Om de tafel van Eén

Sinds de synode van Amersfoort-Centrum 2005 van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt geldt er in die kerken een toetsingskader voor de omgang met gasten bij de avondmaalsviering in de gemeenten. De tekst van het betreffende besluit is hier te vinden. Op de volgende synode, die van Zwolle-Zuid 2008, zijn een heel aantal verzoeken behandeld die vroegen dit toetsingskader te wijzigen of terug te nemen. Die verzoeken zijn allemaal afgewezen. Op een kleine, zeer terechte, aanvulling na is het toetsingskader gebleven zoals het was. Het verslag van de besluitvorming in Zwolle is hier te lezen. Twee van deze zogenaamde revisieverzoeken gebruikten een tekst die ik had geschreven voor een ‘eigen’ revisieverzoek vanuit Amsterdam. Het is er om allerlei redenen niet van gekomen die tekst zelf bij Zwolle-Zuid in te dienen. Het zou ook niet uitgemaakt hebben.

In Amsterdam-ZW hanteren we dit toetsingskader niet. We hebben daarvoor toestemming van de classis gekregen. Daarbij speelde ook een rol dat de synode van Zwolle-Zuid op de verzoeken om herziening niet, of nauwelijks inhoudelijk is ingegaan. De behandeling was procedureel (besluit 1, grond 1). Verder wordt er alleen nog een en ander beweerd rond het besluit (besluit 2, gronden). De inhoudelijke discussie hierover in de kerken is vervolgens tot stilstand gekomen. Dat is jammer. Daarom heb ik m’n oude tekst maar eens onder het digitale stof vandaan gehaald en wat bijgewerkt, wie weet roept ze tegenspraak op. Tenslotte is het toetsingskader nog steeds van kracht en gelden vrijwel alle bezwaren ertegen nog steeds. Het blijft wat mij betreft een diep slecht besluit, een kerk van Christus onwaardig.

Een complexe discussie

Bespreking van dit toetsingskader voor de omgang met gasten bij het avondmaal wordt vanzelf complex. Er komen heel verschillende dingen in bij elkaar. Op zichzelf is het kader relatief eenvoudig ontstaan: als antwoord op een praktische kerkrechtelijke vraag naar de uitleg van artikel 60 van de kerkorde. Zoals heel vaak bij synodebesluiten heeft ook dit toetsingskader het karakter van een compromis, waarin de synode een weg heeft gezocht tussen de uiteenlopende standpunten in de kerken over de materie. Maar zodra je inhoudelijk gaat kijken blijkt er veel meer te spelen dan praktijk en kerkrecht. Het toetsingskader raakt hoe je denkt over het avondmaal zelf, over de kerk, over de tucht en over hoe de Gereformeerde Kerken zich verhouden tot de éne, heilige, algemene christelijke kerk. Het besluit grijpt in feite diep in op de leer van de kerk, zonder dat duidelijk is dat de synode zich daar bewust van is geweest. Het toetsingskader bespreken dwingt je dus om je vergaand met theologische vragen bezig te houden.

Kerkrechtelijk is er ook nogal wat aan de hand. Dat ligt vooral aan het verplichtende karakter dat dit toetsingskader heeft (en in Zwolle-Zuid heeft behouden, besluit 4, grond 1). Zonder de discussie die destijds in de kerkelijke pers over de materie liep erbij te betrekken, en zonder zich te confronteren met de vele verschillende regelingen die er al over in kerken waren opgesteld (soms ook onder goedkeuring van de classis), heeft de synode van Amersfoort-Centrum een toetsingskader opgesteld en dat maar niet als advies aan de kerken aangeboden, maar als een verplichting. Er is op deze manier niet alleen over de kerken heen gelopen, maar ook ingegrepen in de verantwoordelijkheden van kerkenraden. Bovendien ga ik hieronder beweren dat de uitleg en toepassing van artikel 60 van de kerkorde in dit toetsingskader geen recht doen aan dat kerkorde-artikel zelf, en is er nog wel wat kerkrechtelijks te zeggen.

In principe ben je in de kerken zo loyaal mogelijk aan besluiten en regelingen die door het landelijk verband vastgesteld worden. Het is duidelijk dat het er ook bij het geven van dit toetsingskader om ging rust te schepping in de kerken. Tot op zekere hoogte lijkt dat ook gelukt. Maar dat is vooral omdat de discussie tot stilstand gekomen lijkt te zijn, niet omdat we er samen uitgekomen zijn. De synode van Zwolle-Zuid heeft het praktisch compromis van zijn voorganger verdedigd en drong er vervolgens op aan dat bezwaarde kerken (en kerkleden) zich nu zoveel mogelijk schikken naar wat met meerderheid van stemmen is besloten (besluit 1, grond 2).

Dat is wat mij betreft niet mogelijk omdat ik bij dit toetsingskader gewetensbezwaren heb. Ik vind het nog steeds in strijd met wat de bijbel zegt over het avondmaal, over de kerk en over consistent spreken en handelen, in strijd met wat de belijdenis zegt over voor wie het avondmaal is ingesteld, en in strijd met gereformeerd kerkrecht. Zulke grote woorden vragen uiteraard om een uitvoerige toelichting. Die toelichting haalt onontkoombaar veel overhoop, zelfs al beperk ik me tot de belangrijkste principiële zaken. E.A. de Boer heeft destijds in De Reformatie al laten zien dat het toetsingskader praktisch onwerkbaar is (jaargang 81, nummers 10, 11 en 12). Aan die praktische kant van de zaak ga ik voorbij. Hier gaat het over kerkrecht, over de bijbel en, kort, over de belijdenis, de Heidelbergse Catechismus.

Kerkrecht

Niet beargumenteerd

Wat kerkrecht betreft, in de eerste plaats is het opvallend dat de synode van Amersfoort-Centrum niet beargumenteert waarom hij het toetsingskader een verplichtend karakter heeft gegeven en zo in de verantwoordelijkheid van plaatselijke kerkenraden treedt. Er wordt eenvoudig gesteld dat het wenselijk is dat de kerken zich gezamenlijk uitspreken over hoe om te gaan met gasten van buiten de kerken bij de avondmaalsviering. En dat terwijl ook gezegd wordt dat het duidelijk is dat de toelating een zaak is van de plaatselijke kerk (besluit, grond 2). Gegeven die duidelijkheid zou je verwachten dat de wenselijkheid van een algemeen verplichtend toetsingskader tenminste zou worden beargumenteerd. Dat gebeurt niet. De vraag (quaestio) die door de particuliere synode Holland-Noord is gesteld over de reikwijdte van artikel 60 van de kerkorde is kennelijk argument genoeg (besluit, grond 1: ‘nu hierover een vraag is gesteld’, vgl. ook Zwolle-Zuid, besluit 2, de eerste gronden).

In het rapport van de voorbereidende commissie van Amersfoort blijkt tussen de regels door dat de algemeenheid van de vraag van Holland-Noord belangrijk was. Het gaat maar niet om bezoekers uit bepaalde kerken, maar om de omgang met bezoekers in het algemeen. Daarom verklaart Amersfoort een uitspraak van een eerdere synode niet van toepassing. De synode van Leusden 1999 sprak bij zijn antwoord op een vraag over toelating van Christelijke Gereformeerden in de meest algemene zin uit: ‘de GS wil niet treden in de bevoegdheid van de plaatselijke kerken met betrekking tot de toelating tot de viering van het heilig avondmaal’ (Acta art. 86, besluit 4). Maar deze algemene uitspraak wordt in het rapport van Amersfoort buiten spel gezet met de opmerking: ‘dit genoemde verzoek ging specifiek over de CGK, met wie samensprekingen aan de gang waren. De vraag van de PS Holland-Noord is breder’.

Je zou verwachten dat juist de algemeenheid van de grond van Leusden vraagt om toepassing op de algemene vraag van Holland-Noord, maar Amersfoort trekt de omgekeerde conclusie en stelt verder alleen maar: ‘zoals de kerken in gezamenlijkheid bepaald hebben in artikel 60 KO wat de voorwaarde is voor toelating tot het avondmaal, is het ook wenselijk dat de kerken zich gezamenlijk uitspreken over hoe om te gaan is met gasten van buiten onze kerken.’ (rapport). De synode van Zwolle-Zuid voegt hier nog iets anders aan toe, dat namelijk de door Holland-Noord gesignaleerde verschillen en onhelderheid in het omgaan met gasten aan het avondmaal breder in de kerken bleken te bestaan (besluit 2, grond 3). Dat zal waar zijn. Het was ook heel terecht dat Amersfoort de vraag van Holland-Noord beantwoordde. Het punt is hier dat Amersfoort dat deed door een aantal verplichtende ijkpunten te geven en dat Zwolle niet bereid was dat verplichtende karakter weg te nemen (besluit 4, grond 1).

Het is juist de noodzaak en wenselijkheid van een verplichtend toetsingskader dat door Amersfoort (en Zwolle) wel degelijk beargumenteerd had moeten worden, niet alleen tegenover artikel 60 van de kerkorde zelf, maar ook vanwege de aard van gereformeerd kerkrecht. Ik ga eerst in op artikel 60 en ga vervolgens nog even op zoek naar andere redenen die Amersfoort gehad zou kunnen hebben om het eigen recht van de kerkenraden niet het volle pond te geven.

Artikel 60

De vraag waar de synode van Amersfoort-Centrum op inging was een vraag naar de uitleg van artikel 60 van de kerkorde, toegespitst op de vraag of dat artikel ook van toepassing is op het toelaten van bezoekers uit andere kerken bij de avondmaalsviering. In zijn antwoord stelt de synode: ‘het toelaten van gasten aan het avondmaal uit andere dan zusterkerken is een uitzonderingssituatie waarover art. 60 KO niet expliciet spreekt’. In het rapport wordt geconcludeerd: ‘de spits van artikel 60 KO is dus niet: wie mogen er van buiten de gemeente aan het avondmaal deelnemen, maar welke leden van de gemeente mogen tot het avondmaal toegelaten worden, namelijk zij die belijdenis van het geloof gedaan hebben naar de gereformeerde leer, dus geen doopleden.’

In zijn algemeenheid is deze conclusie terecht. Artikel 60 gaat over eigen ‘leden’ en over mensen die door verhuizing overkomen uit zusterkerken, en niet over de omgang met bezoekers. Precies daarom had de synode ook moeten beargumenteren waarom hij in dit geval toch artikel 60 op de omgang met bezoekers toepast: het artikel zelf geeft er geen aanleiding voor. Je kunt dan wel een analogie construeren, zoals dat in (kerk)recht gebruikelijk is, maar juist een analogie moet altijd beargumenteerd worden. Het is nooit vanzelfsprekend dat een uitspraak over de ene situatie van toepassing is op andere. Die noodzaak van argumentatie blijkt nog groter wanneer we de geschiedenis en de eigen setting en betekenis van dit kerkorde-artikel erbij betrekken.

Geschiedenis

Zakelijk is artikel 60 te traceren tot in de Wezelse Artikelen van 1568 (c. VI § 7). Onder meer via de kerkorde van de synode van Middelburg 1581 (art. 43) belandde de tekst als artikel 61 in de Dordtse Kerkorde van 1619. Dat betekent dat ook dit artikel van de kerkorde zijn oorspronkelijke setting had in de oude gereformeerde landskerk in Nederland (zie voor die landskerk bijv. A.Th. van Deursen, Bavianen en Slijkgeuzen en G.J. Schutte, Het Calvinistisch Nederland). Land en kerk waren sterk verweven. Kerkgebouwen, predikanten en andere kerkelijke functionarissen werden uit publieke middelen betaald en omgekeerd vervulde de kerk diensten voor de samenleving in onderwijs, leger en vloot. De kerk was vooral een publieke institutie, een openbare plaats waar iets gebeurde en waar mensen als christelijke burgers bij betrokken waren.

De gereformeerden waren met die situatie niet bijzonder gelukkig, maar moesten er een weg in zoeken. Dat dezen ze bijvoorbeeld door veel nadruk te leggen op de binding aan de belijdenissen van wie publiek namens de kerk spraken (zoals predikanten) en ook door te onderscheiden tussen doop en avondmaal. Gedoopt werden alle kinderen van ‘christenen’, dat wil zeggen van iedereen behalve van Joden en moslims. Of de ouders ook christelijk leefden was daarbij niet doorslaggevend. Deze in onze ogen onvoorstelbaar ruimte dooppraktijk combineerden ze met strenge toelatingseisen rond het avondmaal. De grens van de belijdende kerk werd niet bij het doopvont getrokken maar bij de avondmaalstafel. Uit de grote massa kerkgangers werd alleen een kleinere kring toegelaten tot de viering. Met die toelating werden ze ten volle ‘lidmaat van Christus’. Anderen bleven hun leven lang toehoorder of ‘liefhebber van de waarheid’.

In die setting is artikel 60 vanzelf duidelijk. Het gaat om de regelmatige toegang tot het avondmaal van wat wij belijdende leden van de gemeente zouden noemen en, in het tweede deel, om de ontvangst van ‘lidmaten’ uit een andere gemeente bij verhuizing. In het register van Rutgers’ uitgave van de Acta van de synodes uit de 16e eeuw vind je via ‘avondmaal, toelating’ dan ook allerlei artikelen over de manier van openbare geloofsbelijdenis parallel aan dit artikel. Artikel 60 wil dus geen algemene uitspraak zijn over wie er überhaupt avondmaal mee mogen vieren, maar regelt de omgang met mensen uit de eigen gemeente.

In de 19e eeuw veranderde de situatie in kerkelijk Nederland. Zeker in de kerken buiten de Hervormde Kerk kwam de nadruk meer te liggen op de kerk als gemeenschap. Kerken gingen lijken op verenigingen, met leden en een bestuur. Met zo ongeveer de hele Dordtse Kerkorde ging ook artikel 60 mee die nieuwe situatie in. De toelating tot het avondmaal via openbare geloofsbelijdenis kreeg langzaam maar zeker ook het karakter van ‘lid in volle rechten’ worden van de kerk. En in die nieuwe setting kreeg het artikel op een gegeven moment de extra kleur dat praktisch alleen de belijdende leden van de gemeente en leden uit zusterkerken met een ‘avondmaalsbriefje’ werden toegelaten tot de viering. Dat avondmaalsbriefje lijkt ontstaan te zijn als analogie van het tweede deel van artikel 60, dat gaat over kerkelijke attestatie bij verhuizing. In de beleving van in ieder geval de doorsnee vrijgemaakte kreeg artikel 60 zo wel de lading van een algemene uitspraak over wie er überhaupt avondmaal mee mogen vieren.

‘Toelaten’ als jargon

Wat daarbij ook uit de aandacht verdween is dat het bij het ‘toelaten’ tot het avondmaal in artikel 60 om een vorm van jargon gaat. Besef daarvan is nog te herkennen in een uitspraak van de synode van Leeuwarden 1920 (Acta art. 25), daarna is het niet meer aantoonbaar. Bij dit ‘toelaten’ gaat het niet over het ‘een keer’ iemand mee laten vieren maar om het geven van regelmatige toegang tot de viering. Wie via openbare geloofsbelijdenis is toegelaten tot het avondmaal heeft, zolang hem of haar die toegang niet is ontzegd, het recht telkens weer avondmaal mee te vieren. Dit ‘toelaten’ is daarin een daad met kerkrechtelijke rechtsgevolgen. Het toegelaten gemeentelid kan er voor elke volgende avondmaalsviering rechten aan ontlenen en kan dat binnen het kerkverband ook bij verhuizing naar een andere gemeente (artikel 60, tweede deel). De teksten van Amersfoort-Centrum laten niet merken dat deze betekenis van ‘toelaten’ nog herkend is. Er wordt steeds in algemene zin over toelaten gesproken, soms zelfs alsof dat iets is wat eigenlijk bij iedere viering plaats zou vinden (door de kerkenraad of ‘tafelwacht’?).

Het zijn intussen wel net die rechtsgevolgen die horen bij dit jargon die verklaren waarom er sowieso iets als artikel 60 in de kerkorde staat. Gereformeerd kerkrecht is uit overtuiging (artikel 32 Nederlandse Geloofsbelijdenis) minimaal kerkrecht: alleen het echt nodige wordt geregeld. Een voorbeeld van wat nodig is om te regelen vormen zaken waarin beslissingen van de ene kerkenraad ook in andere gemeenten rechten geven. Een kerkenraad beslist in zulke gevallen ook voor andere. Het ‘toelaten’ van iemand tot de regelmatige avondmaalsviering in de eigen èn andere gemeenten is daar een typisch voorbeeld van. Alleen in die zin is het terecht wat Amersfoort in grond 1 onder het besluit stelt: ‘de toelating tot het avondmaal, geregeld in art. 60 KO, is een zaak die de kerken gezamenlijk aangaat’. Helaas bedoelt de synode ‘toelating’ hier in een algemene zin die niet bedoeld is in artikel 60, en past dat vervolgens toe op bezoekers.

Maar juist die toepassing naar analogie is hier onmogelijk, omdat de analogie niet opgaat. Bij de omgang met bezoekers is namelijk helemaal geen sprake van het verlenen van rechten, laat staan van rechtsgevolgen in andere gemeenten. Wie in een gemeente op bezoek is en daar wordt uitgenodigd het avondmaal mee te vieren, kan daar zelfs in die gemeente geen recht ontlenen een volgende keer ook uitgenodigd te worden, in een andere gemeente van het kerkverband al helemaal niet. Er is bij bezoekers eenvoudigweg geen sprake van ‘toelaten’ in de zin van artikel 60 van de kerkorde. De parallel gaat dus niet op.

Kerkrechtelijk is het kernpunt rond de omgang met bezoekers bij het avondmaal zo weer te geven: het uitnodigen van een bezoeker om als gast het avondmaal mee te vieren is een zaak waarover altijd concreet in een bepaalde gemeente een ad hoc beslissing wordt genomen, zonder verdere rechtsgevolgen of implicaties voor andere gemeenten. Die beslissing ligt dan ook geheel, en rechtens geheel bij de kerkenraad ter plaatse (altijd onder verantwoording aan de gemeente). Omdat die beslissing niet verder reikt dan de concrete avondmaalsviering daar, is er op zichzelf geen enkele reden daar als kerkverband bindende uitspraken over te doen, zoals met het onderhavige toetsingskader.

Gemeenschap en heiligheid

Dat er een uitspraak over artikel 60 zou komen was gevraagd en dus logisch. Dat die uitspraak ook iets zegt over ‘het vraagstuk van de toelating tot het heilig avondmaal van gasten die geen lid zijn van een Gereformeerde Kerk’ was ook gevraagd en dus logisch. Maar dat die toespitsing het karakter zou krijgen van een algemeen bindend landelijk toetsingskader was niet gevraagd en is ook helemaal niet logisch. Toch hebben de broeders in Amersfoort daar kennelijk wel reden voor gezien.

Op basis van de teksten van de synode lijken twee algemene zaken op de achtergrond te spelen. In de woorden van de preses na afloop van de behandeling: het honoreren van de kerkelijke gemeenschap die aan het avondmaal zichtbaar wordt in een individualistische tijd, en: het waken voor ontheiliging van Gods verbond en het opwekken van Gods toorn over de hele gemeente. En let wel: die beide zaken kunnen kennelijk, naar het impliciete oordeel van de synode, niet aan de plaatselijke kerkenraden worden overgelaten, maar vragen om algemeen bindende kaders. Net zo goed als bij artikel 60 moet gezegd worden dat juist dat kennelijke maar impliciete oordeel van de synode expliciet had moeten worden beargumenteerd.

Immers, juist als je de gemeenschap wilt honoreren die aan het avondmaal zichtbaar wordt, sta je concreet voor de gemeenschap van de vierende plaatselijke gemeente. Avondmaal wordt noodzakelijk altijd gevierd op het niveau van de concrete gemeente. Dus ligt ook de verantwoordelijkheid voor de omgang met bezoekers op dat niveau. Een reden te meer om niet te tornen aan de opstelling van de synode van Leusden (zie boven). Toch doet Amersfoort dat wel. Naar de reden ervoor laat zich alleen maar raden, juist omdat er niet (verder) op ingegaan wordt.

Was de synode van mening dat er rond zo’n belangrijke zaak als de avondmaalsviering meer uniformiteit in de kerken moest komen? Waarom dat dan niet betoogd? Vond de synode de al bestaande (en vaak met instemming van de classis ingevoerde) regelingen in de kerken niet goed? Waarom dat dan niet verantwoord? Er is volgens de Acta een klein onderzoekje geweest naar de situatie in de kerken. Maar veel meer dan dat word je niet wijs. Wat is dan de reden dat deze materie niet gelaten kan worden waar ze hoort: bij de kerkenraden? Gingen discussies in de kerken misschien allerlei verkeerde kanten op en ontstond er onrust in de kerken? Maar van de uitvoerige discussies destijds over het onderwerp wordt in de teksten van de synode helemaal geen gebruik gemaakt.

Het tweede punt dan: het heilig houden van de avondmaalstafel. Dat duikt op in grond 3 van het besluit van Amersfoort (zie ook Zwolle-Zuid, besluit 2, grond 5). Het is kennelijk zo vanzelfsprekend dat het commissierapport in Amersfoort het niet nodig vindt erop in te gaan. Toch verdient ook dit punt argumentatie, juist tegenover het recht van plaatselijke kerkenraden. Dat is alleen al omdat de gedachte van het heilig houden van het avondmaal voor wat betreft wie daar aangaat in het Nieuwe Testament alleen voorkomt in het kader van het heilig houden van de gemeente: ‘binnen de gemeente geldt: “Verwijder wie kwaad doet uit uw midden.”’ (1 Korintiërs 5:13). In dat kader staat dan ook de opmerking: ‘Met zo iemand mag u beslist niet eten’ (5:11). In hetzelfde kader valt de opmerking uit antwoord 82 van de Heidelbergse Catechismus, dat Gods verbond ontheiligd wordt en zijn toorn over de hele gemeente wordt opgewekt wanneer tot het avondmaal toegelaten worden wie zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen. Alleen al blijkens de tekst van zondag 30 en 31 gaat het daarbij om ‘leden’ van de kerk, en dus om het heilig houden van de gemeente.

Dit lijkt misschien een spelen met woorden, omdat het heilig houden van de gemeente onder andere concreet wordt rond de avondmaalstafel. Maar het is belangrijk hier de accenten goed te zetten. Als het om heilig houden voor wat betreft wie er mee vieren gaat, hoort de aandacht primair gericht te zijn op de gemeente en haar functioneren. Gemeenteleden stellen zich bij hun openbare geloofsbelijdenis dan ook onder opzicht en tucht van de kerkenraad. Als uitdrukking daarvan ontzegt de raad onheilige gemeenteleden de toegang tot het avondmaal en kan hij in het uiterste geval tot excommunicatie overgaan. Intussen gaat het dan nog steeds primair om het heilig houden van de gemeente.

Opnieuw komen we dus uit bij de centrale positie van de plaatselijke gemeente. Zij moet heilig gehouden worden en bewaard blijven bij het gebod en de vrede van haar Heer. Hoe dat zich verhoudt tot het uitnodigen van bezoekers om het avondmaal als gast mee te vieren is iets wat noodzakelijk ter beoordeling staat van de kerkenraad ter plaatse: interne spanningen hierover horen in ieder geval niet bij een heilige gemeente. De kerkenraad is de enige die wat dit betreft overzicht heeft over de gemeente. Hij is ook degene die bezoekers in de ogen kan kijken en taxeren of ze kunnen worden uitgenodigd.

Losgemaakt uit deze setting van het heilig houden van de gemeente levert spreken over de avondmaalstafel als iets dat heilig gehouden moet worden een onterechte kramp op rond de viering. Bij het avondmaal komt het er dan speciaal op aan, en dus stellen we een ‘tafelwacht’ in en laten we alleen mensen toe die door onze keuring vooraf zijn gekomen. Stel je voor dat er eens iemand (een bezoeker?) zou zijn die de tafel ontheiligde en daarmee Gods verbond, en zo Gods toorn over de hele gemeente zou opwekken… Deze krampachtigheid speelt ook in de gemeente zelf vaak. Je moet je verzoenen vóór de avondmaalsviering (Jezus zegt: meteen, Mat. 5:23-26) en je speciaal beproeven vooraf op de punten waar je je iedere dag op zou moeten beproeven, etc.

Het heeft er alle schijn van dat we met dit nauwelijks gearticuleerde maar traditioneel erg dominante complex van gedachten rond het heilig houden van de tafel wel een kernmotivering voor het toetsingskader van Amersfoort raken. Het verklaart in ieder geval ook het opduiken van de anders totaal onbegrijpelijke gedachte dat gasten zich dienen te onderwerpen aan het toezicht van de kerkenraad (besluit B c, grond 7). Zie voor de vreemdheid en onwerkbaarheid van deze gedachte ook de artikelen van E.A. de Boer (boven).

Artikel 60 van de kerkorde heeft al heel lang een grote invloed op het denken over de rol van de kerkenraad bij de avondmaalsviering. Het kernwoord is altijd weer toelaten (al dan niet). En dat combineert maar al te goed met de gedachte van het zelfstandig heilig houden van de tafel. De zuinige en inperkende houding die dat oproept domineert onze kerken al heel lang. De keuzes uit de oude landskerk (zie boven) blijken tot op vandaag door te drukken. Juist in kerken die inmiddels een meer open opstelling hebben gevonden, bezoekers trekken en welkom heten, stuit die afwerende houding tegen de borst. Ondanks de opening die ten opzichte van het vrijgemaakte verleden gezocht en gevonden wordt in het toetsingskader domineert dezelfde afwerende houding ook nog alle teksten van Amersfoort-Centrum. Er moet op alle manieren worden nagegaan en gecontroleerd of er toch niet iemand ten onrechte aangaat. En zoals altijd bij bestuurders met een controlerende houding is er dan geen oog en geen respect voor de eigen verantwoordelijkheid van anderen, in dit geval de kerkenraden.

Omgaan met verschillen

Het ontbreken van serieuze argumentatie voor het verplicht stellen van het hanteren van dit toetsingskader is des te meer opvallend omdat de synode van Amersfoort-Centrum zich wel bewust was van bestaand verschil van inzicht en beleid in de kerken(raden) en zich er, volgens Zwolle-Zuid, zelfs van bewust was dat het genomen besluit die verschillen niet zou wegnemen (besluit 1, grond 2). In zo’n situatie een besluit nemen dat meer doet dan adviseren of helpen, maar bindende rechtskracht heeft, komt neer op proberen een bepaalde uniformiteit af te dwingen. Zowel kerkenraden die, om wat voor reden dan ook, het beleid hadden ook niet-gereformeerde christenen uitnodigden het avondmaal mee te vieren, als kerkenraden die, om wat voor reden dan ook, het beleid hadden om alleen hun eigen leden en leden uit zusterkerken toe te laten, hebben sinds de vaststelling van dit toetsingskader dat recht niet meer. Zwolle-Zuid probeert dat zoveel mogelijk te nuanceren (besluit 4, grond 1), maar staan blijft dat de in het toetsingskader genoemde ijkpunten een dwingend karakter hebben: dit zijn in ieder geval de criteria waar aan moet worden voldaan.

Ik zie er nu maar even van af dat synodes überhaupt het recht niet hebben op een onderwerp als dit bindende uitspraken te doen, in feite zelfs ongevraagd, omdat de vraag van Holland-Noord geen vraag om een bindend toetsingskader inhield. Maar dit is een zeer onverstandige manier om kerkrechtelijk met verschillen in de kerken om te gaan. Wanneer er verschillen van mening en beleid in de kerken zijn die (nog) niet te overbruggen zijn kun je adviserend proberen een gesprek verder te helpen, je kunt constateren dat de verschillende posities het over bepaalde zaken wel eens zijn, en je kunt je helemaal van een uitspraak onthouden, maar een compromis waar in ieder geval delen van de kerken zich zeker niet in kunnen vinden dwingend opleggen is het laatste wat je dan doet. Als er in een zaak niet licht een uitspraak is te doen die bij geen enkele kerkenraad of kerklid meer op bezwaren zou stuiten (Zwolle-Zuid, besluit 1), lijkt mij de regel dat je je als synode van elke uitspraak onthoudt. Zolang er gereformeerde kerken bestaan is over de omgang met gasten aan het avondmaal nooit eerder een kerkelijke uitspraak gedaan. De praktijk kon tot op 2005 ook best zonder. Er liep een discussie over, maar er lopen wel meer discussies, en de discussie had zich zeker niet zo toegespitst dat de eenheid en de vrede in de kerken er door in gevaar kwam. Dan is het vaststellen van een dergelijk verplichtend toetsingskader gewoon dom.

Ik heb sterk de indruk dat het besluit van Amersfoort-Centrum ook alleen maar tot stand heeft kunnen komen omdat de synode in ieder geval in meerderheid niet beseft heeft wat de portée van zijn besluit in dezen was. Er is in de teksten van de synode geen spoor van enig bewustzijn van de theologische lading van het genomen besluit. Er wordt een toetsingskader gegeven in het kader van een praktisch probleem, dat als compromis ergens tussen de verschillende posities in de kerken gaat staan en waarmee de kerken er verder praktisch wel uit zouden moeten kunnen komen. Dat het hier om veel meer dan een praktisch probleem gaat en dat een bindend toetsingskader dus links èn rechts niet maar op praktische maar ook op gewetensbezwaren zou stuiten lijkt onbewust gebleven. Het resultaat is een vorm van gewetensdwang die ik ervaar als een kerkrechtelijk onrechtmatige daad.

Procedureel

De manier waarop Zwolle-Zuid vervolgens met de ingediende bezwaren is omgegaan is kerkrechtelijk buitengewoon zwak. De basis-insteek is die van een procedurele omgang met de verzoeken om wijziging: de verzoeken voldoen niet aan de criteria die voor zulke verzoeken gelden. Zo’n benadering kun je misschien in het algemene statelijke recht nog verdedigen (al liggen ook daar ‘vormfouten’ terecht gevoelig), in de kerken is dit een teken van kerkrechtelijk onvermogen. Recht doe je aan mensen en niet aan regels. Regels horen te helpen recht aan mensen te doen.

Maar dat is niet alles: het argument is dat alle in de stukken ingebrachte aspecten bij de besluitvorming in de synode van 2005 aan de orde geweest zijn en in de besluitvorming betrokken. Dat lijkt mij niet alleen objectief niet waar. Zoals hier kan blijken zijn alleen al in mijn eigen tekst, die via Utrecht-NW en Groningen-O ter tafel lag, allerlei aspecten aan de orde geweest die in de besluitvorming van 2005 niet aan de orde zijn geweest. Maar vooral: het is helemaal niet interessant of aspecten, thema’s en dergelijk aan de orde zijn geweest en in de besluitvorming betrokken. Het gaat er bij dit soort verzoeken om herziening om dat de manier waarop die aspecten, thema’s en dergelijke aan de orde zijn geweest niet goed geweest is, of dat mensen het daar beargumenteerd mee oneens zijn. Als ik aangeef een besluit in strijd te vinden met bijbel, belijdenis en kerkrecht, slaat het nergens op om te zeggen: sorry, niet ontvankelijk, want bijbel, belijdenis en kerkrecht zijn aan de orde geweest. Op dit soort gronden beweren dat aan de criteria voor revisieverzoeken niet is voldaan komt neer op je ervan afmaken en is een directe belediging voor de kerken en gemeenteleden die om herziening vroegen. Je hoort tenminste op de gegeven argumenten serieus in te gaan.

Ter wille van een goede acceptatie van het besluit van de GS Amersfoort-C 2005 wil Zwolle-Zuid dan nog best wat zeggen over de ingebrachte bezwaren. Maar daarbij wordt niet meer gedaan dan een heel aantal dingen beweren of ontkennen: het zit zo, er wordt niet aangetoond, en dergelijk opmerkingen. In ieder geval voor wat betreft de tekst waar ik mee voor verantwoordelijk was moet ik zeggen dat er überhaupt niet inhoudelijk op is ingegaan en ik vermoed dat ditzelfde geldt voor andere teksten. Zoals ik me diep zou schamen als ik verantwoordelijk zou zijn voor een tekst van zo belabberd niveau als het rapport op basis waarvan de synode van Amersfoort-Centrum dit besluit genomen heeft, zo zou ik me diep schamen als ik verantwoordelijk zou zijn voor een zo erbarmelijke reactie als de synode van Zwolle-Zuid op de ingediende verzoeken heeft gegeven.

Schrift

In dit onderdeel gaat het er dus om te betogen dat het toetsingskader dat sinds 2005 in de kerken geldt over de omgang met gasten bij de avondmaalsviering op gespannen voet staat met wat de bijbel zegt over het avondmaal, over de kerk en over consistent spreken en handelen. Dat zijn verschillende dingen, die wel alles met elkaar te maken hebben. In principe vormt elk volgend onderdeel een afzonderlijk argument in mijn betoog.

Avondmaal: toelaten of uitnodigen?

In de jaren 2003-2004 werd in de kerkelijke bladen uitvoerig gediscussieerd over de omgang met bezoekers bij het avondmaal. Die discussie was helemaal geconcentreerd op de vraag naar de toelating van bezoekers. Ze liep grotendeels vast in praktische problemen. Vooral het voeren van ‘toelatingsgesprekken’ blijkt in de praktijk vaak niet haalbaar. Maar ook als dat wel lukt levert dat soort gesprekken vaak een slecht geweten op. Een oordeel vellen over de dienaar van een ander (Romeinen 14:4) voelt niet goed. Ook het toetsingskader van Amersfoort blijft helemaal bevangen in de vraag naar de toelating en is even onwerkbaar (E.A. de Boer). De conclusie dringt zich op dat de insteek via de toelating niet in orde is, al was het alleen al omdat ze geen werkbaar resultaat oplevert.

Dat de insteek via de toelating niet in orde is ligt ergens ook voor de hand. We hebben de concentratie op de toelating te danken aan een nu eenmaal gegeven en niet ideale historische situatie, namelijk die van de gereformeerde kerken net na de Reformatie. Ze moesten zich groeperen en handhaven in een in naam christelijke samenleving. Ze moesten dus selecteren: die wel en die niet. En ze hadden reden om de veilige weg te kiezen: alleen wie belijdenis van het geloof naar de gereformeerde religie doet, die wel. Wij leven niet meer in die situatie, geen wonder dat de oude insteek niet werkbaar meer is. Des te meer reden nog eens naar het geheel te kijken.

Wanneer je dan begint bij de bijbel valt in de eerste plaats op dat er erg weinig in staat over het avondmaal. Het is maar een klein beetje overdreven om te zeggen dat wij alleen dankzij de nodige misstanden in de gemeente van Korinte meer informatie hebben dan de instellingsverhalen uit de evangeliën. Het weinige wat er in de bijbel staat is bovendien door tweeduizend jaar kerkgeschiedenis op afstand gezet. Het avondmaal heeft zich ontwikkeld, los uit de bredere gemeentemaaltijd, het is gestileerd en tot een kern teruggebracht. De hele kerkgeschiedenis door is er gediscussieerd en is er verschil van mening geweest over de maaltijd van de Heer (eucharistie, avondmaal, maaltijd van de gemeenschap). We kunnen niet meer eenvoudig beginnen bij het begin. Dat neemt niet weg dat we een aantal belangrijke dingen heel duidelijk doorkrijgen vanuit de bijbel. Die vragen erom verwerkt te worden in de manier waarop wij vandaag avondmaal vieren.

Het eerste feit waar we als christenen allemaal mee te maken hebben is dat de Heer van de kerk ons heeft opgedragen het avondmaal te blijven vieren. Wanneer de kerk de gemeenschap is van leerlingen van Jezus die zich houden aan alles wat hij opgedragen heeft (Matteüs 28:19-20), dan staan we bij het avondmaal voor één van zijn duidelijkste opdrachten: ‘Doe dit, telkens weer, om mij te gedenken’ (Lucas 22:19). Avondmaal vieren is opdracht van Jezus Christus voor al de zijnen. Dat vraagt om vertaling naar onze situatie: in de kerk hoort het vanzelfsprekend uitgangspunt te zijn dat iedereen die bij Jezus hoort ook metterdaad avondmaal viert (zie B. Wentsel, Dogmatiek 4c, 199v). Het is geen gunst die je als christen verleend wordt, ook geen recht dat je krijgt na zoveel jaar catechisatie en een goedkeuring door de kerkenraad.

Het is de taak van een kerkenraad de gehoorzaamheid aan Christus’ geboden te stimuleren. Rond het avondmaal betekent dit dat het de eerste taak van de kerkenraad is de viering te organiseren, zo vaak als mogelijk, en allen die bij Christus horen uit te nodigen mee te doen en zijn opdracht uit te voeren. Die opdracht gèldt immers voor al degenen die bij Christus horen. Kerkelijk beleid hoort erop gericht te zijn dat dit gebeurt, niet alleen intern, door de ‘leden’ van de gemeente, maar ook extern, door andere christenen. De actie hoort niet uit te gaan van een bezoeker die toelating vraagt, maar van de kerkenraad die bezoekers uitnodigt mee te doen omdat de opdracht van Christus ook voor hen geldt.

Intussen gaat het daarbij wel om beleid. Het avondmaal is een een eigenaardig onderdeel van de eredienst. De andere onderdelen zijn niet alleen publiek, maar ook publiek toegankelijk — of ze horen dat in elk geval te zijn. Verkondiging richt zich tot iedereen, iedereen kan mee bidden, lezen, zingen, luisteren, geven. Maar niet iedereen kan avondmaal meevieren. Het avondmaal heeft Christus alleen voor de zijnen ingesteld. Het is zelfs min of meer toevallig dat we het avondmaal in een publieke eredienst vieren. In de oude kerk werden alle niet-gedoopten weggestuurd vóór het avondmaal. De redenering dat willekeurige bezoekers moeten worden uitgenodigd omdat het avondmaal in een publieke eredienst gevierd wordt gaat dus in elk geval niet op, evenmin als een redenering vanuit de gastvrijheid van de gemeente. Het avondmaal is niet ingesteld bij één van de vele publieke maaltijden die Jezus hield, maar bij een besloten pesachmaal met zijn leerlingen (Lucas 22:14v).

Avondmaal vieren is bovendien iets wat je doet en waarmee je al doende allerlei verklaart. Het is een veelbetekenende handeling (sacrament), waarin je verklaart samen als broeders en zusters Christus te willen ontvangen, delen en verwachten; waarin je eveneens verklaart dat deze tafelgemeenschap bestaat uit broeders en zusters van jou in Christus die je ook zo wilt behandelen. Dat moet je wel kunnen en willen doen en verklaren.

Maar het uitgangspunt hoort de opdracht van Christus te blijven. De opstelling die daarbij hoort is die van ‘ja tenzij’ en niet die van ‘nee tenzij’. Dat is nu net het verschil tussen uitnodigen en toelaten. Bij toelaten ga je ervan uit dat niemand mee mag doen behalve degene die jij toelaat. Bij uitnodigen ga je ervan uit dat iedereen mee moet doen behalve degenen die niet mee kunnen doen. Dat is de houding die past bij Jezus’ woorden: ‘Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Het is deze houding die erom vraagt vorm te krijgen bij de omgang met bezoekers. Maar daar niet alleen. Wie werkelijk start bij de opdracht van Christus merkt vanzelf dat het verschil tussen ‘leden’ en gasten bij de avondmaalsviering niet zo groot is als wij het zomaar maken. Uiteindelijk zijn we allemaal gast aan tafel bij hem, en doen we wat hij ons heeft opgedragen.

Starten bij de opdracht van Christus is in ieder geval niet iets wat de synode van Amersfoort-Centrum gedaan heeft bij de opstelling van dit toetsingskader. In rapport en besluit wordt er zelfs niet naar verwezen. Dat verklaart mede de vreemde bepaling dat leden van kerken waarmee geen zusterkerkrelatie bestaat een aanvaardbare reden moeten hebben het avondmaal in deze gemeente mee te vieren. Wie christen is heeft altijd de beste reden om het avondmaal mee te vieren in elke gemeenschap van christenen waar dat gebeurt: de Heer heeft het opgedragen. Telkens opnieuw…

Avondmaal en kerk: katholiciteit

De viering van het avondmaal is het hart van kerk zijn. Aan de tafel van de Heer, als we brood en beker delen als teken van zijn lichaam en van het nieuwe verbond in zijn bloed, wordt precies die gemeenschap zichtbaar die de kerk is. De gemeenschap van de heiligen wordt in geconcentreerde vorm zichtbaar in de gemeenschap aan de heilige dingen: brood en beker. De (gestileerde) maaltijd haalt daarbij naar voren dat het in de kerk niet maar om waarheden of overtuigingen gaat, maar om werkelijke levensgemeenschap met Jezus Christus en door hem met elkaar. Ook daarover is de bijbel duidelijk en daarin wil ze serieus genomen worden in onze kerkelijke situatie.

De gemeenschap met Christus en met elkaar in een avondmaalsviering is heel sterk. Beker en brood zijn gemeenschap met het bloed en het lichaam van Christus (1 Korintiërs 10:16). Het brood is Jezus’ lichaam dat voor ons gegeven is en de beker is het nieuwe verbond dat door zijn bloed gesloten wordt (Lucas 22:19-20). Het is niet voor niets dat er eeuwenlang gediscussieerd is over de betekenis van dat Nederlandse ‘is’. ‘Betekent’ is in ieder geval veel te weinig als weergave, ook al is dat in de gemeenten de meest voorkomende gedachte (in de praktijk zijn de meeste gereformeerden Zwinglianen). Het gaat om een werkelijk ‘staan voor’ dat ook een werkelijke aanwezigheid insluit (vgl. N.T. Wright, The Meal Jesus Gave Us, hoofdstuk 12).

Door gelovig het brood te eten en uit de beker te drinken maak je je Jezus en waar hij voor leefde zo eigen dat de Catechismus de vergelijking kan maken met de gemeenschap van man en vrouw: vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente (antwoord 76). Met alle effecten van dien. Want het teken van het brood verdwijnt wel bij het eten, maar de betekende zaak van het lichaam van Christus verdwijnt niet: de tafelgenoten blijken ledematen van dat lichaam (vgl. W. Pannenberg, Systematische Theologie, III,332). En het teken van de beker met wijn verdwijnt wel, maar de betekende zaak niet: de tafelgenoten blijken Geest-begaafde participanten in het nieuwe verbond, kinderen van God. De gemeenschap die gevormd wordt aan de tafel kan dan ook zelf lichaam van Christus genoemd worden. Het ‘lichaam van de Heer’ dat volgens 1 Korintiërs 11:29 onderscheiden moet worden is evenzeer de gemeente als het fysieke lichaam van Christus dat betekend wordt in de viering: ‘The “body” which is to be recognized is both the presence of the Lord in the eucharistic elements and the unity of the church that shares the bread. The two belong together.’ (N.T. Wright, Paul for Everyone. 1 Corinthians, 151; vgl. R.W. Jenson, Systematic Theology II,211). In de tafelgemeenschap wordt de gemeente als lichaam van de Heer concreet, hier en nu.

Kijk je van daaruit naar de kerk, dan word je in ieder geval tegelijk bij twee punten bepaald: aan de ene kant dat het bij kerk altijd om concrete gemeenschappen van gelovigen gaat, om mensen die samen maaltijd houden — aan de andere kant dat het in die gemeenschappen gaat om het éne lichaam van Christus: het is de tafel van het éne Hoofd van de éne kerk, de tafel van Eén. We zijn in onze traditie gewend de nadruk op het eerste te leggen: het avondmaal als hoogtepunt van onderlinge gemeenschap. Dat is ook waar. Maar het gaat echt om twee punten. Juist het avondmaal stelt ons daarin voor de vraag naar de verhouding tussen de concrete gemeente hier en de éne, heilige, algemene christelijke kerk.

Bij die vraag stuiten we op de grote, de diepste spanning die er in ons kerk zijn zit. Want op zichzelf zou de verhouding tussen een plaatselijke gemeente en de grote kerk van alle tijden en plaatsen geen probleem hoeven te zijn. In het Nieuwe Testament is ze dat ook niet (H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek IV,7 [eerste druk]). De enige reden waarom we in de grote kerk niet gezamenlijk avondmaal vieren is daar ons leven in de spreiding van ruimte en tijd. Daar zit geen spanning in. Alleen: we leven als christenen al heel lang met de situatie van een gedeelde kerk. Er bestaat concreet niet meer zoiets als een éne, heilige, algemene christelijke kerk. Er bestaan alleen maar verschillende kerken die het onderling niet eens zijn en die onderling niet één zijn, maar wel allemaal lichaam van Christus willen zijn. In die situatie van een gedeelde kerk zit er onontkoombaar een onoplosbare spanning in ons kerk zijn (vgl. R.W. Jenson, Systematic Theology I,vii). En juist aan het avondmaal merk je dat. De enige kerk die er mag bestaan onder de éne Messias Jezus is de éne, heilige, algemene christelijke kerk. Dat is de kerk die we geloven. Maar in de werkelijkheid hier komt die kerk alleen voor als die en die bepaalde kerk of kerkengroep, onderscheiden van andere.

Deze spanning tussen het eigene van ons concreet gereformeerde kerk zijn en het algemene van de christelijke kerk laat zich door ons niet oplossen. Het enige alternatief is claimen dat een bepaalde kerk of kerkengroep eenvoudig de éne, heilige, algemene christelijke kerk is. De enige kerk die dit zo consequent mogelijk volhoudt is de rooms-katholieke. Wij mogen er in onze geschiedenis wat mee geëxperimenteerd hebben, dit is, bij alle goede bedoelingen, toch de innerlijke tegenspraak van de sekte, waar je als kerk aan te gronde gaat (vgl. H. Bavinck, De Katholiciteit van christendom en kerk, 52). Iedere avondmaalsviering, waarin een concrete gemeente zich verenigt met haar Heer, die de Heer van de kerk is, bepaalt je tenslotte bij deze spanning. We zullen als gereformeerden moeten leren die spanning te hanteren zonder haar op te lossen en de pijn ervan uithouden, juist aan de tafel waar we komen tot de éne Geneesheer.

Intussen krijgt in iedere avondmaalsviering de vraag naar de verhouding van deze concrete gemeente en de éne, heilige, algemene christelijke kerk wel altijd en onontkoombaar een bepaald antwoord. Je kunt er blij mee zijn of niet, je kunt je er zelfs helemaal niet van bewust zijn (zoals er zoveel is rond een avondmaalsviering waar veel mensen zich niet bewust van zijn), het is toch zo. Laat je alleen mensen toe die willen instemmen met de gereformeerde belijdenis, dan zeg je daarmee met zoveel daden dat je de éne, heilige, algemene christelijke kerk niet wijder ziet reiken dan de grenzen van de gereformeerde wereld. Beperk je het avondmaal als aperitief van de bruiloft van het Lam tot gereformeerden dan impliceert dat de gedacht dat die bruiloft zelf wat jou betreft tot gereformeerden beperkt is. Het kan best zijn dat je zoiets niet wilt beweren, maar door zo te handelen bij de tafel van het éne Hoofd van de éne kerk als toetsingskader voorschrijft, doe je het toch. Bezoekers die om die reden niet welkom zijn aan het avondmaal voelen dat meestal prima aan: ‘wij zijn als christenen kennelijk niet goed genoeg’.

Het wordt uit de teksten van de synode van Amersfoort-Centrum niet duidelijk in hoeverre dit bewust en overwogen gebeurd is, maar door de kerkenraden voor te schrijven dat een gast aan het avondmaal ‘instemt met de gereformeerde belijdenis’ (besluit B.b.) heeft de synode tegelijk de kerkenraden verplicht het avondmaal te reduceren tot een maaltijd van gereformeerden — zij het in iets bredere zin dan sommigen misschien gewend waren — en voor de kerk niet wijder te kijken dan de horizon van de gereformeerde wereld. Juist in het hart van ons kerk zijn, oog in oog met onze éne Heer, is dat schokkend. De katholiciteit van de Gereformeerde Kerken is er door verloochend, ongetwijfeld onbewust, maar daarmee niet minder werkelijk. De simpele bewering van Zwolle-Zuid dat dit bezwaar tekort doet aan het katholiek karakter van de gereformeerde leer (besluit 2, grond 9) laat alleen maar zien dat de synode geen idee heeft waar het hier over gaat.

En dat terwijl juist gereformeerde kerken begonnen zijn met katholiek zijn op de enige manier waarop dit in de gedeelde kerk nog kan: open en met overtuiging jezelf zijn, je papieren op tafel leggen en de hele range aan andere kerken en christenen ter discussie nodigen. De tijd van het ontstaan van de gereformeerde belijdenissen was niet voor niets de tijd van de grote godsdienstgesprekken. Gereformeerden willen altijd op hun manier christelijke kerk zijn. Alleen randfiguren in de gereformeerde traditie hebben daar de conclusie aan verbonden dat de gereformeerde kerken de christelijke kerk zijn. Bij gereformeerd zijn hoort onlosmakelijk het besef dat je niet als enige christelijke kerk bent. Dat vraagt om nuchtere vormgeving bij het vieren van het avondmaal: met overtuiging je eigen gereformeerde avondmaalsviering houden en tegelijk andere, ook niet-gereformeerde christenen uitnodigen mee te doen.

Avondmaal en kerk: eenheid

Wat in iedere avondmaalsviering zichtbaar wordt is hoe de gelovigen ‘allen samen en ieder persoonlijk gemeenschap hebben met Christus de Heer en deel hebben aan al zijn schatten en gaven’. Tegelijk geven we brood en beker aan elkaar door en drukken daarmee uit dat we ons verplicht weten ‘onze gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken’ (Heidelbergse Catechismus, antwoord 55). Juist aan de avondmaalstafel ontvangen we elkaar als broers en zussen in Christus uit zijn eigen handen. De gemeente wordt in de viering geconstitueerd als open levende gemeenschap, één lichaam in woord en daad.

We zijn in onze traditie gewend deze volgorde om te draaien en alleen diegenen aan het avondmaal toe te laten met wie we al verregaand één zijn. Bij kerkelijke samensprekingen bijvoorbeeld hoorde het aanvaarden van elkaars leden aan het avondmaal bij de laatste fase, als een doel aan het einde van een lang proces van onderhandelen. Ook het toetsingskader van Amersfoort-Centrum staat in deze lijn. Bezoekers mogen alleen gasten worden wanneer ze met ons één zijn in de gereformeerde leer, door hun deelname dienstbaar zijn aan de opbouw van de gemeente en zich onderwerpen aan onderlinge tucht en toezicht van de kerkenraad. Dat is een nauwkeurige omkering van de volgorde van het avondmaal zelf: eerst je gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde gebruiken en dan pas gemeenschap mogen hebben met Christus de Heer — of tenminste als mensen die gemeenschap met Christus hebben erkend worden. Effect van deze omkering is dat de gemeente (of de Gereformeerde Kerken) een zelfstandige grootheid wordt die zich tussen Christus en zijn christenen in plaatst. De eenheid met de gemeente(n) wordt een voorwaarde voor de (erkenning van de) eenheid met Christus. Er is al wel vaker geconstateerd dat de oudere vrijgemaakte concentratie op de kerk het effect had dat de kerk tussen Christus en de gelovigen in kwam te staan. Ook al was dat zeker niet zo bedoeld, er was reden voor die constatering. Dat wordt helder zichtbaar bij de avondmaalsviering.

Deze omkering staat niet alleen op gespannen voet met het evangelie zelf, maar ook met wat de bijbel zegt over het avondmaal. Nogmaals: dat is niet zo veel en heeft meestal nog de setting van het algemenere samen eten. Maar dit is wel duidelijk: als Christus het avondmaal instelt en zijn leerlingen opdracht hem te blijven gedenken in brood en beker, richt hij hen op zichzelf als de bron voor hun eenheid en constitueert hij hun gemeenschap als de gemeenschap van het nieuwe verbond in zijn bloed. In dat nieuwe verbond worden allerlei oude grenzen neergehaald, juist door Jezus de Messias: ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen — u bent allen één in Christus Jezus’ (Galaten 3:28, vgl. Kolossenzen 3:11). Het is precies die nieuwe eenheid in Christus die gevierd wordt in een gezamenlijke maaltijd.

De paar dingen die we verder in het Nieuwe Testament nog over het avondmaal tegenkomen raken dan ook praktisch allemaal de bescherming van die in Christus gewortelde eenheid. Als in Handelingen 6 de weduwen van de Grieks sprekenden tekort komen bij de maaltijd, en zo de eenheid van het lichaam tekort komt, stellen de apostelen ‘de zeven’ aan om voor de gemeenschappelijke maaltijden zorg te dragen. Als in Antiochië de tafelgemeenschap wordt gesplitst in een tafel voor Joden en een tafel voor Grieken, voelt Paulus zich genoodzaakt fors op te treden (Galaten 2:11-14). Als in Korinte de tafel uiteenvalt in een vreetmaal voor rijken en een hongermaal voor armen zegt Paulus zelfs dat het niet meer de maaltijd van de Heer is waarvoor ze bijeenkomen (1 Korintiërs 11:20, zie ook Judas :12). Telkens weer gaat het er om het besef te bewaren dat samen eten een teken was van het neerhalen van de grenzen tussen christenen van verschillende groepen: Jood en Griek, rijk en arm, etc. ‘Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood’ (1 Korintiërs 10:17, zie N.T. Wright, The Meal Jesus Gave Us, 81f.).

De eenheid van de kerk als gemeenschap der heiligen komt voort uit de eenheid met Christus. Dat is wat vorm krijgt in elke avondmaalsviering en wat vervolgens vraagt om uitwerking in de praktijk. Als het gaat om de verhoudingen binnen de gemeente weten we dit wel. We zoeken elkaar niet uit als gemeenteleden, maar ontvangen elkaar uit Christus’ hand om iets goeds met elkaar te doen. Maar er is geen enkele reden dit niet toe te passen op andere christenen, concreet op bezoekers in de diensten. De gemeenschap der heiligen die ontspringt aan eenheid met Christus reikt een heel stuk verder dan onze gemeente of onze Gereformeerde Kerken. Wie een gereformeerde kerk bezoekt en zich geeft als broer of zus in onze Heer en bereid is ook ons als zodanig te behandelen verdient het uitgenodigd te worden het avondmaal mee te vieren. We ontvangen ook hem of haar uit Christus’ hand en hebben geen enkele legitimatie daar zelf nog wat in uit te zoeken.

Door zo de bijbelse volgorde aan te houden die in het avondmaal gestalte krijgt komt het avondmaal als gemeenschapsmaal helemaal niet onder druk te staan. Integendeel, het komt zo pas echt tot zijn recht. De bezoeker die gast wordt en meeviert krijgt de concrete avondmaalsgangers in deze gemeente als zijn of haar broers en zussen — en andersom. Juist als je zichtbaar en tastbaar deel hebt aan Christus en al zijn schatten en gaven en de tekens daarvan doorgeeft aan elkaar word je gedwongen tot het uiterste te gaan in de inzet van jezelf voor de ander. Dat kan best telkens iets anders betekenen, net naar de aard van het bezoek (incidenteel, regelmatig, op weg naar ‘lid’ worden of niet). Maar zo is tenminste duidelijk dat het de band aan Christus is die samenbindt en niet de band aan een gemeente (die ook alleen maar gemeente kan zijn door de band aan Christus). En zo is tenminste ook duidelijk dat de horizon van de gemeenschap van de avondmaalsviering niet de horizon is van de gemeente (of van het kerkverband), maar die van de grote kerk van de éne Heer. Je schuift aan aan de tafel van Eén.

Andersom komt juist door de omkering van de bijbelse volgorde het avondmaal als zodanig onder druk te staan. Je kunt prima ervaring van gemeenschap hebben met jouw gemeente, maar het is dan een van de grote kerk van de éne Heer afgezonderde gemeenschap, wat je eigen pretenties ook zijn. En zou het nu werkelijk zoveel uitmaken of je de tafelgemeenschap uit elkaar laat vallen langs de grenzen van rijk of arm of Jood of Griek, of dat je dit doet langs de grenzen van gereformeerd of niet-gereformeerd? De sfeer is in ieder geval zomaar dezelfde. Volgens Paulus is het dan nog maar de vraag of het überhaupt nog over avondmaal gaat (1 Korintiërs 11:20).

Alle spreken en nadenken over de eenheid van de kerk kan niet anders dan voortkomen uit de eenheid met Christus. Precies omdat we door Woord en Geest in geloof één geworden zijn met hem, zijn we verplicht die eenheid in geloof te zoeken en vorm te geven met alle anderen, wie ze ook zijn, die door Woord en Geest in geloof deel hebben aan Christus (één heilige, algemene christelijke kerk).

Dat is de bron van kerkelijke gemeenschap in een kerkverband. Dat niet alleen de gelovigen maar ook gemeenten hun gaven willen inzetten tot nut en heil van andere gemeenten is wat een kerkverband uitmaakt. De gemeenschap aan de tafel van Eén vraagt om de gemeenschap van de tafels van Eén. Maar dat is net zo goed de bron van alle christelijke gemeenschap buiten een kerkverband. Treffen we elkaar op het niveau van kerkverbanden dan impliceert dat de wil en de inzet om elkaar zo ver mogelijk te zoeken in de verbondenheid met Christus. Treffen we elkaar op het niveau van individuen of van individu en gemeente, dan is daar ook de band met Christus beslissend. Een kerk is een open gemeenschap waar iedereen die aan Christus deel heeft welkom is, of het is geen echte kerk.

Het is belangrijk dit niet te laten doorkruisen door de feitelijke situatie van een kerkverband of traditie. Het ontvangen van gasten aan het avondmaal en het bestaan van een kerkverband staan principieel op hetzelfde niveau: het zijn beide uitwerkingen van de eenheid in geloof met Christus. In beide gevallen gaat het om onze inzet naar elkaar toe vanuit de gemeenschappelijke band met Christus. Beide zijn belangrijk en mogen niet met elkaar verrekend of op elkaar in mindering gebracht worden. Je kunt niet zeggen: omdat we het zo belangrijk vinden dat je bij onze gemeente, ons kerkverband of onze traditie hoort vinden we het minder belangrijk dat je met ons het avondmaal viert. Je kunt ook niet zeggen: omdat we het zo belangrijk vinden dat je met ons het avondmaal viert vinden we het minder belangrijk dat je bij onze gemeente, ons kerkverband of onze traditie hoort. Beide reacties kunnen niet omdat het de band met Christus is die christenen aan elkaar geeft. Verbonden met antwoord 55 van de Catechismus: als we niet telkens weer starten bij het ten eerste gaat het bij het ten tweede altijd fout.

Kijk je van hieruit naar het toetsingskader van Amersfoort-Centrum dan is duidelijk dat dat een variant geeft van de eerste net genoemde stelling. Zonder dat dit ooit officieel geijkt is had de oude vrijgemaakte praktijk rond de omgang met bezoekers bij de avondmaalsviering de vorm van: omdat we het zo belangrijk vinden dat je bij ons kerkverband hoort vinden we het minder belangrijk dat je met ons het avondmaal viert. Wat het toetsingskader nu doet is dit iets oprekken: omdat we het zo belangrijk vinden dat je bij onze gereformeerde traditie hoort vinden we het minder belangrijk dat je met ons het avondmaal viert. Dat blijft nog steeds een onmogelijke positie. Ze rekent niet met wat de bijbel zegt over de eenheid van de kerk in Christus.

In onze kerken is het altijd een belangrijk punt geweest dat we over de kerk moesten nadenken vanuit de Schrift en niet vanuit allerlei gegevens in de werkelijkheid. Daarom was er zoveel kritiek op wat mensen als Kuyper en Bavinck over de kerk zeiden. Het wordt tijd daar eens echt consequent in te worden. De historisch gegroeide en bepaalde feitelijke situatie van ons kerkverband mag ook niet de vanzelfsprekende achtergrond zijn van waaruit we over de kerk denken en spreken. Een kerkverband is geen normatief gegeven, maar een menselijke vormgeving van de gemeenschap die we uit Christus’ hand ontvangen. Juist omdat Christus zijn kerk vergadert door Woord en Geest en constitueert rond de tafel van Eén, ontvangen we altijd meer gemeenschap uit zijn hand dan we in een kerkverband kunnen vormgeven. Dat vraagt er om aan Christus’ tafel zichtbaar te zijn.

Avondmaal: heiligheid

Er is een duidelijke en voor de hand liggende reden waarom het avondmaal heilig genoemd kan worden. Die is dat het daarin gaat om het heilige brood en de heilige drank die we tot Christus’ gedachtenis ontvangen. Omdat het in een avondmaalsviering om Jezus Christus gaat is het een heilige maaltijd. Net zo als hij de bron is van de eenheid van de avondmaalsgangers is hij de bron van hun heiligheid. Dat is de kern van het evangelie: wij komen niet tot het avondmaal om daarmee te kennen te geven dat wij in onszelf volmaakt en rechtvaardig zijn, integendeel, met dat wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken erkennen we dat wij midden in de dood liggen.

Deze heiligheid vraagt vervolgens om heiligheid van de deelnemers aan de viering. In 1 Korintiërs 10 spreekt Paulus over het avondmaal als over het offermaal van Christus, waarbij de beker ons één maakt met het bloed van Christus en het brood ons één maakt met het lichaam van Christus. Net zo gaven de oudtestamentische offermaaltijden deel aan het altaar en zo deel aan het eigen leven van God (zie N.T. Wright, Paul for Everyone. 1 Corinthians, 131; de NBV is hier misleidend door het invoegen van ‘tempeldienaars’). De consequentie is: ‘U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit die van demonen, u kunt niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer en ook aan die van demonen’ (10:21). Precies omdat het in het avondmaal om werkelijke eenheid met Christus gaat, ‘maakt iemand die op onwaardige wijze van het brood eet en uit de beker van de Heer drinkt, zich schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer’ (11:27). Omdat dit in Korinte gebeurde waren er veel zwakke en zieke mensen en waren er al velen onder hen gestorven (11:30. Dat was een oordeel van de Heer (11:32).

Binnen het geheel van de brief aan Korinte komen in dat ‘op onwaardige wijze’ eten en drinken verschillende lijnen bij elkaar. In de eigen context gaat het om een manier van vieren waarin men niet gastvrij is voor elkaar (11:33), waardoor de een honger heeft en de ander dronken is (11:21). Dat is een onwaardige wijze van eten vanwege het gebrek dat het in de maaltijd èn in de gemeente om het lichaam van de Heer gaat (11:29). Binnen de iets ruimere context zijn er ook echo’s van het al te vrijmoedig eten van aan afgoden gewijd offervlees (10:21) en het daarin niet reken met het geweten van anderen (10:28v). Dat is een teken van gebrek aan besef dat het echt om eenheid met Christus gaat (10:16v). In het nog ruimere kader van de brief klinkt ook 5:8 mee: ‘Laten we daarom het feest niet vieren met de oude desem van kwaad en ontucht, maar met het ongedesemde brood van reinheid en waarheid’. We hoeven tussen deze drie lijnen niet te kiezen, zolang maar duidelijk is dat het in alle drie om implicaties van het offermaal van Christus gaat (zie ook W. Pannenberg, Systematische Theologie III,360f). Elk van deze drie manieren van ‘op onwaardige wijze’ eten is onmogelijk bij het deel hebben aan Christus en door hem met zijn gemeente. Het toch proberen betekent je veroordeling over jezelf afroepen (11:29).

Intussen is de reactie van Paulus op de situatie in Korinte tamelijk gedifferentieerd. En daar valt iets van te leren. In de eerste plaats vinden we opmerkingen die met de organisatie van het avondmaal te maken hebben. In het kader van het heilig houden van de gemeente (de derde lijn hierboven) is Paulus daarin rigoureus: ‘u mag niet omgaan met iemand die zichzelf een broeder of zuster noemt, maar in feite een ontuchtpleger is, een geldwolf, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of uitbuiter. Met zo iemand mag u beslist niet eten’ (5:11). Net zo rigoureus is hij als het gaat om de inkleding van de maaltijd zelf in hoofdstuk 11 (de eerste lijn hierboven): dat verdient in Korinte de naam van maaltijd van de Heer niet (11:20). In de tweede plaats vinden we relatief veel onderwijs over waar het in het avondmaal om gaat. Het is het offermaal van Christus dat ons metterdaad één lichaam maakt (10) en dient om gezamenlijk metterdaad zijn dood te verkondigen: doe dit, telkens weer, om mij te gedenken (11). In de derde plaats vinden we opmerkingen over het aangaan aan het avondmaal, met daarin centraal: ‘Laat daarom iedereen zichzelf eerst toetsen op het besef dat het om het lichaam van de Heer gaat, voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt’ (11:28v).

Paulus spreekt in 1 Korintiërs ambtsdragers en gemeenteleden niet afzonderlijk aan, maar deze differentiatie laat zich wel goed toepassen op onze situatie. Als het gaat om de heiligheid van het avondmaal heeft een kerkenraad duidelijk zijn verantwoordelijkheid in de organisatie van het avondmaal en het onderwijs daarover. De verantwoordelijkheid van de gemeente en van eventuele bezoekers/gasten in de gemeente ligt bij het aangaan. Op dat onderwijs ga ik hier niet verder in, wel nog even over organisatie en aangaan.

Als we beginnen bij 1 Korintiërs 10 en 11 is duidelijk dat de primaire taak van de kerkenraad bij de organisatie van het avondmaal is dat hij het volstrekt duidelijk laat zijn dat het om de tafel van Eén gaat. Het is een heilige maaltijd omdat Jezus er in aanwezig is en deel geeft aan zichzelf. Wanneer dat, ook in de vormen en de wijze van vieren (op waardige en niet op onwaardige wijze), niet duidelijk is, wordt het avondmaal niet heilig gehouden. Zoals boven al vanuit een ander gezichtspunt is aangegeven moet de vraag serieus gesteld worden of een viering die vanuit de wens de tafel heilig te houden andere integere christenen uitsluit niet zèlf een ontheiliging van de tafel inhoudt.

Geen we vervolgens terug naar 1 Korintiërs 5 dan is duidelijk dat het bij redenen om ‘met iemand beslist niet te eten’ niet om kleinigheden of discutabele zaken gaat. Hier ligt alles op het niveau van ‘ongelovig en goddeloos’. Ik kom er straks nog op dat dit ook het niveau is waarop de Heidelbergse Catechismus spreekt. Er is dan sprake van evidente tegenstrijdigheid tussen het deel willen hebben aan Christus en het leven van mensen.

Inclusief het onderwijs is het daarmee met de verantwoordelijkheid van een kerkenraad voor het heilig houden van het avondmaal wel gedaan. Aan een dergelijk heilig avondmaal kan uitgenodigd worden wie bij Christus hoort en deel heeft (en steeds meer wil krijgen) aan zijn heiligheid. Het jezelf toetsen voor het avondmaal is en blijft altijd de verantwoordelijkheid van de avondmaalsganger. Al mag daar best bij aangetekend worden dat Paulus er niet van uit gaat dat de uitkomst van die toetsing is dat iemand het avondmaal niet viert (zie ook C. Trimp, Woord, water en wijn, 88). De opdracht van Christus is duidelijk genoeg. Het lijkt er eerder op dat Paulus uitgaat van het alternatief: óf je onderzoekt en beoordeelt jezelf en je verzekert jezelf ervan dat je gedrag past bij deze maaltijd, óf je komt oog in oog te staan met het onderzoek en het oordeel van de Heer zelf (11:27-31, zie N.T. Wright, Paul for Everyone. 1 Corinthians, 151).

Bij dat jezelf toetsen hoeven we intussen ook niet te kiezen tussen de bovengenoemde drie lijnen. Wel kan het geen kwaad in gereformeerde kerken speciaal te herinneren aan de gemeenschapsdimensie bij het avondmaal. Het ging er in 1 Korintiërs 11 juist om dat men niet alleen het lichaam en bloed van Jezus zelf zou erkennen in zijn offermaal, maar ook de eenheid van de gemeenschap als zijn lichaam zou onderscheiden. Avondmaal vieren impliceert altijd je mede-avondmaalsgangers met zoveel daden accepteren als mede-heiligen in Christus. Jezelf toetsen bij het avondmaal gaat niet over de vraag of jij zelf je zonden kent, zelf vertrouwt op Jezus en nu dankbaar wilt zijn — dat moet je elke dag doen — maar over de vraag of jij metterdaad van Jezus wilt leven en deze mensen als je broers en zussen ontvangen. Dat is de laatste motivatie voor Paulus’ oproep: ‘Daarom, broeders en zusters, wees gastvrij voor elkaar wanneer u samenkomt voor de maaltijd’ (11:33). Er is alle reden om dat toe te passen op de omgang met christen-bezoekers in onze diensten. En omgekeerd: van deze bezoekers mag gevraagd worden dat ze de gemeenteleden werkelijk als mede-heiligen in Christus waarderen willen ze überhaupt gast kunnen worden aan de tafel van de heilige Heer.

Consistentie

Bij de vraag hoe om te gaan met bezoekers in diensten waarin het avondmaal gevierd wordt speelt tenslotte de vraag naar de consistentie tussen wat in de eredienst gezegd wordt tegen iedereen en wat vóór de eredienst gezegd wordt tegen bezoekers. In de dienst worden in de formulieren uitgenodigd alle mensen die hun zonden kennen, hun Verlosser kennen en oprecht hem willen volgen. Verder is er nog een opmerking over de gemeenschap van het ene brooden de verplichting die deze schept en worden allen terug gewezen die zich in woord en wandel als ongelovigen gedragen. Dat is het ook wel. Het is de toonhoogte van het christelijk geloof. En zo past het ook bij een kerk die zich, ook als gereformeerde kerk, als christelijke kerk constitueert rond de tafel van Eén.

Wanneer dit soort dingen in de eredienst gezegd worden mag een kerkenraad vóór de eredienst tegen bezoekers niet iets anders zeggen. Juist in de kerk geldt de opdracht van de Heer van de kerk: ‘Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad’ (Matteüs 5:37). Er valt helaas niet te ontkomen aan de constatering dat alle drie de criteria die het toetsingskader van Amersfoort-Centrum heeft gegeven voor een ‘ja’ vóór de dienst toevoegsel zijn aan het ‘ja’ in de dienst. Het is allemaal ongetwijfeld niet zo bedoeld, maar goede bedoelingen helpen hier niet verder. Wat in de dienst klinkt moet ook vóór de dienst klinken. Voor ieder ‘meer’ ontbreekt de legitimatie van de Heer van de kerk.

Dat betekent inderdaad dat er van bezoekers minder gevraagd wordt dan van ‘leden’ van de gemeente. Wat in artikel 60 van de kerkorde staat gaat óók uit boven wat bij de avondmaalsviering gezegd wordt. Dat is overigens niet omdat we van leden wèl instemming vragen met de gereformeerde belijdenissen. Belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer is gewoon wat er gebeurt bij de openbare geloofsbelijdenis en de doop: instemmen met de leer van de bijbel die in de Twaalf Artikelen is samengevat en in de (let op!) christelijke kerk hier actief geleerd wordt en je voegen onder dat leren. Binding aan de vastgelegde gereformeerde belijdenissen geldt in gereformeerde kerken alleen voor ambtsdragers (zie ook E.A. de Boer, boven).

Maar ook afgezien hiervan wordt er van ‘leden’ bij de openbare geloofsbelijdenis meer gevraagd dan bij het avondmaal. Dat is niet inconsistent omdat het bij de openbare geloofsbelijdenis om meer gaat dan om het meevieren van het avondmaal. Het gaat ook om ‘lid’ worden van de gemeente (lidmaatschap in volle rechten, inclusief zaken als stemrecht). Wanneer iemand dat wil is het zinnig dat een kerkenraad toetst of iemand werkelijk en met overtuiging lid van deze concrete gereformeerde gemeente wil worden/zijn. Daar zit ook de nodige spanning in, maar je kunt erkennen dat allerlei mensen met niet-gereformeerde overtuigingen je broers en zussen in Christus zijn en toch hen niet als leden van de gemeente toelaten, omdat dit onontkoombaar verwarring geeft, of ruzie, of een passieve houding van ‘ieder zijn mening’.

Waar je bij bezoekers bij een avondmaalsviering mee te maken hebt is centraal de vraag of je kunt erkennen dat deze mensen je broers en zussen zijn in Christus. Zij leven namelijk onder dezelfde opdracht van dezelfde Heer in wiens naam de tafel gedekt wordt. Aan de tafel van Eén (niet de tafel van ons) kun je broers en zussen in Christus als gast welkom heten, ook al ben je het op allerlei punten niet met hen eens, en zij niet met jou. Dat het in het avondmaal niet gaat om een ‘het eens zijn’ maar om een ‘één zijn’ in Christus moet worden doorgetrokken naar de omgang met bezoekers. Kortom, van bezoekers kun je niet vragen wat je van eigen ‘leden’ wel kunt vragen. Dat toch proberen, zoals in het toetsingskader gebeurt, is niet maar een onschuldige vergissing. Het betekent onherroepelijk dingen doen waar je geen autorisatie van de Heer van de kerk voor hebt.

Belijdenis

Het niveau van de communie en de excommunicatie

In het gedeelte over Avondmaal en kerk: katholiciteit ging het over de grote spanning die in ons kerk zijn zit opgesloten, namelijk die tussen de éne, heilige, algemene christelijke kerk als het éne lichaam van de éne Heer en de werkelijkheid waarin die éne kerk alleen maar concreet bestaat in verschillende kerken en kerkengroepen. Die spanning wordt concreet waar kerk zijn concreet wordt. Heel sterk merk je dat bij de avondmaalsviering (de communie) en bij de keerzijde daarvan, de kerkelijke tucht (de excommunicatie). Zoals de woorden communie en excommunicatie al aangeven spiegelen die twee elkaar. Ze spelen zich dan ook allebei af op hetzelfde niveau: alleen wie voor excommunicatie in aanmerking komt mag van de communie worden uitgesloten en andersom.

De Heidelbergse Catechismus geeft aan dat het niveau waarop communie en excommunicatie spelen het niveau is van de christelijke kerk. Misschien beseffen we dat niet altijd zo, maar het staat er, in ronde woorden. De tucht gaat ook in een gereformeerde gemeente over hen die zich onder de naam van christen in leer of leven onchristelijk gedragen. Dat is niet te tolereren in een gemeente die zich ook als gereformeerde gemeente in doop en avondmaal als christelijke gemeente constitueert (antwoord 85). Ook van een gereformeerde avondmaalsviering mogen alleen worden buitengesloten wie zich als ongelovigen en goddelozen doen kennen (antwoord 82).

Wat dus te doen met een niet-gereformeerde christen, met een gelovige op wie niet meer aan te merken valt dan niet gereformeerd denken en leven? Wanneer je je daarbij houdt aan de christelijke norm voor avondmaal en tucht die de Catechismus geeft is de conclusie niet te vermijden dat ook een gereformeerde gemeente niet de bevoegdheid van haar Heer heeft om zo iemand van de avondmaalsviering uit te sluiten. En dat betekent in één adem door dat op basis van de Catechismus geen gemeente de autorisatie van Christus heeft om de criteria van het toetsingskader van Amersfoort-Centrum toe te passen op bezoekers.

Inderdaad betekent dit net zo goed dat geen gemeente de autorisatie van Christus heeft om eigen leden die niet meer te verwijten valt dan niet gereformeerd denken en leven van de gemeente uit te sluiten. Als gemeenteleden zich van gereformeerde overtuigingen afkeren en bijvoorbeeld hun kinderen niet meer willen laten dopen is er alle reden voor gesprek, onderwijs en vermaan. Maar er is geen legitimatie voor tucht. In ieder geval niet zolang we de tucht het niveau willen laten houden van Zondag 31 en niet willen laten vervallen tot gereformeerde groepsdiscipline. Elke vorm van tucht die niet het niveau heeft van iemand buiten het koninkrijk van God sluiten is spelen met het heilige en vragen om ruzie met de Heer van de kerk.

We doen er als Gereformeerde Kerken goed aan ons te houden aan wat onze eigen Catechismus in het spoor van de bijbel over avondmaal en tucht zegt, en ons door geen synodes daarvan af te laten brengen. Beter verschil van mening met kerkelijke vergaderingen dan verschil van mening met de Heer die ons zijn tafel van Eén gegeven heeft.

Afsluiting

Uit het voorgaande kan duidelijk zijn waarom ik het door Amersfoort-Centrum ingestelde en door Zwolle-Zuid gehandhaafde toetsingskader voor de omgang met gasten bij de avondmaalsviering een diep slecht besluit vind. Ten diepste reduceert het de tafel van Eén tot de tafel van ons, gereformeerden. Dat had niet mogen gebeuren. En het lijkt me meer dan zinnig dat de discussie over dit thema niet beëindigd blijft, maar weer wordt aangezwengeld.

 

Een gedachte over “Om de tafel van Eén

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *