Christus’ dood: vruchtbaar…

Preek over 1 Korintiërs 11:26

orde morgendienst
votum en groet
zingen: Psalm 143,1
lezen Tien Geboden
zingen: Psalm 143,2.9
gebed
Schriftlezing Jesaja 38,9-20
inzameling gaven
zingen: Psalm 6,1-3
preek over 1 Korintiërs 11:26
zingen: NGK 109,1
avondmaalsformulier
zingen: NGK 179b
avondmaalsviering
Schriftlezing Jesaja 52:13-53:4, zingen: NGK 90,1
Schriftlezing Jesaja 53:5-12, zingen: NGK 90,2
zingen: NGK 92,2.3
zegen

Met dat wij zometeen hier aan tafel gaan en eten van het brood en drinken van de beker, verkondigen wij de dood van Christus. Zo zegt Paulus dat hier. Verkondigen, dat is preken, nietwaar? En preken, dat is plechtig doorvertellen van een goede boodschap. Dat is zo mijn werk als predikant, ieder zondag. Dan preek ik met het woord. Maar iedereen die zometeen aan tafel komt, en eet en drinkt, die preekt daarmee met de daad. Aan de avondmaalstafel zijn we allemaal collega’s, en als ik straks het brood breek, en de beker laat zien, en er de woorden bij spreek, dan is dat alleen maar om u eraan te herinneren wat we samen gaan doen. Het is maar de inleiding op het eigenlijk avondmaal. Dat vieren we allemaal, door te eten van het brood en te drinken uit de beker. Dát, dat eten en drinken, dat onder ons meestal in stilte gebeurt, dát is het eigenlijke avondmaal, waarvan Christus ons heeft gezegd: doe dat.

En dat, dat eigenlijke avondmaal, dat eten en drinken, wat we samen aan tafel doen, dat noemt Paulus hier in 1 Korintiërs 11 nu een ‘verkondigen’ van de dood van Christus. Met dat eten en drin­ken laten we iets zien, vertellen we iets over de dood van Christus. Wat vertellen we dan? Kijk maar naar wat er gebeurt: samen zitten we rond één tafel, en samen eten en drinken we. Dat wil toch in ieder geval iets zeggen als: Christus, Christus’ dood heeft ons hier bij elkaar gebracht. Wat ons verbindt, dat is Jezus Christus en die gekruisigd. In Hem vinden we elkaar, ontmoeten we elkaar. Christus’ dood draagt vrucht in onze onderlinge gemeenschap.

En dan kun je verder vragen, naar hoe dat dan gaat, en waarom dat dan zo is — ik kom er zo nog op. Maar ik wil eerst even stilstaan bij wat ik net zomaar zeg: Christus’ dood draagt vrucht. Want dat is heel bijzonder. Dat is eigenlijk alleen maar hier zo, bij Christus’ dood. Want waar we verder ook kijken, we zien de dood nergens anders opduiken dan juist als het verschrikkelijk onvruchtbare, de afbraak van alles wat mooi en fris en levend is. De doodsvallei is dor, donker en eenzaam. Hier breken alle verhoudingen stuk. We hebben ervan gelezen in dat geschrift van Hizkia: de levende verhouding met onze geliefden, met onze kinderen, met alles om ons heen, de verhouding ook van onszelf als een levend mens tot God, ze breken af. En Hizkia is bang, met zoveel woorden — Here ik ben angstig — voor die groeve der vernietiging. De dood levert niets op, dan een harde, onontwijkbare streep onder je leven: dat was het dan.

Aan de dood is normaal dan ook niets te verkondigen. Wat zou je nu door moeten vertellen, als een blijde boodschap, over de dood, over het sterven? Over je eigen dood, of over het sterven van een ander? Wij praten over de dood omdat het moet, omdat hij er nu eenmaal is, hard en uiteindelijk altijd onbegrijpelijk, we redden ons met woorden, proberen er nog iets van grip op te krijgen. Maar nooit, nooit wordt het iets dat ook maar in de verte lijkt op dat wat wij zometeen zullen gaan doen: het vieren van een heerlijke gedachtenis aan de bittere dood van onze Heer.

Wat is hier het geheim? Wat maakt nu Christus’ dood zo eindeloos bijzonder, juist omgekeerd: niet onvruchtbaar, dor en doods, maar vruchtbaar en levend? Kijk dan nog eens: wat doen we hier aan tafel, zometeen? We eten brood en drinken wijn. En die staan ergens voor: dit is mijn li­chaam, dit is het nieuwe verbond in mijn bloed. Ja, maar dat is nog niet het eigenlijke punt hier. Het gaat maar niet om Christus lichaam, zijn leven op zich, het gaat ook maar niet om een of ander nieuw verbond dat daardoor zou zijn opgericht, buiten ons om en zonder ons, maar wat ons niet raakt. Het zit hem hier in twee woordjes, die een eindeloos diepe en bijzondere werkelijkheid aanduiden: dit is mijn lichaam voor u. Christus’ dood is zo bijzonder en zo vruchtbaar, zo vol leven, omdat Hij voor ons gestorven is. Totaal anders dan welk ander mens ook. Wij sterven altijd ook voor onszelf en door onszelf, ons kwaad doet ons de das om. Ons eigen afbreken van leven en licht, en ons eigen afkeren van God en van elkaar, wordt afgemaakt in onze dood. Maar zo was het bij Christus niet. In Hem was er niets dat om de dood vroeg, dat er al een eerste voorbode van was. Hij stierf zijn dood, zijn zware dood, voor ons, helemaal voor ons.

Juist daar, waar normaal slechts donkerheid is, en zwarte leegte, waar alle relaties breken en wij niemand vast kunnen houden, daar brengt Christus licht en leven, en legt Hij een onoverwinnelijke relatie — tot ons: Hij deed dit allemaal voor ons. En daarom, omdat Hij dat voor ons hééft gedaan, daarom mogen wij blij zijn, en zijn dood vieren. Want nu hoeven wij zó niet meer: het is niet ons kwaad, dat ons achterhaalt en om het leven brengt, maar het is Christus die ons binnenhaalt in het eeuwige leven. En nu Hij zo, midden uit de dood, zijn hand op ons heeft gelegd en ons leert: het was voor jullie, voor u, voor jou, nu mogen we het weten, en het vieren, en het — léven: niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Heer, voor Christus, en als wij sterven, het is voor Hem; want of wij nu leven of sterven: wij zijn van Christus.

Ja, daarom hebben we over déze dood iets te vertellen, te verkondigen. Kom, neem, eet en drink, vier en verkondig Christus’ dood voor ons, zo groot, zo bijzonder: Hij geeft ons léven, midden uit de dood. Halleluja, lof zij het Lam. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 5 mei 1996

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *