waardevoller en vertrouwder.

God geeft geen formules of waarheden over zichzelf, maar geeft zichzelf aan ons als God de Zoon die ons verlost heeft; de God die in staat is te komen om ons op te halen, die in staat is zichzelf te geven, tot en met in vernedering en pijn en dood, voor ons. Zo is God echt. En daarom gaat het er voor ons om, om Hem zo vast te grijpen en vast te houden. Niemand houdt meer van ons dan Jezus Christus. Kijk maar: Hij heeft zijn leven voor ons gegeven om ons leven te verzoenen. Midden in een wereld die mensen afrekent op wat ze gedaan hebben, waarin mensen hun gelijk vasthouden tot de dood er op volgt, waarin vergolden wordt en vergeving zeldzaam is, geeft God de Zoon zich als de echte God, die ons bevrijdt van ons verleden en ons een nieuwe plaats geeft, schoon, vrij, positief, uitdagend, met uitzicht tot in eeuwigheid.

God geeft, echt, geen formules of waarheden over zichzelf, maar geeft zichzelf aan ons als God de Geest die ons heiligt, ons leven toewijdt aan God en de naaste; de God die het niet te veel is om zelfs helemaal binnen in ons te komen wonen en ons te vormen, te kneden, te stimuleren, te corrigeren, op ons in te spreken en zich tot in detail met ons te bemoeien. Zo is God echt. En daarom gaat het er voor ons om, Hem zo vast te grijpen en vast te houden. Midden in een wereld die mensen tenslotte niet echt de moeite waard vindt, waarin ieder voor zich moet opkomen, en iedereen recht heeft op een eigen verslaving, geeft God de Geest zich als de echte God, die ons tot nieuwe bloei wil brengen, hier al, en straks volmaakt in Gods koninkrijk.

Zo God driemaal vastgrijpen en vasthouden, daar gaat het om: Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent. Laat het dan zo zijn dat wij die drie ontmoetingen met de levende God niet op één formule krijgen die van begrip spreekt, laat het zo zijn dat er iets verwarrends in blijft voor ons, iets van een teveel, een te groot, een té levend, dat zij dan zo. Bij deze God is het een eer te hinken in je gedachten en te kreupelen in je verhaal over Hem, als je Hem maar vasthoudt. Door dat vasthouden blijk je echt Israël te zijn.

Dan kun je ook rustig die andere kant onder ogen zien: Waarom vraag je toch naar mijn naam? Ook met de woorden van zondag 8 hebben we Gods naam niet uitgesproken en op begrip gebracht. Hij is werkelijk groter dan wij ons voorstellen kunnen. Deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God. God is altijd samen, in overvloed van leven en liefde. Maar hoe Hij samen is, dat is niet te overzien voor ons, het ligt achter de grens van wat wij kennen kunnen. En dat moet ook zo blijven. Jakob wordt zijn heup ontwricht om te voorkomen dat hij achter de man aan zou gaan, verder, door. Wie zo achter God aan zou willen gaan, op zoek naar zijn meest eigen naam, die grijpt boven zijn macht. En dat is gevaarlijk. Wie op zoek gaat naar de verborgen God, die vindt onherroepelijk de duivel.

Alleen als je je vastgrijpt aan God zoals Hij zich geeft is het een rijkdom om te beseffen dat Hij meer is dan wij vatten kunnen. Daarom juist is Hij in staat om ons hele leven te dragen en te omvatten. Maar als wij ons op eigen benen naast Hem zetten, en met Hem meelopen en meedenken willen, komen we vanzelf terecht in de meest uitzinnige nachtmerries. Wie zelf binnenloopt in de kamer van Gods bestuur van de wereld, ziet een verbijsterende hoeveelheid lichtjes en knopjes en toestanden en komt naar buiten met de verpletterende gedachte dat alles wat hier gebeurt gedoemd is zo te gebeuren. Wie zelf binnenloopt in de kamer van Gods liefde en zijn genade en daar de vele namen ziet staan van vele mensen, onoverzienbaar en onvoorspelbaar, die komt naar buiten met de verbijsterende gedachte dat alles wat hier gebeurt volstrekte willekeur is. Waarom vraag je toch naar mijn naam?

Laten we maar beseffen dat we mensen zijn, en kreupelen voor God. Daar is niks mis mee. Integendeel. De levende God is om ons heen, onder ons, in ons. Hij geeft zich als Vader, Zoon en Geest, en Hij is vol van houvast, draagkracht en energie. Wie werkelijk Israël is, die grijpt deze God vast, op leven en dood: Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent. Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp. Dat is de enige manier, de goede weg, de weg van verwondering waar vertrouwen op groeit. Langs die weg zullen ook wij eens dat moment bereiken dat we mèt Jakob en al die andere Israëlieten zullen mogen zeggen in volmaaktheid: Wij hebben God gezien van aangezicht tot aangezicht en ons leven is behouden gebleven. Intussen is hier ook vanmorgen weer de zon over ons opgegaan. We lopen mank. Maar zo is het goed. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 18 mei 2008
in een eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 7 oktober 2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *