Bindende rechtskracht. Punt.

De Reformatie 86 (2010-2011) 13,276-279 (25 maart 2011)

Hoe ver het kerkrecht in onze kerken inmiddels dichtgetimmerd is, weet ik eigenlijk niet. Wij hebben in Amsterdam behoorlijk wat eigen speelruimte. Dat kan ook in gereformeerd kerkrecht. Het bevoel bekneld te zitten in een kerkrechtelijk dwangbuis zit voor een goed deel tussen de oren. Maar er is ook een ander deel. In het algemeen en voor kerken die voor zichzelf geen uitzonderingspositie kunnen of durven claimen, is de eigen speelruimte de laatste veertig jaar een stuk kleiner geworden. Daar speelt van alles in mee. Ik ga er in dit artikel één element uithalen: in het huidige kerkrecht in onze kerken, en ook nog in de Werkorde, zijn plaatselijke kerken vrijwel overgeleverd aan wat (vooral) op synodes besloten wordt. Ik geef daar twee argumenten voor en ga verder nog kort in op de verhouding van de Werkorde met het oorspronkelijke gereformeerde kerkrecht.

Tenzij Het eerste argument is dat er geen serieus ‘tenzij’ is bij de ‘bindende rechtskracht’ van besluiten van kerkelijke vergaderingen (Werkorde F2.1, huidig art. 31). In dat artikel staat: Een besluit van een kerkelijke vergadering heeft bindende rechtskracht, tenzij wordt bewezen dat het in strijd is met het Woord van God of het kerkelijk recht. Er is dus wel een ‘tenzij’, maar dat staat buiten de praktijk van het kerkelijk leven. Het is immers nogal wat, bewijzen dat een besluit in strijd is met het Woord van God of het kerkelijk recht. Ik maak dat duidelijk met een voorbeeld uit het bankwezen. De bepaling van F2.1 (art. 31) is te vergelijken met een regel in de algemene voorwaarden van je bank die stelt: onjuiste incasso’s kunnen niet worden teruggeboekt tenzij het afgeschreven bedrag hoger is dan € 150.000. Dat komt in de praktijk neer op: onjuiste incasso’s kunnen niet worden teruggeboekt. Net zo komt F2.1 (art. 31) praktisch neer op: besluiten van een kerkelijke vergadering hebben bindende rechtskracht, punt.
Op landelijk niveau ken ik in de Gereformeerde Kerken in ieder geval geen besluit dat ooit op grond van dit ‘tenzij’ is teruggenomen of gewijzigd. Ook bij de Vrijmaking op grond van art. 31 is dit niet gebeurd. Daarom maakten mensen zich juist vrij. Bezwaren die op dit niveau worden ingebracht, worden in onze kerken doorgaans òf alleen procedureel behandeld (dat betekent dat er inhoudelijk in feite helemaal niet op wordt ingegaan), òf afgewezen omdat niet als bewezen wordt aanvaard dat er strijdigheid is. We zijn tenslotte in onze kerken allemaal overtuigd dat onze meningen en besluiten met het Woord van God en het kerkelijk recht overeenkomen.
Maar wat belangrijker is: in verreweg de meeste gevallen kunnen op dit niveau geen bezwaren worden ingebracht. Het grootste deel van het kerkrecht biedt praktische wijsheid die vanuit de Bijbel niet direct valt tegen te spreken. Er moeten wel heel erg bijzonder gekke dingen gebeuren wil de bepaling van F2.1 ooit als ‘tenzij’ in werking treden, ongeveer net zo bijzonder als een eenmalige incasso van meer dan € 150.000.
Je kunt natuurlijk proberen bij een volgende synode revisie aan te vragen. Dan wordt er nog eens naar het besluit van een vorige synode gekeken. Maar als die synode niet onder de indruk is van de argumentatie of andere belangen zwaarder laat wegen, blijft alles zoals het is, inclusief bindende rechtskracht. Zo gaat het meestal: ook toegewezen revisieverzoeken zijn zeldzaam. Vervolgens kun je als kerkenraad alleen nog je toevlucht nemen tot een hoekje van het gereformeerde kerkrecht dat in onze kerken vrijwel onbekend is: je kunt bij de classis melden dat je een besluit niet uitvoert, om redenen die te maken hebben met de vrede en het functioneren van de gemeente. Dat betekent je beroepen op een ander ‘tenzij’: tenzij het niet wijs is een besluit uit te voeren. Je vraagt dan een uitzondering te mogen zijn. Dat kan, maar is bepaald niet de bedoeling. Je wordt juist geacht je neer te leggen bij het besluit van de meerderheid — men beweert van de kerken, maar in werkelijkheid natuurlijk van de synodeleden — en het loyaal uit te voeren als was het een afspraak die je zelf gemaakt hebt, zo heet het. Bied daar maar eens weerstand aan. Netto kun je er rustig van uitgaan dat een besluit van een kerkelijke vergadering bindende rechtskracht heeft, punt.

Bevoegdheid Het tweede argument is, dat er geen serieuze inhoudelijke afbakening is van de bevoegdheid van meerdere vergaderingen als classes en synode. Er zijn wel grenzen, maar die zijn niet scherp. Art. E3.3 zegt iets over in welke zaken meerdere vergaderingen bevoegd zijn. Ten opzichte van het oude art. 30 zijn er een paar opvallende wijzigingen. Gebleven is dat meerdere vergaderingen bevoegd zijn in zaken die in de mindere vergadering niet konden worden afgehandeld. Verder zijn ze nu bevoegd in zaken waarvan door de kerken binnen het ressort is afgesproken om ze gezamenlijk te behartigen. Vroeger moesten die zaken de kerken tenminste nog aangaan, nu mogen ze dat zelf besluiten. Omdat in E3.3 de meerdere vergaderingen nu ook bevoegd zijn in zaken die de kerkorde daarvoor aanwijst, beslist in ieder geval de synode over zijn eigen bevoegdheden bij de vaststelling van de kerkorde, zoals nu. Kerken kunnen in principe van zo ongeveer alles wat op kerkelijk terrein speelt afspreken dat ze dat gezamenlijk gaan behartigen, zonder dat daar veel tegen in te brengen valt. Het is kennelijk niet van belang waarom een zaak niet in een mindere vergadering kan worden afgehandeld, en het is überhaupt niet duidelijk wie dat eigenlijk beslist. Kortom, er is maar weinig waar synodes zich niet mee mogen bemoeien.
Dat is op zich weinig nieuws. Onder het huidige art. 30 gedragen synodes zich al decennialang alsof ze bevoegd zijn zo ongeveer alles te besluiten wat procedureel correct ter tafel is gekomen en in lijn ligt met een zekere consensus in de kerken. In de toelichting bij E3 (6) schrijven deputaten dat ze voor een ‘meer inhoudelijk’ criterium gekozen hebben: dat van de te behandelen aken. Het lijkt mij dat dit criterium nog veel te weinig inhoudelijk is: het gaat niet inhoudelijk in op de bevoegdheid van meerdere vergaderingen. Nergens op de beroemde ‘kerkelijke weg’ moet de vraag gesteld worden of de classis of de synode wel bevoegd is dit onderwerp te behandelen, laat staan er over te besluiten. Er hoeft ook niet te worden aangetoond dat een besluit nodig is. Het enige wat telt is of een kerkenraad, vervolgens een classis en tenslotte een synode ‘ook vindt’ dat een zaak gemeenschappelijke besluitvorming verdient. Vervolgens doen ‘we’ het zo.

Ont-codificering Praktisch betekent dit dat synodes een enorme ruimte hebben structuren, rechten en plichten, functies en bevoegdheden en procedures vast te stellen, gewoontes te codificeren in regels en de kerkorde uit te breiden met een alleen nog voor specialisten overzienbaar woud aan generale regelingen, artikelen uit Acta van synodes en de nodige plaatselijke of regionale reglementen. Uiteraard is geen daarvan vatbaar voor enig effectief bezwaar op grond van Bijbel of kerkrecht. Nog een geluk dat de Werkorde het oerwoud wat geordend heeft.
Synodes hebben van die ruimte gebruik gemaakt ook. Ongeveer vanaf de voorbereiding van de vorige herziening van de kerkorde in 1978 tot nu, is het kerkrecht in onze kerken explosief gegroeid, net als de kerkelijke organisatie in deputaatschappen en instellingen. Daarin speelt niet alleen kerkrecht, maar ook landelijke uniformering een grote rol. De herziening van 1978 vond plaats in een situatie waarin de kerken zeer uniform waren. In het kerkrecht is dat ondoordacht gecodificeerd. Nu de kerken steeds minder uniform worden, lopen we daar kerkrechtelijk tegenaan. Het geheel voelt als bureaucratie en niemand kan er op kerkrechtelijke gronden meer iets aan doen. Er is dringend behoefte aan ‘ont-codificering’. Tot dat gebeurt, zijn plaatselijke kerken vrijwel overgeleverd aan wat op synodes besloten is en wordt.

Wil je scherpere grenzen aan de bevoegdheid van meerdere vergaderingen, dan ontkom je er niet aan je af te vragen wat eigenlijk de bron is van die bevoegdheden. Ik kan binnen mijn ruimte hier niet meer doen dan stèllen, dat de bevoegdheid van meerdere vergaderingen ontspringt aan het samenleven en -werken van de kerken waartoe zij door hun Heer zelf verplicht zijn. Plaatselijke ambtsdragers ontlenen hun bevoegdheid aan het functioneren van de kerk als kerk, meerdere vergaderingen ontlenen hun bevoegdheid aan het functioneren van het samenleven van kerken. En vanzelf wordt die bevoegdheid daar ook door begrensd.
Al met al geloof ik dat een classis of synode bevoegd is in:

  • het vaststellen van structuren, rechten en plichten, functies, bevoegdheden en procedures die het functioneren van het kerkelijke samenleven in het betreffende ressort mogelijk maken;
  • het vaststellen van structuren, functies en procedures die de rechten en plichten van mensen in de gemeente (gemeenteleden, werkers, leidinggevenden) beschermen;
  • het besluiten in zaken die de kerken in het betreffende ressort gezamenlijk organiseren;
  • het vormgeven van vertegenwoordiging naar buiten van de gezamenlijke kerken uit het betreffende ressort;
  • het geven van adviezen en het bieden van faciliteiten waar een kerk/kerken in het betreffende ressort belang bij heeft/hebben.

‘Illegaal kerkrecht’ Bij zaken die het kerkelijk samenleven mogelijk maken, gaat het bijvoorbeeld om het regelen van zaken waarin een besluit in de ene gemeente rechtsgevolgen heeft voor andere gemeenten of om het regelen van onderlinge betrokkenheid en onderling toezicht — dat iedereen blijft bij de gereformeerde leer op basis waarvan de kerken zich met elkaar verbinden. Uniformeren hoort daar niet bij. Organiseren is gekozen omdat het beduidend minder kwetsbaar is dan de open formulering ‘afgesproken ze gezamenlijk te behartigen’.
Het is in ieder geval inhoudelijk logisch dat de genoemde zaken in in kerkenraden (of classes) kunnen worden afgehandeld: òf ze raken precies dat samenleven (waar je nooit in je eentje over kunt beslissen), òf ze geven vorm aan het onderling toezicht op de kerkenraden (waar je zelf geen beslissingsbevoegdheid in hebt). Voorlopig houd ik het er op dat meerdere vergaderingen in al het andere niet bevoegd zijn. Wanneer ze daarin toch besluiten nemen die ze als bindend presenteren, ervaar ik dat als ‘illegaal kerkrecht’: kerkrecht dat wel geldigheid claimt maar geen rechtsbasis heeft.
Als we dit snoeimes niet over het kerkrecht halen, blijft het zelf wildgroei vertonen. Juist dat roept vervolgens wildgroei in de kerken op: kerkenraden gaan noodgedwongen meer en meer hun eigen gang. Op de een of andere manier lijkt het niet tot synodes en deputaten door te dringen dat ze met meer en gedetailleerdere regelingen bezig zijn het gereformeerde kerkrecht van binnenuit op te blazen.

Eendracht en eenheid Daarmee ben ik bij het laatste wat ik hier aan de orde zou willen stellen: de verhouding van de Werkorde en het huidige kerkrecht tot het oorspronkelijke gereformeerde kerkrecht uit de 16e eeuw. Dat laatste is bewust ontworpen als heel beperkt kerkrecht. Het omvat alleen ‘wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft’ en verder, onder direct beroep op 1 Korintiërs 14, ‘wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God’ (art. 32 NGB, vgl. ook art. 30 NGB). Het is bij dat laatste zeker niet de bedoeling dat er van alles en nog wat wordt aangevoerd wat ook eendracht en eenheid zou kunnen dienen. Ook het beroep op 1 Korintiërs 14 is beperkend bedoeld. Het algemene beroep op vers 33 en 40 in A2.1 van de Werkorde (‘In de gemeente van Christus moet alles op gepaste wijze en in goede orde gebeuren, zodat de onderlinge vrede wordt gediend’) roept een dynamiek op die aan het oorspronkelijk ontwerp van het gereformeerde kerkrecht volgens mij geen recht doet.
Wellicht is dat ook niet meer mogelijk, al was het alleen maar omdat het oorspronkelijke gereformeerde kerkrecht ook bepaald wordt door een direct beroep op de Bijbel, uiteraard zonder idee van de hermeneutische vragen uit de 20e eeuw. Men ging ervan uit dat er een directe Bijbelse ordening van de kerk zou kunnen zijn. In dát kader stelt het ‘tenzij’ van het oude art. 31 tenminste nog iets voor. Bovendien weerspiegelen de gekozen vormen de culturele seting van de 16e eeuw, bijvoorbeeld de verhouding van zelfstandige steden en regio’s onderling in unies. Het is inmiddels wel duidelijk dat de predikanten, ouderlingen en diakenen echt niet zo maar uit het Nieuwe Testament weglopen. Het is maar de vraag, of het verstandig is om de zelfstandige rol van de predikant tegenover zijn gemeente te verzekeren in een wederzijds niet zomaar van elkaar af kunnen. Het is maar de vraag of het mogelijk is het avondmaal de plaats in de kerkelijke tucht te geven die het nu heeft — om maar een paar voorbeelden te noemen.

Rem Het gaat me er dan ook niet om te beweren dat we zonder meer terug zouden moeten naar dat oorspronkelijk ontwerp van gereformeerd kerkrecht. Alleen al de verhouding tussen de kerken en de huidige Nederlandse overheid vraagt om meer en ander kerkrecht. Maar juist op dat punt [van meer en ander kerkrecht] voorziet de Werkorde niet in nieuwe structuren. Dat geeft het effect van nieuwe wijn in oude zakken. Je ziet ook deze scheuren.
De rechtsbescherming van kerken(raden) tegenover de meerdere vergaderingen en de bevoegdheid van meerdere vergaderingen zijn in het gereformeerde kerkrecht vanouds niet of nauwelijks geformaliseerd. Dat was bij het oorspronkelijk ontwerp ook niet echt nodig. Maar het blijkt wel de situatie op te leveren dat het kerkrecht geen ingebouwde rem heeft op het uitdijen ervan tot het huidige geheel, waarin kerkenraden vrijwel overgeleverd zijn aan wat op synodes besloten wordt, met bindende rechtskracht, punt. Wil een plaatselijke kerkenraad serieus eigen speelruimte houden, dan moet die rem nodig worden ingebouwd. De Werkorde biedt haar in ieder geval niet.

Samenvatting
In het huidige kerkrecht zijn plaatselijke kerken vrijwel geheel overgeleverd aan wat op synodes besloten wordt. Het voorstel tot herziening van de kerkorde (de zgn. Werkorde) brengt op dat punt geen verandering. Besluiten van meerdere vergaderingen hebben bindende rechtskracht. Het ‘tenzij’ dat daarop volgt, heeft om meer dan een reden geen inhoud. De bevoegdheden van meerdere vergaderingen zijn verder niet duidelijk en inhoudelijk afgebakend. Wil een plaatselijke kerkenraad eigen speelruimte houden, dan moet er een rem worden ingebouwd op het uitdijen van het kerkrecht.

6 gedachten over “Bindende rechtskracht. Punt.

  1. Het insnoerende karakter van het geref. kerkrecht, tot uiting komende in het vreselijke besluit van Zwolle-zuid dat het homo’s en lesbische medegelovigen verbiedt om samen te wonen zelfs in het geval dat zij een zgn. kuisheidsbelofte afleggen, heeft mij gebracht tot kerkelijke onttrekking of zoals ik het liever voor mijzelf formuleer tot ‘vrijmaking’. Een kerk die zich op landelijk nivo op een zo moeilijk onderwerp, dat zonder meer vatbaar is om met toepassing van de bijbel meerkleurig toe te passen, vastlegt brengt zichzelf in diskrediet. Wie verkondigt nu in naam van Christus dat het mensen uitsluit die Hem zoeken? Ik blijf dit onbegrijpelijk en onverteerbaar vinden. Zolang dit besluit in de vrijg. geref. kerken rechtskracht heeft, kan ik er om mijn geweten niet meer bij zijn.

    • Beste Wout,
      Ik kan me je reactie voorstellen en vind zelf de uitspraak ook bepaald geen schoonheidsprijs verdienen. Tegelijk denk ik dat het net iets genuanceerder ligt dan je schrijft. Dat kun je zien in de tekst van de uitspraak: http://www.kerkrecht.nl/main.asp?pagetype=onderdeel&item=367&subitem=7812 Het is, in jargon, geen besluit, maar een uitspraak in een concrete appèlzaak. Dat appèl is niet toegewezen (de synode wil geen tucht ‘verplicht stellen’ omdat dit aan de kerkenraden toekomt). Het lijkt mij bovendien goed dat gezegd wordt dat kerkenraden zich niet horen te fixeren op het éne punt van al dan niet een seksuele relatie hebben. In de gronden wordt verder verwezen naar de omgang met samenwonen in het algemeen (ook van ‘hetero-stellen’). Wat de synode betreft moet vooral de ‘onderwijslijn’ in de kerken op dit punt duidelijk zijn: geen afraden, maar afwijzen, niet zeggen dat het onverstandig is, maar zeggen dat het niet goed is. Dat is allemaal al heel wat, waarvan ik me kan voorstellen dat je het te strikt vindt tegen de achtergrond van hoe jij de toepassing van de bijbel zou wensen. In ieder geval geldt in deze zaak dat de uitspraak niet aan alle kerken is verzonden als besluit dat ook voor hen geldt. Ik ga er dus vanuit dat deze uitspraak ook geen ‘bindende rechtskracht’ heeft, maar alleen aan alle kerken een stuk argumentatie ter goede overweging aanbiedt. Het lijkt mij in ieder geval geen alles beslissende uitspraak, maar een zoeken van een goede weg in een complex concreet geval.
      Met hartelijke groet, dsWim

  2. Ik ben het helemaal met je eens dat recentelijk synodes te veel macht hadden om te veel dingen te regelen die plaatselijk zouden moeten blijven. Het doet me wat denken aan de situatie in de Christian Reformed Churches hier in de VS, die al ruim een halve eeuw bepaling na bepaling, procedure na procedure heeft ontwikkeld, en zo heel log is geworden. Zo gaat de nadruk van kerk-zijn liggen op activiteit in plaats van identiteit.

    Maar het alternatief dat je noemt, “terug naar 16e-eeuws kerkrecht”, lijkt me niet realistisch. Het kerkrecht was weliswaar heel summier neergezet (bijv. in de NGB artikelen die je noemt), maar tegelijk ontstond er, zodra er meer godsdienstvrijheid was, een structuur waarin de plaatselijke kerken behoorlijk afhankelijk waren van de beslissingen van het landelijk kerkverband. Door Voetius werd bijvoorbeeld gesproken over een nationale kerk, en hij wekt de indruk dat een synode in feite een soort grote kerkenraadsvergadering is van deze landsgemeente. Geen “autonomie van de plaatselijke kerk,” zoals dat later onder ons populair is geworden. Ook zie je dat de Synode van Dordrecht, in de latere zittingen die op de landelijke situatie betrekking hebben, allerlei detailbeslissingen nemen voor alle gemeenten, zoals het te volgen catechisatieprogramma. Nou kun je zeggen dat dit geen 16e eeuw meer is, maar ik geloof niet dat men in de 16e eeuw heel anders tegen de kerken aankeek dan in 1619.

    Een andere waarneming die interessant is in dit verband: Als een paar gemeenten zich losmaken van een kerkverband, zoals in de Vrijmaking of de Open Brief kwestie of de Hoeksema kwestie (in de VS, 1924), zijn ze heel erg voor de autonomie van de plaatselijke kerk; waarschijnlijk vooral omdat ze net ruzie hadden gehad met synodes die hun vrijheid beperkten. Maar wanneer het nieuwe verband groot groeit en redelijk succesvol, begint men te organiseren en te regelen, en wordt van alles gecentraliseerd. In dat verband is het niet zo gek dat de Vrijgemaakten wat “synodale” trekjes krijgen.

    • Arjen! Goed weer van je te lezen.
      Het lijkt mij om allerlei redenen ook niet mogelijk terug te gaan naar een vorm van het ‘oorspronkelijk ontwerp’ in het gereformeerde kerkrecht. Punt waar het me hier vooral om gaat is dat er wel structuren worden gehandhaafd uit die tijd terwijl er verder van alles veranderd is, een soort van nieuwe wijn in oude zakken – en omgekeerd dat het logisch is dat er geen schijfremmen zitten op de paard-en-wagen van de verhouding tussen kerkenraad en synode uit de zestiende eeuw, maar het hard nodig is geavanceerde remmen aan te brengen op de turbo-intercooler van het huidige kerkrecht in dezen.
      Het meeste van bovenstaand artikel vind je trouwens genuanceerder in de grote reeks hier. Daar vind je ook waarom ik niet geloof aan een autonomie van een plaatselijke kerk. Ik weet eigenlijk niet eens of ik het bottom-line wel mogelijk vind om het presbyteriaal-synodale kerkrecht überhaupt te handhaven zonder het inpluggen van elementen uit andere kerkrechtelijke tradities. Maar goed, dat is een heel andere discussie dan die rond de huidige concept-kerkorde.
      Je laatste waarneming is inderdaad interessant. Behalve wat jij zegt lijkt er mij ook een verbinding te liggen met de ‘mindset’ van mensen die zich vrijmaken of onttrekken: maar al te vaak eigenwijs, al te rechtvaardig en al te wijs (Prediker), geen teamspelers, meer gericht op een bepaald gelijk dan op de gemeenschap van de kerk, etc. Daar past veel aandacht voor de eigen plaatselijke gemeente bij en weinig behoefte om gemeenschappelijkheid te organiseren en te ordenen.
      Groet! Wim

  3. Beste ds.Wim,
    Hartelijk dank voor uw reactie. Door drukke bezigheden nog geen tijd gehad om te reageren. Ondanks de (terechte) nuancering van uw kant t.a.v. het kader waarin de door mij betreurde uitspraak van de synode is gedaan, deel ik uw zienswijze dat et lijkt mij in ieder geval geen alles beslissende uitspraak, maar een zoeken van een goede weg in een complex concreet geval’ zou zijn niet.
    Immers het betreft hier terugfluiten van het beleid van een Kerkenraad. Deze mocht het celibataire samenwonen van homo’s niet ‘afraden’ maar dient deze af te wijzen. Hier heerst dus de synode over een plaatselijk kerk in een kwestie die uiteindelijk teruggaat op hermeneutiek van relevante bijbelplaatsen.
    Verder vind ik het t.a.v. de homochristen pijnlijk misplaatst dat de G.S. in zijn ‘onderwijslijn’ geen onderscheidt maakt in het publieke karakter van het samenwonen van een hetero gelijk wordt beoordeeld; een samenwonend heterostel kan inderdaad in het huwelijk treden en alsnog in de kerk hun huwelijk laten bevestigen. Maar wat is de optie voor het samenwonende homostel? Adviseert de G.S. het homohuwelijk? De vergelijking is in mijn ogen kwetsend omdat duidelijk wordt dat er in de visie van de G.S. voor de laatsten optie is. Om te voorkomen dat de kerk in haar goede naam schade zou kunnen oplopen dienen homo’s zich ook van celibataire samenwoning te onthouden! Wat gaat ons nu werkelijk ter harte dan? het welzijn van onze homofiele broeder of zuster of het voorkomen van misplaatste roddel? De G.S. wil in tegenstelling tot de plaatselijke Kerkenraad in deze casus niet voor haar homofiele medebroeder/zuster opkomen! Dat vind ik extra kwetsend.
    Beste ds.Wim: wij komen er hier ook vast niet uit. Dat geeft ook niet. Maar er leeft nog één vraag bij mij n.a.v. uw reactie. U begint uw reactie met de opmerking dat u de uitspraak van de GS ook bepaald geen schoonheidsprijs vindt verdienen. Wilt u mij vertellen wat dan uw moeite is met deze uitspraak?
    Graag lees ik uw reactie op uw site.

    Vriendelijke groet!

    • Beste Wout,
      Goed dat je hier op terug komt. Waarom vind ik de uitspraak geen schoonheidsprijs verdienen? Om een paar redenen. De belangrijkste zijn a. dat ik er weinig in terugvind van besef van en begrip voor de situatie waarin stellen van gelijk geslacht moeten leven. In feite wordt een pastoraal probleem bestuurlijk ‘opgelost’ – en daarmee niet opgelost: de concrete mensen zijn hier niet mee geholpen. b. Ik vind de ‘oplossing’ halfslachtig, een typisch voorbeeld van proberen bestuurlijk kool en geit te sparen. De ene kant op wordt gezegd: er is geen automatische reden voor tucht. De andere kant op wordt gezegd: hier moet worden afgewezen, dus: niet zeggen dat het niet verstandig is, maar zeggen dat het niet goed is. De halfslachtigheid kom vervolgens terug bij de vraag: wat bedoel je met ‘niet goed’ (afwijzen)? Je kunt dat lezen als: ja, er is van alles niet goed en we wijzen van alles af, maar niet alles lukt zoals gewenst, er is veel miserabel wat niet censurabel is. Je kunt het ook lezen als: als dit niet goed is en iemand kiest er toch voor en houdt die keuze vol, dan verhardt hij zich in zijn zonde en is hij wel degelijk censurabel. Ik zou zeggen: als je niet wilt kiezen, onthoud je dan van stemming en doe hier helemaal geen uitspraak in.
      Des te meer ben ik blij dat dit geen besluit is, maar een uitspraak, dat dit dus geen algemeen bindende rechtskracht heeft, maar als argumentatie betrokken moet worden bij afwegingen en beslissingen elders in het kerkverband.
      Groet! Wim

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *