Erediensten

eigen webversie beleidsdocument Erediensten van de Tituskapel uit 2008

Motto

‘Al zouden we zingen met de tongen van mensen en engelen, als we de levende God niet vereren zijn we niet meer dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. Al zouden we de liturgie zo mooi mogelijk organiseren, als het ons niet in staat stelt de levende God te vereren zijn we niet meer dan balletdansers. Al zouden we de vloer opnieuw leggen en de muren opnieuw voegen, al zouden we budget genoeg hebben en alle toeristen trekken die er maar zijn, als we God niet vereren zijn we niets.

God vereren is nederig en blij; God vereren vergeet zichzelf bij het denken aan God; God vereren verheugt zich over de waarheid als Gods waarheid en niet een eigen. Werkelijk God vereren maakt er geen show van of een bende; werkelijk God vereren is niet gedwongen, is niet halfhartig, kijkt niet op zijn horloge of denkt aan wat degene in de volgende bank zou doen. Werkelijk God vereren is open naar God, aanbidt God, verwacht God, vertrouwt God zelfs in het donker.

God vereren zal nooit vergaan. Gebouwen zullen instorten, commissies zullen in slaap vallen, budgetten zullen niets opleveren. Want we bouwen voor deze tijd, discussiëren in deze tijd en betalen in deze tijd; maar wanneer de komende tijd er is zal deze verdwijnen. Nu zien we de schoonheid van God nog door een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog; nu waarderen we nog beperkt, maar straks zullen we God waarderen zoals de levende God ons gewaardeerd heeft. Onze taken nu zijn dus God vereren, missie en organisatie, maar de grootste daarvan is God de eer geven.’

N.T. Wright, For All God’s Worth. True Worship and the Calling of the Church, Grand Rapids (Eerdmans) 1997, 8f.

Inhoudsopgave

Samenvatting

Dit document geeft voor wat betreft het kernthema van de erediensten in de Tituskapel antwoord op de volgende vragen:

  1. Hoe willen we onze visie op dit kernthema in de volgende jaren vormgeven?
  2. Wat willen we de komende jaren op dit kernthema bereiken?
  3. Wat hebben we hiervoor nodig?
  4. Waarom kiezen we voor deze invulling op dit kernthema?
Hoe willen we onze visie vormgeven?
  • De erediensten als geheel dragen een feestelijk karakter: blij, positief, dankbaar voor wat God geeft in Christus door zijn Geest.
  • In de erediensten vindt een ontmoeting plaats tussen God in zijn hemelse heerlijkheid en zijn volk op aarde: de verwondering daarover krijgt altijd (een) vorm in de erediensten.
  • Gods volk is open en gastvrij, zijn evangelie gaat uit naar iedereen: in de erediensten krijgen gastvrijheid en verstaanbaarheid daarom zorgvuldige aandacht.
  • De boodschap van het geheel van een eredienst is helder; de verschillende elementen ondersteunen elkaar en lopen vloeiend in elkaar over.
  • De orde van de diensten is relatief stabiel en voorzien van voor een groot deel bekende elementen en liederen; de diensten zijn herkenbaar als ‘onze’ diensten zonder saai of voorspelbaar te worden.
  • In de gemeente aanwezige gaven worden zoveel mogelijk ingezet bij de invulling van de erediensten, creativiteit wordt gestimuleerd.
  • De selectie van (de stijl van) muziek en liederen wordt bepaald door de combinatie van de plaats in het geheel van de eredienst en de kwaliteiten van de musici en andere betrokkenen: criterium is de in dat kader hoogst mogelijke kwaliteit (zie hiervoor ook het beleidsdocument Verering — muziek).
Wat willen we de komende jaren bereiken?
  • Dat de erediensten inderdaad een feestelijk karakter hebben, met een uitnodigende sfeer.
  • Dat allereerst de uitvoerenden, maar vervolgens ook de gemeente zich steeds meer bewust wordt van wat er in een eredienst gebeurt.
  • Dat de erediensten door bezoekers aantoonbaar als gastvrij en verstaanbaar ervaren worden.
  • Dat de gemeente zich herkent in de erediensten als echt diensten in de Tituskapel.
Wat hebben we hiervoor nodig?
  • Toerusting van alle betrokkenen bij de erediensten op hun eigen bijdrage.
  • Voorlichting aan de gemeente over het hoe en waarom van de gang van zaken in de erediensten en stimulans om je in te zetten en mee te doen.
  • Ondersteuning via diverse middelen en media (presentatie, handouts, feedback-mogelijkheden, gastenmateriaal, etc.).
Waarom deze invulling?

Zie het vervolg van dit document.

Een beetje geschiedenis

Inleiding

In ieder geval de morgendiensten krijgen in de Tituskapel al een tijd lang een invulling die opvalt binnen de Gereformeerde Kerken in het algemeen. De diensten worden vrijwel altijd door een lichte muziek groep begeleid, we zingen liederen uit allerlei bundels, waarbij Opwekking een relatief grote plaats inneemt, veel mensen dragen op de een of andere manier bij aan de diensten, de volgorde van de dienst lijkt meestal niet op één van de bekende landelijke orden van dienst, we gaan tamelijk vrij om met de liturgische formulieren. Algemener is de kansel al enige tijd vervangen door een podium, is de kerkzaal sowieso ontdaan van bijna alles wat aan een kerk zou kunnen doen denken en wordt er, waar zinnig en mogelijk, gebruik gemaakt van audiovisuele extra’s (via de beamer en de geluidsinstallatie).

Deze situatie is in de loop der jaren zo gegroeid, eerst vooral via de zg. vriendendiensten (vanaf 2001), later in alle morgendiensten (vanaf 2006). Ze wordt breed gedragen in de gemeente. Er is geen reden achter de gegeven ontwikkelingen terug te willen. Er is wel reden om ons bewust te blijven van waarom we dingen zus en zo doen en om de erediensten zoals we ze nu houden te blijven ontwikkelen. Daaraan wil dit document een bijdrage leveren. Het geeft een stuk principiële bewustwording en ook aanzetten tot praktische ontwikkeling.

We zetten de ontwikkelingen in de Tituskapel eerst even in een wat breder kader.

Contemporary worship

Bij de bezinning op de invulling van de erediensten is in voorgaande jaren niet alleen gekeken naar ontwikkelingen in Amerika en Engeland, maar ook naar gemeenten in Nederland die voor buitenstaanders aantrekkelijke diensten hadden. Elementen daaruit werden overgenomen eerst in de zg. vriendendiensten, later in de morgendiensten in het algemeen. Twee motieven speelden en spelen daarbij een grote rol. Enerzijds willen we dat je niet-christelijke vrienden en contacten mee naar de kerk kunt nemen zonder onnodig vervreemding op te roepen. De diensten moeten relevant, actueel en verstaanbaar zijn voor alle Amsterdammers en niet alleen voor gemeenteleden. Anderzijds willen we zoveel mogelijk gemeenteleden inschakelen bij de diensten. Dat de eredienst een activiteit van de gemeente is moet niet alleen beweerd, maar ook ervaren kunnen worden.

Wat er op deze manier in feite gebeurde was, dat er praktisch contact gelegd werd met wat internationaal ‘contemporary worship’ (eigentijdse verering, invulling van erediensten) is gaan heten. Binnen de nogal gepolariseerde kerkelijke verhoudingen in Nederland wordt ‘contemporary worship’ snel ervaren als een ‘evangelische’ vorm van eredienst houden. Het is belangrijk die gedachte even weg te zetten. Ze is namelijk op zijn best een halve waarheid. In werkelijkheid gaat het bij ‘contemporary worship’ om de laatste, misschien inmiddels één na laatste golf in de algemene liturgische ontwikkelingen. Ze heeft een eigen plaats ook in gereformeerde en presbyteriaanse kerken over de wereld en heeft eigen voor- en nadelen, sterke en zwakke kanten. Ze heeft in de Tituskapel ook een eigen vorm gekregen.

De beweging van ‘contemporary worship’ reageerde op de herleving van ‘traditional worship’ (traditionele, historisch georiënteerde invulling van erediensten) in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Kerken ontdekten de rijkdom aan liturgische vormen in de kerk van alle tijden en plaatsen. Oud-kerkelijke formules en liederen uit de schat der eeuwen gaven balans in de drukte van het heden. Er werd een enorme hoeveelheid liederen vertaald en geschreven op klassieke (of tenminste daaraan verwante) melodieën. In Nederland is deze ontwikkeling deels al van oudere datum en vanaf het begin van de twintigste eeuw sterk gestimuleerd door de Liturgische Beweging in de protestantse kerken, waar we onder meer het Liedboek voor de Kerken aan te danken hebben.

Vanaf ongeveer de jaren negentig werd deze traditionele liturgie in toenemende mate ervaren als elitair, rationeel, afstandelijk en hoog-kerkelijk. Gedreven door het verlangen om mensen te bereiken waar ze zijn, inclusief hun muziek en hun taal, volgde ‘contemporary worship’ de ontwikkelingen in de populaire (muziek-)cultuur zo direct mogelijk. Liederen en vormen moesten daarbij aansluiten en helpen bij een direct en persoonlijk contact met mensen. Alles wat riekt naar ritueel of ambtelijk gezag stond dit persoonlijke maar in de weg en werd dus uit de liturgie geschrapt en uit het kerkgebouw verwijderd (kansels en dergelijke). In de meest extreme vormen werden kerkdiensten multimediale ‘events’ zoals we die buiten de kerken al veel langer kennen.

Vanzelf riep deze nieuwe inzet ook weerstand op. In de Angelsaksische wereld werden de zg. ‘worship-wars’ gevoerd tussen voorstanders van een traditionele en die van een eigentijdse invulling van de erediensten. De vrede is nog niet getekend, al worden er wel steeds meer pogingen in die richting gedaan. In Nederland worden grotendeels dezelfde discussies gevoerd onder de etiketten van ‘evangelische’ en ‘kerkelijke’ of ‘gereformeerde’ liturgie. Dat levert nog minder op dan de debatten in de internationale kerkelijke wereld, omdat het in feite niet om de tegenstelling evangelisch-kerkelijk of evangelisch-gereformeerd gaat. Het grote motief achter ‘contemporary worship’ is dat van de (missionaire) relevantie van de erediensten: verstaanbaar en aansprekend zijn. Dat motief is niet bepaald voorbehouden aan (in Nederlandse zin) evangelische kerken en groepen. Hetzelfde geldt voor een ander groot motief, namelijk de wens om in een (muzikale) stijl die dicht bij je leven staat zo direct mogelijk de levende God te vereren, inclusief lichamelijke uitingen van eerbied.

Intussen wordt de beweging van ‘contemporary worship’ deels opgevolgd door een nieuwe, met meer aandacht voor andere vormen en stijlen dan de populaire. Het is tenslotte ook eigentijds om terug te grijpen op oude middeleeuwse, Keltische of klassieke vormen, of om muzikale en talige vormen van componisten en auteurs van vandaag te kiezen. Net zo is er een nieuw verlangen naar ritueel en naar ambtsdragers die meer zijn dan medemensen die naast je staan. Maar dat is iets van de laatste tijd en doet nog maar net iets af aan de internationale dominantie van ‘contemporary worship’ in levende kerken.

Wat bovendien blijft is een brede vervreemding van traditionele liturgische vormen en van de kerkelijke liedcultuur. In een gemeente als die van de Tituskapel lopen we daar niet alleen tegenaan als we denken aan (niet christelijke) bezoekers van buiten de gemeente. Een grote groep kritische jonge gemeenteleden vraagt ook om eigentijdse vormen en liederen. Geen wonder dat juist in de Tituskapel al jaren lang geëxperimenteerd wordt met vormen van ‘contemporary worship’.

Vrijgemaakte ontwikkelingen

Bij een dergelijke oriëntatie op ‘contemporary worship’ heb je tot nu toe weinig aan de liturgische ontwikkelingen breder in onze kerken. In het algemeen komt onder ons de invloed van eigentijdse liturgische vormen en liederen binnen via gemeenteleden, ‘van onderaf’. Niet de opiniemakers of ambtsdragers maar vooral gemeenteleden zien niet in waarom erediensten niet veel dichter bij hun (geloofs)leven en hun normale muziekkeuze zouden kunnen staan. Schoorvoetend wordt daarin de laatste jaren stukje bij beetje iets toegegeven. Maar de hoofdlijn van het liturgisch beleid in het kerkverband zet nog altijd vrijwel volledig in op vormen van ‘traditional worship’ en de vertrouwde kerkelijke liedcultuur. Synodes proberen daarbij vooral de rust te bewaren.

Dat valt vanuit het recente verleden wel te begrijpen. In eerste instantie hebben we in onze kerken de Nederlandse Liturgische Beweging aan ons voorbij laten gaan. Nog in de jaren tachtig en negentig waren liturgische fratsen taboe en was het Liedboek voor de Kerken verdacht. Tot vanaf 1995 deputaten eredienst en kerkmuziek de kar gingen trekken. Met uitvoerige bijbels-theologische en historisch-liturgische argumentatie werd geprobeerd meer liturgisch besef in de kerken aan te brengen en tot een vernieuwing van liturgie en kerklied te komen. In feite werd een heel aantal jaren later alsnog de bredere ontwikkeling rond ‘traditional worship’ in onze kerken geïntroduceerd. Die inhaalslag kwam eenvoudig te laat en riep mede daardoor veel weerstand op.

Een deel van de kerken en gemeenteleden hield vast aan de oudere voorlichting en vond het allemaal maar verval. Ze roerden zich luidruchtig en hebben met een vloed aan bezwaren het project eerst sterk vertraagd en later op allerlei punten in feite onderuit gehaald. Dat ging des te makkelijker omdat een ander deel van de kerken intussen al lang ontdekt had dat er zoiets als ‘contemporary worship’ bestond en geen behoefte meer had aan oubollige liederen en deftige formuleringen. Een derde deel had niet zo’n mening en vond alles best zolang er maar geen ruzie over gemaakt werd. Daar werd op achtereenvolgende synodes voor gezorgd door van alle posities de scherpe kantjes af te halen. Wat gebleven is, is de landelijke focus op de traditionele gereformeerde eredienst en de klassieke kerkelijke liedcultuur.

Rond het kerklied betekent dit veel aandacht voor het Liedboek voor de Kerken en voor liederen (uit eigen kring) die daarbij aansluiten. Het nieuwe kerkboek beweegt zich vrijwel helemaal in deze lijn en dat lijkt ook zo te blijven. Tot nu toe ontbreekt structurele aandacht voor liederen in de verschillende lichte muziek genres. Geen wonder dat de liederen uit het nieuwe gereformeerde kerkboek tot nu toe in onze gemeente relatief onbekend zijn en nog erg weinig mensen zo’n kerkboek hebben aangeschaft. Wel komen deputaten kerkmuziek gemeenten als de onze steeds verder tegemoet, bijvoorbeeld door aan de synode van 2008 met wat slagen om de arm voor te stellen om liederen uit Opwekking en Psalmen voor Nu in de vrijheid van de kerken te laten. Maar van serieuze ondersteuning van eigentijdse liederen in andere muzikale genres dan het klassieke kerklied is tot nu toe geen sprake.

Rond de orden van dienst blijven de orden die zijn vrijgegeven allemaal varianten op de aloude gereformeerde orden van dienst. Die zijn niet bepaald liturgisch en stimuleren geen vernieuwing of invulling vanuit eigentijdse vormen. De enige werkelijk nieuw voorgestelde orde die logisch volgde uit het grondwerk van het rapport van studiedeputaten eredienst uit 1995, de zg. ordinarium-liturgie, is op diverse synodes afgewezen. De veranderingen die inmiddels vrij breed in andere gemeenten zijn doorgevoerd zijn cosmetisch (gezongen amens, wat schuiven met de wet, delen uit het eerste gebed lichten in een schuldbelijdenis en genadeverkondiging, e.d.). In verreweg de meeste gemeenten is de gang van zaken in een eredienst al lang weer even voorspelbaar als vóór 1995. Voor vormen van ‘contemporary worship’ moet hier echt het wiel nog uitgevonden worden. Een besluit van de synode van Zuidhorn (de zg. Koersbepaling inzake art. 65 en 67 KO) geeft hier wel de ruimte voor, maar doet ook niet meer dan dat.

Een zelfde patroon is te zien rond de liturgische formulieren. Er is de laatste jaren flink geïnvesteerd in het moderniseren van oude en het schrijven van nieuwe teksten die bij gebeurtenissen in de kerk gelezen worden. Maar de basale vraag of het genre van onderwijzend formulier in een eredienst nog wel draagvlak in de gemeenten heeft krijgt geen ruimte. Juist in diensten die toegankelijk willen zijn voor bezoekers merk je dat de teksten niet communiceren met niet-christenen (en ook steeds minder met gemeenteleden). De toon is paternalistisch; herhaaldelijk wordt een reeks betwistbare keuzes toch op stellig geponeerd. Binnen de gang van een eredienst vormen de formulieren een dood punt, dat eigenlijk vermeden zou moeten worden. Waar behoefte aan is (bijvoorbeeld vormen die zich rond het avondmaal tot de viering beperken) wordt niet aangeboden. We maken er al met al in onze situatie het beste van door telkens de nodige aanpassingen te doen en de inhoud van de formulieren elders een plek te geven in de dienst, maar ideaal is de situatie niet.

Nieuwe bezinning

In het najaar van 2006 besloot de kerkenraad van de Tituskapel op voorstel van het team vriendendiensten om te proberen alle morgendiensten het karakter van ‘vriendendienst’ te geven. De inrichting van de vriendendiensten, zoals die zich vanaf 2001 had ontwikkeld, werd de standaard-inrichting van de morgendiensten in het seizoen 2006-2007. Daarbij doken allerlei praktische en principiële vragen op. In een nieuwe ronde bezinning is in de loop van het seizoen 2007-2008 gepoogd tot nieuw beleid te komen. Anders dan bij eerdere ronden bezinning over de erediensten en de vriendendiensten is nu ook geprobeerd bewust contact te leggen met bredere liturgische discussies over o.a. ‘contemporary worship’ en liturgische vragen onder ogen te zien.

Dat wil niet zeggen dat de besluitvorming tot dan toe niet overdacht of willekeurig is geweest. Er is best over nagedacht, veel in geïnvesteerd en ook stevig over gediscussieerd, maar die discussie liep vooral over zaken als de relevantie en de toegankelijkheid van de erediensten en over de betrokkenheid van de gemeente daarbij. De bezinning is in 2007 in feite uitgebreid, om zo meer balans te vinden. We hebben geprobeerd om de gegeven ontwikkelingen van de morgendiensten verder te ontwikkelen en daarbij onze winst te doen met de internationaal lopende discussie over ‘contemporary worship’. In het vervolg van dit document is daar het nodige van terug te vinden. Zoals al eerder gezegd gaat het daarbij deels om bewustwording van waar het in erediensten om gaat, deels om praktische zaken. De bezinning is nog niet afgerond (en wordt dat wellicht in een gemeente als de Tituskapel nooit), maar dit is een werkbare tussenstand.

Waar gaat het om in de erediensten?

Bewustwording

We stellen de vraag naar waar het om gaat hier in het kader van een stuk bewustwording, als een variant van: waar zijn wij nu helemaal mee bezig? Dat vraagt om een open benadering. Er lopen in het vervolg dus eigenlijk wat vragen door elkaar heen, bijvoorbeeld: waar hoort het in de erediensten om te gaan (vanuit de bijbel, vanuit de kerkgeschiedenis, vanuit liturgiek)? waar vinden wij dat het in de erediensten om zou moeten gaan (wens, ideaal)? waar gaat het feitelijk in de erediensten vaak om (beschrijvend)? Antwoorden op deze eigenlijk verschillende vragen staan in het vervolg door elkaar. Ze beïnvloeden elkaar trouwens ook.

Dat is misschien wel het duidelijkst bij de centrale keuze in dit document, om namelijk over de erediensten na te denken als over feesten van de kerk met God. Als we niet hadden gemerkt dat veel mensen in de Tituskapel vinden dat het in de diensten feestelijk moet toegaan, en dat het in ‘gelukte’ diensten metterdaad om feest ging, was het misschien in onze gereformeerde traditie wel niet eens opgevallen dat het ook werkelijk om feesten van de kerk met God hoort te gaan. Maar ook verder lopen verschillende zaken vrolijk door elkaar in wat volgt. Juist bij elkaar genomen geven ze een echt antwoord op de vraag: waar gaat het om in de erediensten?

Feesten van de kerk met God

De zondagse erediensten krijgen hun kleur mee vanuit de dag waarop we ze houden. De zondag is vanouds niet de wekelijkse rustdag maar de wekelijkse feestdag van de kerk. We beginnen iedere week met het samen vieren van het nieuwe leven met God dat Jezus door zijn opstanding uit de dood aan het licht heeft gebracht. Dat nieuwe leven is de grote gave van God in Christus en door zijn Geest aan mensen. In een eredienst staat die genade centraal en eren we de God die ‘aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt’ (Jakobus 1:5). De basiskleur van de eredienst is dan ook die van dank, van feestelijke blijdschap, of — met een bekend oud woord — van de eucharistie. Een complete eredienst eindigt met een avondmaalsviering. Het heffen van de beker daar, de toast op het nieuwe verbond in Christus’ bloed (dus: op het nieuwe leven met God!), wil typerend zijn voor elke eredienst als geheel. Waar de genade van de levende God in Christus centraal staat worden erediensten ten diepste als feest gevierd: blij, positief, dankbaar. Erediensten zijn feesten van de kerk met God. Aan die kern laten alle verschillende aspecten van de eredienst zich verbinden.

Een eredienst wil een echt feest zijn ook in die zin dat we er de gave in vieren van het nieuwe leven dat we elke dag leiden. Zoals je op je verjaardag viert dat je een heel jaar leven van God hebt ontvangen, zo vieren we zondags het nieuwe leven dat we van zondag tot en met zaterdag met hem mogen leiden. Er is dus een nauw verband tussen wat in een eredienst gedaan wordt en wat er in ons leven door de week gebeurt. Anders is het ook geen feest meer maar hoogstens nog een feestje, waarop je even uit je echte leven stapt om er daarna des te ruwer weer in terug te keren. Het nieuwe leven met God wordt in ons echte leven geleefd. Daar vindt in nieuwtestamentische zin de ware tempeldienst (liturgie) plaats (zie bijv. Romeinen 12:1-2). Maar wil dat nieuwe leven de week door bijzonder voor je blijven, dan moet je het vieren op de speciale momenten die erediensten willen vormen.

We houden deze vieringen als kerk, en dat wil met nadruk zeggen: als kerk van alle tijden en plaatsen. We komen niet maar bij elkaar als individuen die elkaar toevallig treffen en ook maar niet als de groep die we even toevallig als gemeente vormen, maar als mensen die door geloof bij Jezus Christus horen en zo zijn lichaam vormen op de plaats waar wij zijn. De ene grote kerk die zich uitstrekt over tijd en ruimte wordt zichtbaar en tastbaar ook in onze bijeenkomsten. We maken er maar een klein onderdeel van uit, maar dat doet er niet aan af. Erediensten willen feesten zijn van ‘de’ kerk als ‘het’ lichaam van Christus, als aperitief van het grote feest van het nieuwe leven dat eens komt en dat met iedereen gevierd zal worden die bij Jezus hoort. Ook het deel krijgen aan het brood van het avondmaal, dat ons één maakt met het lichaam van Christus (1 Korintiërs 10:16), wil typerend zijn voor elke eredienst als geheel.

We vieren in erediensten dus samen feest in een heel geladen zin. Bij het nieuwe leven met God hoort dat het een leven is waarin je vele anderen ontvangt als broers en zussen in Christus en echt een boodschap aan elkaar hebt. Dat begint natuurlijk direct met de broers en zussen in de gemeente zelf. Maar erediensten zijn meer dan een activiteit van de gemeente als geheel. Als hele gemeente maken we deel uit van een groter geheel. Ook de christenen die ons zijn voorgegaan, en waar we velen persoonlijk van kennen, horen erbij. We zijn verbonden met talloze anderen, over heel de wereld. Dat gemeenschappelijke vraagt om bewustzijn. Wie in diensten voorgaat spreekt bijvoorbeeld niet maar namens zichzelf, maar verwoordt wat namens de kerk (deze gemeente inclusief anderen) tot God en wat namens God tot de kerk (deze gemeente inclusief anderen) gezegd moet worden. Dat vraagt om zorgvuldig bieden van ruimte aan iedereen om mee te bidden, mee te zingen en een eigen plek te vinden in dat grote geheel.

En er is nog meer, want we houden onze erediensten niet maar onder mensen. We vieren er feest met de levende God zelf. Hem ontmoeten we door zijn Geest in Jezus Christus. Onder het oude verbond vroeg Jahwe zijn volk naar tabernakel of tempel te komen om daar met hem te vieren wat hij gaf: in de oogst (Pesach, Wekenfeest en Loofhutten) of in vergeving, verzoening en uitredding (andere offermaaltijden). Op de plaats waar God zelf woonde werd dan met Gods gaven een offermaaltijd gehouden. Onder Gods ogen werd gegeten wat van de offers over en daarvoor bestemd was. Onder het nieuwe verbond komen we niet meer bij elkaar op een bepaalde plaats waar God zelf woont, maar aanbidden we ‘in Geest en in waarheid’ (Johannes 4:21-24). Des te meer komen we nog steeds bij elkaar onder Gods ogen en in zijn aanwezigheid. We vieren met de levende God wat hij ons geeft in Christus’ offer en als resultaat daarvan in heel ons leven. Weer wil het avondmaal typerend zijn voor de hele eredienst: het is de blijde offermaaltijd die hoort bij het offer van Christus. Uiteindelijk is God zelf altijd de gastheer in een eredienst. Hij is de reden en geeft ons reden om feest te vieren, altijd weer.

Het gaat dus in een eredienst nooit om een neutrale ontmoeting tussen God en zijn volk, waar van alles in kan gebeuren. We gedenken ook niet maar in het algemeen ‘de grote daden van God’. We ontmoeten de tot in de details van ons leven gevende God, die alles laat spreken van zijn genade. We vieren feest met hem, we eren hem omdat hij ons blij maakt. Waar dat kader van blijdschap en dank ontbreekt is een eredienst per definitie mislukt omdat dan Gods genade niet centraal gestaan heeft. Als we een dienst verlaten met een gevoel van zondig of mislukt zijn, beladen met vele opdrachten, of bang of onzeker, is er iets grondig mis gegaan. Al die dingen kunnen in een eredienst prima aan de orde komen, maar het laatste woord hoort de vergeving van onze zonden te hebben, de gegeven kracht en werkelijke motivatie om nieuw voor God te leven en de opluchting dat er niemand zo van ons houdt als koning Jezus.

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament is de sfeer van het feest vieren met God dan ook uitbundig. Met zoveel woorden wordt het opgedragen voor de grote feesten van het oude verbond (Deuteronomium 16:10.14.15). Veel psalmen worden erdoor gestempeld. Maar net zo typeert het de christenen van het nieuwe verbond. Lucas eindigt zijn evangelie ermee dat de leerlingen in grote vreugde terugkeren naar Jeruzalem, ‘waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden’ (24:53). Handelingen pakt dat op: ‘vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed’ (1:14) en werk het uit: ‘ze loofden God’ (2:46-47). Paulus haalt het naar voren in zijn brieven: ‘zing met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft. Zing en jubel met heel uw hart voor de Heer en dank God, die uw Vader is, altijd voor alles in de naam van onze Heer Jezus Christus’ (Efeziërs 5:19-20). ‘Zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God de Vader dankt door hem’ (Kolossenzen 3:16-17).

Deze uitbundigheid vraagt om een eigen plaats in onze erediensten. Juist waar Gods genade centraal staat is er altijd reden om werkelijk blij te zijn en die blijdschap ook uit te zingen of anderszins vorm te geven. We hoeven ons niet af te sluiten voor de moeite van het leven hier, in vergankelijkheid en in een wereld waarin het kwaad rondgaat. Maar we mogen ons zeker niet afsluiten voor de redding die God gegeven heeft en geeft. Zijn aanwezigheid in Jezus Christus en in zijn Geest maakt alles anders en is uiteindelijk altijd reden om toch te zingen, al is het als met Paulus en Silas in de gevangenis (Handelingen 16:25).

Zoals bij ieder feest dat van harte gevierd wordt is het automatisch de bedoeling dat zoveel mogelijk mensen meedoen en bijdragen aan de feestvreugde. De sfeer van de erediensten kan nooit besloten zijn, alleen voor een select gezelschap, zowel vanwege de reden voor het feest als vanwege de Organisator ervan. Wat we vieren is nu juist het nieuwe leven met God dat de Drie-enige aan zoveel mogelijk mensen wil uitdelen. Hij wil immers ‘dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen’ (1 Timoteüs 2:4). Dat vraagt om een wervende en gunnende invulling, die mensen uitnodigt en reden geeft mee te doen. Al onder het oude verbond wilde Jahwe dat ook de vreemdelingen mee zouden doen aan de feesten van zijn volk (Deuteronomium 16:11.14). Onder het nieuwe gaat Paulus er zonder meer van uit dat er niet-gelovigen in de erediensten aanwezig zijn en kunnen ontdekken dat God daar werkelijk aanwezig is (1 Korintiërs 14:24-25). Uitnodigende erediensten zijn bovendien de enige die passen bij de God die ze tenslotte belegt. Zoals het volk Israël te gast was bij Jahwe in zijn land, zo zijn wij nog steeds te gast bij de Levende. Hij laat ons feestvieren met hem en maakt ons op onze beurt namens hem weer tot gastheren en -vrouwen voor anderen. Als het feest van Gods genade gevierd wordt en de God geprezen wordt die aan wie dan ook geeft, kan de eredienst tegelijk opbouwend zijn voor gemeenteleden en uitdagend voor niet-gemeenteleden, met een evangeliserend effect omdat het om het evangelie gaat.

De ene liturgie

Het is de moeite waard een paar elementen uit het voorgaande wat extra uit te vergroten. We vieren feest met God zelf en houden dus niet maar een bijeenkomst in een kapel in Amsterdam. We voegen ons in in één eer geven aan God in hemel en op aarde en doen mee in de verering van God die hemel en aarde omspant. In het Oude Testament al wilde Jahwe dat de tabernakel en de tempel een afspiegeling zouden zijn van zijn presentie in de hemel. De bedoeling van die afspiegeling was niet een soort losse dependance op aarde te openen, maar een plaats te bieden waar op aarde deelgenomen kon worden aan de verering van Jahwe in de hemel. De tempel was een plaats waar hemel en aarde elkaar snijden en overlappen. In het Nieuwe Testament nemen we aan diezelfde verering van Jahwe deel ‘in Geest en in waarheid’: het verband tussen hemel en aarde blijft dus.

In de symbolische taal van Openbaring 4 en 5 vinden we onszelf als kerk en christenen terug in de 24 oudsten die God en het Lam bezingen samen met de vier levende wezens (die voor de schepping staan). De brief aan de Hebreeën wordt vrijwel in haar geheel gedragen door de gedachte van de ene dienst in het ware heiligdom, waar Christus is en waar wij met hem naderen tot de troon van de Genadige. In ieder gebed dat we openen met ‘onze Vader’ stellen we ons op naast en in Jezus Christus en bidden we mee met hem die als enige ‘mijn Vader’ kon zeggen. Zo willen ook onze erediensten momenten zijn in tijd en ruimte waar hemel en aarde elkaar snijden en overlappen. We ontmoeten God of Jezus niet maar ‘in ons hart’, maar we ‘verheffen ons hart tot God’ en ontmoeten hem in zijn hemelse heerlijkheid op aarde. Als we bidden zijn we bij God.

Een dergelijke eredienst onder een open hemel kan nooit alleen maar een activiteit zijn van een toevallig bijeengekomen gemeente. Ons bidden en zingen klinkt mee in het grote koor van de kerk en weerklinkt in de schepping. Meer nog, het is de bedoeling dat in de erediensten van de kerk het loflied (Psalm 19) en het zuchten (Romeinen 8) van de schepping mee verwoord worden en bij God gebracht. We ontmoeten tenslotte niet maar de God van ons eigen leventje, maar de schepper zelf die bezig is zijn kosmos tot voltooiing te brengen. Zijn Zoon heeft ons allereerst leren bidden voor zijn Vader zelf, dat op aarde net als in de hemel zijn naam geheiligd wordt, zijn koninkrijk komt en zijn wil gebeurt. In dat geheel is er vervolgens ruimte en aandacht genoeg voor ons eigen levensonderhoud, onze vergeving en onze bescherming. Het is de bedoeling dat we in de erediensten, waar hemel en aarde elkaar snijden en overlappen, leren naar ons leven te kijken vanuit Gods perspectief. Dat omvat de kosmos, universeel.

Hoe meer hiervan doordringt des te meer roept het verwondering op. Dat er op een dergelijke manier een ontmoeting plaats kan vinden tussen ons in ons alledaagse leven en de levende God in zijn heerlijkheid is op geen enkele manier vanzelfsprekend. Alleen dankzij Jezus Christus, de ultieme hogepriester die zichzelf offert aan God, kunnen wij ‘zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden’ (Hebreeën 4:16). Maar dankzij Jezus kan dit wel werkelijk. Hij is zelf de spil van de hemelse eredienst en leidt ons bij het zingen van Gods lof (Hebreeën 2:12). Alles wat we doen in een eredienst doen we als mensen die ‘in Christus’ zijn en zo deel hebben aan zijn Geest, die ook ons ‘Abba, Vader’ laat zeggen (Romeinen 8:15, Galaten 4:6). De reden voor het feest van de kerk is nu juist dat wij, als de mensen die wij zijn, dankzij Jezus door één Geest toegang tot de Vader hebben (Efeziërs 2:18). Dat is het wonder dat ons leven nieuw maakt. Uiteindelijk stemmen we elke eredienst in met de lof op het Lam uit Openbaring (5:9-10).

Verwondering zal dan ook altijd te proeven moeten zijn in echte erediensten. Verwondering opent een waaier aan aspecten van sfeer: van stilte tot uitbundigheid, van verhevenheid tot intimiteit. Die zijn allemaal belangrijk en helpen om niet in eenzijdigheid te vervallen, niet in die van de persoonlijke intimiteit en ook niet in die van de ernstige gewichtigheid. We staan voor de hemelse Sionsberg en dat vraagt om eerbied en ontzag (Hebreeën 12:22-24.28-29), maar de tekening van die Sionsberg is niet die van een verheven stilte of van majestueus gezang. Het is eerder de tekening van een van leven krioelend feest van engelen en mensen voor God zelf. Tenslotte ontmoeten we de God ‘die hoog is en verheven, die troont in eeuwigheid — heilig is zijn naam. Hij zegt: in hoogheid en heiligheid zal ik tronen en bij hen die verslagen en onaanzienlijk zijn, opdat de onaanzienlijke geest herleeft, opdat het verslagen hart tot leven komt’ (Jesaja 57:15) — en dat laatste vraagt om blijde viering, cirkelend rond Jezus Christus, onze hemelse redder, de middelaar van een nieuw verbond.

Juist het besef dat we (uiteraard niet alleen, maar ook) in onze erediensten deelnemen aan die grote, éne verering van God in hemel en op aarde plaatst Jezus op een goede manier centraal in alles. We sluiten ons immers bij hem aan die in de hemel de dienst aan God leidt als hogepriester. Als we avondmaal vieren verbindt ons dat niet alleen met Jezus’ offer aan het kruis, maar ook met zijn bloed dat in hemelse heiligdom gesprenkeld wordt en dat krachtiger tot God spreekt dan ooit Abels bloed deed: doe mijn leven en sterven recht (Hebreeën 12:24). Als de ene Heer van de ene kerk in hemel en op aarde domineert Jezus alles en geeft hij ons des te meer oog ervoor dat erediensten feesten zijn van de kerk van alle tijden en plaatsen. Uit zijn hand ontvangen we dat we als christenen vandaag deel uitmaken van de gemeenschap van eerstgeborenen die in de hemel ingeschreven zijn (de nu levende christenen). Maar bij hem treffen we ook de geesten van de rechtvaardigen die al tot volmaaktheid gekomen zijn (de overleden christenen, zie ook Lucas 20:38) en de myriaden engelen die God lof zingen (Hebreeën 12:22-23).

We vieren dus onze erediensten ook met en onder de ogen van hen die ons zijn voorgegaan. Het is goed dat op bepaalde momenten ook vorm te geven door hun oude woorden mee uit te spreken, bijvoorbeeld in de geloofsbelijdenis of in bepaalde liturgische formules, of hun oude liederen mee te zingen. Tegelijk is het goed om op onze plaats in de geschiedenis precies te doen wat christenen in het verleden ook gedaan hebben: met eigen woorden spreken en eigen liederen zingen. We zouden onze voorgangers in feite verloochenen als we hen alleen maar na zouden praten of zingen. Daar komen we niet mee weg voor God, de rechter van allen (Hebreeën 12:23).

Het is in onze omstandigheden in de Tituskapel extra van belang ons van dit soort dingen bewust te maken. De meeste gemeenteleden zijn alleen de stad binnen gekomen, zonder hun familie. Zelf een weg vinden in de stad is belangrijker dan historische banden aanhouden of aanknopen met het verleden van Amsterdam. Het gebouw van de Tituskapel is ook geen historische kerk waarin vanzelf de voorgeslachten op je neer kijken. Zoals het in de stad vanzelf belangrijk is via je eigen relaties je een netwerk te vormen waar je thuis bent, zo domineert in ons geloof vanzelf onze eigen relatie met God in Jezus en door zijn Geest. Toch staan we niet alleen voor God en ontmoeten we in Jezus ook gelijk al de zijnen. Van de bemoedigende kracht die daar voor onze kleine minderheid christenen in Amsterdam van uit kan gaan maken we nog te weinig gebruik.

Ook naar bezoekers toe is dit besef van in een eredienst deel uitmaken van iets veel groters van belang. Veel mensen hebben weinig of niets positiefs met kerken, maar zijn wel gevoelig voor contact met iets of iemand die groter is dan hun leven. Soms zeggen ze dat ze geloven in een God die meer is dan uitkomt in de in hun ogen bekrompen kerken. Dat komt dan goed uit: in een eredienst zoeken we samen een ontmoeting met die God die groter is dan wij en dan onze gemeenschap. Waar het in een eredienst om gaat is tenslotte dat mensen zich ervan bewust worden dat ze in de aanwezigheid van de levende God zijn. Waar mensen ten diepste behoefte aan hebben is gemeenschap met God zelf en samen met anderen hun leven wijden aan iets wat groter is dan wij en ons leven zin geeft. Ook daarin staan gemeenteleden en bezoekers naast elkaar: het evangelie dat God ons dit in Christus geven wil spreekt ons allen aan.

Samenvatting

Erediensten zijn feesten die we als kerk met God zelf vieren. We vieren er de grote gave van nieuw leven in die hij ons in Jezus Christus en door zijn Geest geeft. Die genade staat centraal, daarom staat ook de persoon van Jezus Christus centraal. De sfeer is die van dankbaarheid en (uitbundige) blijdschap, van verwondering over het grote mysterie van het geloof. We nodigen anderen uit mee te doen in deze vieringen. Gods goede boodschap is ook voor hen bestemd. Ze hebben haar net zo nodig als wij. We voegen ons in de erediensten in in één grote verering van God in hemel en op aarde. Ze willen een plek in ruimte en tijd vormen waar hemel en aarde elkaar snijden en overlappen en waar we opgenomen worden in wat groter is dan wij.

Erediensten, evangelisatie en gastvrijheid

Het valse dilemma

In veel discussies over erediensten duikt op een gegeven moment een variant op van het dilemma: of de eredienst is gericht op christenen (de gemeente) en het voeden van hun geloof, of ze is gericht op niet-christenen (zoekers, bezoekers) en het zo eenvoudig mogelijk duidelijk maken van waar het in het christelijk geloof om gaat. In het eerste geval mogen bezoekers toekijken bij iets wat hen niet aangaat, in het tweede geval mag de gemeente toekijken bij iets wat haar (grotendeels) niet meer aangaat. Dat dit of-of nog steeds leeft heeft er alles mee te maken dat het in de praktijk vaak zo werkt. In feite zijn veel erediensten gericht op de eigen gemeente en niet of nauwelijks op (be)zoekers.

Dat neemt niet weg dat het dilemma niet deugt. Beide alternatieven kloppen niet. We moeten ons hier echt houden aan waar het in de erediensten om gaat. De kerk viert er feest met God om zijn evangelie en zijn gaven. Dan zijn ze dus als geheel geen gemeente-activiteit waarin christenen bij elkaar komen om iets voor zichzelf te doen (werken aan je geloof, voeding voor je geloofsleven ontvangen of zo). Erediensten zijn niet bedoeld voor gemeenteopbouw, voor instructie in christelijk leven of voor het verdiepen van onze relatie met God. Het gaat juist om het vieren van die relatie en het nieuwe leven dat we daarin ontvangen in een veel groter verband dan dat van de gemeente. Doe dat goed en je merkt dat er van het bewust blij zijn met wat God ons geeft een heel sterk opbouwend effect uitgaat, zowel voor de gemeente als voor individuele christenen, maar de centrale bedoeling van een eredienst is dat niet.

Evenmin zijn erediensten dus een evangelisatie-activiteit, waarin we ons richten op anderen (om hun het evangelie te brengen of zo). We vieren feest met de God van alle mensen die ook (nog) niet-christelijke bezoekers roept, maar het gaat daarin niet om het brengen van het evangelie, maar om het vieren ervan met de God in wie de gemeente gelooft en niet-christelijke bezoekers niet. En niemand heeft zonder geloof in het evangelie reden om feest te vieren. Hoe ‘laagdrempelig’ of ‘inclusief’ ook opgezet, een eredienst veronderstelt altijd veel te veel om werkelijk evangelisatie-actie te kunnen zijn. Er toch zoiets van maken betekent tekort doen aan de eigen activiteit van de eredienst: het vereren van de God die ons nieuw laat leven. Doe dat goed en je merkt dat er van het bewust blij zijn met wat God ons geeft een heel sterk evangeliserend effect uitgaat, maar de centrale bedoeling van een eredienst is dat niet. Een goede eredienst heeft allerlei effecten (o.m. naar de gemeente en naar bezoekers toe), maar de intentie van de dienst als geheel is het feest vieren met de Levende.

Het is verhelderend ook hier weer te kijken naar het avondmaal, dat de kern van de christelijke eredienst aangeeft. Dat is door Jezus niet ingesteld bij een van zijn publieke maaltijden, maar in een besloten maaltijd met zijn leerlingen. Het is ingesteld voor al de zijnen en gaat dus ver uit boven de begrenzing van de gemeente hier. Maar wie (nog) niet bij Jezus hoort viert het avondmaal niet mee. Het wordt voor haar of zijn ogen gevierd en brengt zo nog eens de boodschap van het evangelie die ook voor haar of hem wil gelden. Het is ten diepste niet meer dan een nuchtere constatering dat dit bij niet-christelijke bezoekers voor de hele dienst geldt, publiek of niet: meezingen, meebidden, werkelijk gehoor geven aan wat God zegt, het is allemaal een stap te ver. Het wordt voor hun ogen gedaan en als het goed gedaan wordt gaat er gelijk een appèl en een uitnodiging van uit, gebeurt er iets aan hen.

Worship evangelism en evangelistic worship

Over hoe je dat dan goed doet is in verschillende verbanden al uitvoerig nagedacht. In Redeemer Presbyterian Church in New York heeft Timothy J. Keller het ‘evangelistic worship’ genoemd. Sally Morgenthaler heeft een heel boek gewijd aan ‘worship evangelism’. Volgens Morgenthaler gaat er van een echte eredienst op twee manieren een evangeliserend effect uit: niet-gelovigen horen de waarheid over God (in liederen, gebeden, Schriftlezing, preken, getuigenissen, doop en avondmaal, etc.) en ze zien een werkelijke relatie tussen God en zijn volk plaats vinden, uitgevoerd worden: gelovigen gaan met God om door Jezus Christus. Zij legt de nadruk op het tweede: wat de meeste indruk maakt is niet zozeer wat er gezegd wordt, maar meer wat er gedaan wordt en hoe de gemeente daarbij betrokken is. In ieder geval gaat het om beide zaken. Voor het gemak gebruik ik de Engelse termen even om ze apart aan te duiden: ‘evangelistic worship’ voor het zo inrichten van de erediensten dat ze begrijpelijk en aansprekend zijn voor niet christenen en ze de waarheid over God werkelijk kunnen horen — ‘worship evangelism’ voor het evangeliserend effect dat uitgaat van het samen echt vieren van de erediensten.

Eerst even iets over dat tweede: worship evangelism. Het onderstreept nog eens hoe we in een eredienst allemaal belangrijk zijn en ingeschakeld worden. Er gaat een positief effect uit van een eredienst waarin zoveel mogelijk mensen betrokken meedoen, meezingen, meebidden, actief luisteren en zo verder. Van gemeenteleden die negatief kritisch in de kerk zitten gaat net zo’n negatief effect uit op bezoekers, zeker geen evangeliserend. Als gemeenteleden kun je de taak om erediensten evangeliserend vorm te geven niet uitbesteden aan voorgangers, musici of presentatoren, en dan achterover leunen om eens te kijken hoe zij het er af brengen. Dan blokkeer je zelf de boodschap die er van de eredienst uit wil gaan. Ook met allerlei negatief kritisch gepraat achteraf kun je ervoor zorgen dat mensen echt niet meer terugkomen: als je zo over je kerk praat is die kennelijk niet de moeite waard. Het is dus niet maar van belang dat we in de opzet en uitvoering van de erediensten werken aan begrijpelijkheid en aansprekend zijn, we moeten er samen ons voor inzetten, ook als kerkgangers, en samen werkelijk eredienst houden voor God. Daar gaat een appèl van uit. Dan zien mensen niet alleen een groep die ze kan aanspreken omdat ze ‘iets’ met elkaar hebben, maar kunnen ze ook proeven Wie dat ‘iets’ wel niet is.

Dat is ook nog in een ander opzicht van belang. Het gaat er bij evangelisatie maar niet om dat individuele mensen in contact met God komen, gaan geloven en hun ziel redden. Het doel van evangelisatie is dat mensen die God nu niet vereren hem wel gaan vereren in de gemeenschap van de kerk die God vereert. Het doel van evangelisatie is nu juist dat mensen mee gaan doen in het feest vieren van de gemeente met God. Dat al doende kunnen leren is enorm belangrijk in de weg die God met mensen gaat. De God prijzen die door genade redt kan zo een middel worden waardoor God metterdaad door genade redt.

Dit mag overigens niet activistisch misverstaan worden. Het is echt niet zo dat iedereen even enthousiast of actief mee moet doen wil er van een eredienst werving uitgaan.  Er is in een echte kerk, om zo te zeggen, altijd een achterste bank, waar je ook als gemeentelid kunt aanschuiven, toekijken, met rust gelaten worden, tot jezelf kunt komen of voor jezelf nadenken over vragen waar je mee zit. Wat daarbij van het grootste belang is, is dat dit niet betekent dat je er eigenlijk (nog) niet echt bij hoort. Ruimte om je eigen weg te vinden en je eigen beslissingen in geloof en leven te nemen hoort juist bij de kerk. En juist voor iemand die eens aankomt en vaak zelf ook allerlei vragen en andere meningen heeft is het van het grootste belang dat hij of zij ook kan aanschuiven op zo’n achterste bank, ruimte krijgt om rond te kijken en niet meteen van alles opgedrongen krijgt. Dat lukt des te meer als er gemeenteleden naast zo’n bezoeker zitten die kunnen zeggen: ik weet dat ook allemaal nog niet zo, maar ik hoor hier wel bij en deze mensen houden in Gods naam toch van me.

Even algemeen over het eerste dan: evangelistic worship begint met je realiseren dat het vanouds de bedoeling is geweest dat God geprezen wordt ‘voor de volken’ (zie bijv. Jesaja 2:1-4, 56:6-8; Psalm 47:1, 100:1-5). Terwijl hij groot gemaakt wordt door zijn volk worden de volken opgeroepen en uitgedaagd mee te komen zingen en doen. De oude tempel was een centrum van een verering van Jahwe die de wereld wilde winnen. Dat is alleen maar sterker geworden in het Nieuwe Testament. Wanneer christenen ‘de grote daden verkondigen van hem die hen uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht’ (1 Petrus 2:9) is het de bedoeling dat ‘ongelovige buitenstaanders’ de samenkomsten bezoeken (1 Korintiërs 14:23), dat ze de eredienst als geheel begrijpelijk vinden en dat het een serieuze mogelijkheid is dat ze overtuigd en bekeerd worden door de dienst (Handelingen 2:11 en 1 Korintiërs 14:23-25). De diensten moeten dus in alle onderdelen worden ingericht vanuit het bewustzijn dat er ‘ongelovige buitenstaanders’ zijn.

Keller wijst er op dat dit ook een paar trekken uit traditioneel gereformeerde erediensten weer opnieuw voor het voetlicht haalt. Gereformeerde erediensten zijn vanouds heel eenvoudig, zonder veel spektakel, ingewikkelde vormen of onbegrijpelijke rituelen. Al dat soort dingen maken de kerkgangers passieve toeschouwers, niet alleen in de vorm van ingewikkeld hoog-kerkelijk ritueel, maar ook in de vorm van informeel ‘hoog-geestelijk’ emotioneel geroep. Juist eenvoud biedt ruimte aan heel verschillende mensen, op verschillende stadia van hun levensweg met God. Gereformeerde erediensten zijn verder vanouds gericht op een werkelijke ontmoeting met de levende God. Het gaat er maar niet om dat je een en ander verteld wordt over Gods genade, mensen moeten worden verrast door zijn genade.  Dit vraagt om een besef van transcendentie en verwondering dat wordt vormgegeven door de kwaliteit van spreken, lezen, bidden en zingen. Twee dingen maken die kwaliteit: a. niet maar wat aanrommelen, maar echt het beste geven wat je hebt voor God, en b. als spreker, lezer, bidder en zanger zelf echt verwonderd zijn over God en zijn grootsheid. Juist van een dergelijk besef van transcendentie en verwondering gaat een appèl uit op bezoekers. Ze krijgen er de kans door te aanbidden en te belijden: ‘Werkelijk, God is in uw midden.’ (1 Korintiërs 14:25).

Praktisch werkt Keller dit uit in een aantal punten: 1. Zorg ervoor dat de dienst helemaal in gewoon, alledaags Nederlands wordt uitgevoerd; luister naar alles wat er in de eredienst gebeurd met de oren van iemand die twijfels of moeiten heeft met het geloof. 2. Leg uit wat er in de dienst gebeurt, kort en krachtig. 3. Verwelkom bezoekers, spreek ze direct aan en ga in op hun tegenwerpingen en vragen. 4. Zorg voor zo goed mogelijke kwaliteit in de uitvoering van muziek en andere kunst. 5. Geef positieve aandacht aan daden en acties van zorg en rechtvaardigheid vanuit de kerk; daden spreken sterker dan woorden. 6. Presenteer doop en avondmaal zo, dat juist het evangelie dat ze uitdrukken helder wordt. 7. Preek Gods genade en geen moralisme of theologie voor gevorderden.

Gastvrijheid

Je geeft op deze manier vorm aan een bepaald soort gastvrijheid, niet maar in jouw leefwereld, bij jou thuis, maar in de publieke ruimte van de eredienst. Daarbij speelt nog eens te meer wat ook al bij persoonlijke gastvrijheid aan de orde is: gastvrij ben je uiteindelijk altijd voor een vreemde, voor iemand die anders is dan jij. De gevoeligheid daarvoor is in onze cultuur nogal weg gedrukt doordat we in de praktijk vooral persoonlijk gastvrij zijn voor familie, vrienden en bekenden. Publieke gastvrijheid, in de samenleving, in open omgevingen, het onderdak geven aan echt vreemden hebben we in onze cultuur ondergebracht bij de horeca of laten we over aan de overheid. Daardoor is de gedachte opgekomen dat gastvrijheid vooral met intimiteit te maken heeft, met mensen binnen halen in je eigen persoonlijke leefwereld. Als iemand dan uiteindelijk niet je intimus wordt is gastvrijheid mislukt. ‘Doe alsof je thuis bent’ lijkt vanuit deze insteek van de intimiteit het toppunt van gastvrijheid. Dat is het wellicht ook voor vrienden, maar bij werkelijk vreemden is het in feite helemaal nog geen gastvrijheid, omdat het je gast nog eens extra inwrijft dat hij of zij in werkelijkheid helemaal niet thuis is. Zodra het om mensen uit een echt andere cultuur gaat wil je vaak ook helemaal niet dat ze zouden doen alsof ze thuis waren (en je kinderen corrigeren, met de handen eten, alles opmaken wat in huis is, nog veel meer eigen familie in huis halen — of noem nog maar wat). Gastvrijheid begint met het erkennen van de ander als ander, als vreemde, en haar ruimte bieden om ook echt vreemde te zijn in jouw leefwereld. Je kunt er niet bij voorbaat van uit gaan dat jij wel weet wat de ander wil of nodig heeft.

In de kerkelijke praktijk levert dit misverstand van de intimiteit zomaar een claimende vorm van het ontvangen van gasten op. Eigenlijk zouden ze in alles met ons mee moeten doen, ook een persoonlijke relatie met God moeten hebben en zich thuis voelen in onze warme gemeenschap. Tussen de regels door laten we dan merken: doe alsof je thuis bent, als je je thuis voelt zijn wij tevreden. We laten hen, in woord en lied, geen ruimte om zichzelf te blijven: vreemde, ander, in eerste instantie toeschouwer in een voor hen vreemde omgeving. In het beeld van het vorige onderdeel: er is geen achterste bank waarop mensen een plek vinden die niet meteen actief willen of kunnen zijn. Juist in een publieke bijeenkomst als de eredienst is, is het belangrijk dat er wel zo’n bank is en dat de mensen daarop serieus genomen worden. We weten echt niet bij voorbaat en precies wat een bezoeker nodig heeft of waar hij of zij in haar leven behoefte aan heeft. Hen claimen net zo te worden als wij is in veel gevallen een goed recept om hen niet meer terug te zien.

De publieke gastvrijheid die bij een kerk hoort vraagt om respect voor de bezoeker als ander en dus om een combinatie van ruimte en informatie over wat er gebeurt. Dat wil zeggen, het gaat veel meer om wijsheid, liefde en eerlijkheid dan om intimiteit, warmte en familiariteit. Gasten horen de kans te krijgen om mee te doen als zij dat willen en toe te kijken als ze dat liever doen. Het voor de hand liggende nieuwe misverstand daarbij is denken dat het goed is om wat afstand te houden. Dat is nu juist niet de bedoeling. Gastvrij ben je juist als je belangstelling voor de ander als ander hebt. Vraag vooral honderduit naar wat een bezoeker beweegt en bezig houdt, maar ga er niet vanuit dat je wel weet hoe het zit met hem of haar.

Praktisch betekent dit niet alleen van alles voor de inrichting van de diensten zelf (zie daarvoor hieronder, en ook de punten van Keller hiervoor), maar ook dat we zo snel mogelijk moeten werken aan goed materiaal voor bezoekers: informatie over de dienst en de gemeente, respons-kaarten en dergelijke.

Inclusief (s)preken (of tenminste niet exclusief)

Het ideaal bij het voorgaande is dat in de erediensten zo gesproken, gepreekt en gebeden wordt dat iedereen zich erbij betrokken kan voelen (ingesloten, inclusief): gemeentelid en bezoeker, christen en niet christen. Bedoeld is dan dus niet dat iedereen ook helemaal meedoet — dat kan vaak gewoon niet, zoals gezegd —, maar wel dat iedereen echt bij de groep hoort die wordt aangesproken. Dat steekt heel nauw. Een voorbeeldje: een zin als ‘we zijn hier als Gods gemeente bij elkaar om hem te prijzen en naar hem te luisteren’ laat aan alle niet-christelijke bezoekers voelen dat zij daar niet bij horen. Je gaat er dan stilzwijgend van uit dat we ‘onder elkaar’ zijn. Dat is niet vanzelfsprekend. Het is ook niet de bedoeling. Juist als we als Gods gemeente bij elkaar komen om God te prijzen en naar hem te luisteren willen we graag dat daar ook anderen bij zijn. Er hoort dus in ieder geval iets bij als: ‘welkom als je in deze dienst te gast bent; voel je vrij om mee te doen, stel na de dienst gerust je vragen aan iemand van de gemeente’. Natuurlijk gaat het niet precies om deze woorden, maar om wat erin uitgedrukt wordt: besef dat er meer mensen in de dienst zijn dan ‘bij ons’ horende gemeenteleden.

Dat is bepaald niet vanzelfsprekend in Nederlandse kerken en ook in onze gemeente moet het nodig weer een groot aandachtspunt worden. Het vraagt een speciale gevoeligheid en veel training en onderlinge stimulans. Vooral het woordje ‘wij’ ligt hier gevoelig. Als je ‘wij’ zegt (wij doen dit, wij vinden dat, wij geloven zus, wij zijn gewend zo), wie bedoel je dan eigenlijk? Wat kun je bekend veronderstellen? Welke termen moet je uitleggen? Op welke tegenwerpingen moet je ingaan? Aan wie denk je allemaal als je de volle kerkzaal voor je ziet? En dan zwijgen we nog maar over opmerkingen over ‘de wereld’ of ‘ongelovigen’ die mensen in een hoek zetten en waardoor ze zich niet alleen buitengesloten, maar ook afgewezen voelen.

Als je van hieruit terugkijkt naar de zeven punten die Tim Keller noemde merk je dat die vrijwel allemaal dit thema raken. Maar het gaat nu niet om dat je die dingen moet doen, maar hoe je ze dan doet. Denk maar aan dat voorbeeldje van daarnet. Een dienst openen met ‘we zijn hier als Gods gemeente bij elkaar om hem te prijzen en naar hem te luisteren’ is alledaags Nederlands, het is ook uitleggen wat er gebeurt, maar de manier waarop is toch exclusief. Je kunt bidden in compleet begrijpelijk Nederlands, maar toch laten merken dat je in feite alleen gemeenteleden voor je ziet. Een preek kan helder en duidelijk zijn, maar totaal niet ingaan op de meest voor de hand liggende vragen die een niet-christen heeft bij de tekst of het thema. De gevoeligheid hiervoor moet een permanent punt van aandacht zijn in de toerusting van iedereen die op het podium spreekt (presentator, zangleider, ouderling van dienst, predikant).

De regels van liturgie en geloof

Samenhang

Van het begin van de kerkgeschiedenis af is geconstateerd dat er een direct verband ligt tussen wat er in de erediensten gezegd, gebeden en gezongen wordt en het geloof en de spiritualiteit van de gemeente. Vaak wordt die samenhang aangeduid met een Latijnse slogan, afkomstig van een leerling van Augustinus uit de vijfde eeuw: lex orandi lex credendi. Dat wil zeggen dat de regel van het liturgisch spreken (in woord, gebed en lied) de regel stelt voor wat geloofd wordt, en andersom. Je kunt deze slogan als een norm lezen. In de kerken van de Reformatie betekent ze meestal dat wat we geloven hoort te bepalen wat er in de eredienst gebeurt. Andere tradities, met een veel meer uitgewerkte vastgestelde liturgie, stellen juist dat wat we geloven gevormd hoort te worden door wat er in de eredienst gebeurt. Wat in ieder geval geldt is dat er een direct verband is. Wat in de erediensten (telkens weer) gebeurt beïnvloedt wat we geloven en andersom.

Het is belangrijk dat we ons van deze samenhang bewust zijn. We hebben het nooit alleen maar over wat dingen die we in een eredienst doen of laten. Veranderingen in liturgie zijn zelf een effect van veranderingen in spiritualiteit en brengen ze omgekeerd ook weer aan. In een gemeente als die van de Tituskapel, die mensen met behoorlijk verschillende vormen van spiritualiteit verenigt, komt het er dus echt op aan dat we oog hebben voor de dynamiek die hierbij hoort. Wanneer de liedkeus en andere elementen van de erediensten eenzijdig kiezen voor één spiritualiteit voelen gemeenteleden met een andere spiritualiteit zich niet meer thuis in de diensten. Die worden dan niet meer ervaren als ‘eigen’ en stimulerend, maar als (grotendeels) ‘vreemd’. Er ontstaan dan tegenstellingen die alleen maar negatief werken, niet alleen op de gemeente zelf maar ook op de uitstraling naar anderen toe. Het sterkste missionaire effect van een eredienst gaat immers uit van een gemeente die samen feest met God viert.

Het hoort bij de identiteit van de gemeente dat ze op zo’n manier kerk wil zijn dat haar gereformeerde leer en spiritualiteit verrijkt kunnen worden vanuit de charismatische traditie en vanuit andere vormen van eigentijds christen zijn. Die identiteit kan alleen behouden blijven en vorm krijgen in erediensten wanneer mensen bereid zijn naar elkaar te luisteren en van elkaar te leren en de eigen spiritualiteit en (muzikale) voorkeuren niet absoluut te stellen. Voorwaarde daarvoor is weer dat we proberen zo duidelijk mogelijk te maken waarom we erediensten zo inrichten als we doen. Als alle kaarten op tafel liggen kan het vertrouwen groeien van waaruit we bijvoorbeeld leren om van harte met elkaar mee te zingen en niet maar liederen ‘van anderen’ te dulden.

Het voorbeeld van de liedkeuze

De genoemde samenhang tussen wat er in de eredienst gebeurt en spiritualiteit geldt wel in het bijzonder voor muziek en lied. (Vocale) muziek heeft een enorme invloed op wat mensen denken en beleven. Mede daarom ligt de keuze voor wat er gezongen wordt in de erediensten gevoelig. Indertijd liep de introductie van een grote groep liederen uit het Liedboek voor de Kerken moeilijk mede omdat mensen merkten dat er een andere spiritualiteit in aan het woord kwam dan ze gewend waren: meer zoekend en vragend, zelfkritisch, en met meer ruimte voor verschillende invulling. Veel mensen stuiten in liederen uit Opwekking op een meer ‘evangelische’ spiritualiteit, met meer aandacht voor onze keuze voor God, eenzijdige lofprijzing en een gemeenzame manier van omgaan met Jezus en God. Omgekeerd lopen mensen in het gereformeerde berijmde psalter en de oudere gezangen uit het Gereformeerd Kerkboek aan tegen wat ze ervaren als een gebrek aan intimiteit en persoonlijke omgang, afstandelijkheid en veel te veel serieusheid. In ieder geval is de spiritualiteit hier meer op de gemeenschap en op de kerk als volk van een grote God gericht. Je kunt constateren dat de muziekstijlen in alle bundels de inhoud van de liederen over het algemeen goed ondersteunen en dus versterken.

Het is een gegeven dat iedereen bepaalde liederen heeft die dicht bij het gelovend hart liggen. Als die gezongen worden zing je helemaal mee. Tegelijk is duidelijk dat dit voor iedereen andere liederen zijn. Omdat we elkaar in de gemeente allemaal uit Christus’ hand ontvangen proberen we de liedkeuze zo breed mogelijk te maken, als weerspiegeling van de identiteit van onze gemeente en van de kerk die haar feest met God viert. We beperken ons tot geen enkele bundel of soort liederen. Wat telt bij de selectie is de plaats en daarmee de functie van een lied in het geheel van de eredienst. Dat is het primaire positieve argument om een lied te kiezen: geeft het een goede uitdrukking aan wat we daar in de dienst willen doen?

Verder is er een aantal argumenten om een lied niet te kiezen:

  • de inhoud van het lied is niet verantwoord door dwalingen of hinderlijke eenzijdigheden;
  • de spiritualiteit van een lied laat geen ruimte voor andere, maar dringt zich hinderlijk op;
  • het is niet zingbaar bij samenzang in onze gemeente (de melodie is onbekend of te moeilijk, soms zijn liederen niet bedoeld voor gemeentezang);
  • het is niet begrijpelijk of navolgbaar voor bezoekers vanwege het taalgebruik (ouderwets, christelijk jargon in de een of andere vorm) of de sfeer (veroordelend of uitsluitend, soms ook door veel te intiem te zijn);
  • de muzikale ‘toon’ van een lied valt uit de toon op die plaats in de dienst;
  • het is niet speelbaar voor de begeleiding.

Op het laatste argument vallen in de praktijk het vaakst liederen af. We werken met het begeleidingsteam dat aan de beurt is, meestal een lichte muziek groep. De muziekstijl die in een dienst gehanteerd wordt is de stijl van deze groep. Liederen die zich niet in die stijl laten arrangeren (of die eenvoudig zo nog niet gearrangeerd zijn) worden dan niet gezongen. Dat geldt net zo wanneer het klassieke team begeleidt, maar dan voor andere liederen. Het gaat er steeds om met het gegeven team een zo sterk mogelijk geheel van de dienst te maken.

In de praktijk bieden de meeste morgendiensten op deze manier een brede mix van liederen van verschillende achtergrond en spiritualiteit, die aansluit bij de identiteit van de gemeente. Dat is dus bewust de bedoeling.

Het voorbeeld van de tien geboden

Een ander voorbeeld van de samenhang tussen liturgie en spiritualiteit/geloofsovertuigingen is te vinden in de omgang met de lezing van de tien geboden in de morgendiensten. Die lezing, in elke morgendienst, is een karakteristieke trek van de klassieke gereformeerde liturgie. In andere tradities in de kerk komt ze zo niet voor. Ze dient als samenvatting van wat God wil, van al zijn goede geboden en aanwijzingen ten leven. Aan het begin van de dienst dient ze als ijkpunt om je ellende aan te leren kennen, meer naar het einde van de dienst geplaatst dient ze als richtpunt om je leven met God op in te vullen. Van de tijd van de Reformatie af wordt de lezing ook wel gevarieerd, met een psalm, een berijmde versie van de tien geboden, of met verschillende nieuwtestamentische vermaningen. Maar de laatste eeuwen is die variatie grotendeels verdwenen en ‘horen’ de tien geboden zelf in elke morgendienst. In onze kerken is dat in de meeste gemeenten praktijk tot op vandaag.

Twee grote gedachten spelen hier op de achtergrond. De eerste, meer algemene, is dat de tien geboden eigenlijk een soort van algemene wet van God bieden. Als je wilt weten wat God wil dan vind je dat daar. Veel mensen hebben dan ook gedacht dat de tien geboden altijd en voor alle mensen gelden. Vandaar bijvoorbeeld ook dat in de Catechismus de aanhef van de tien geboden niet wordt besproken. Toen de gereformeerden begonnen met de lezing ervan in erediensten diende dat tegelijk als algemeen onderwijs aan het volk (dat meestal niet echt gereformeerd was, maar wel in de kerk kwam). De tweede, meer theologische, is dat de tien geboden de wet van het ene genadeverbond vormen, die in oud en nieuw testament van kracht is. Om dat te kunnen volhouden moest er wel flink geïnterpreteerd worden. In feite worden de geboden bijvoorbeeld in de Catechismus als kapstok gebruikt om zoveel mogelijk nieuwtestamentische vermaningen aan op te hangen. Dat is een handig en handzaam gebruik van de tien geboden, dat we vooral moeten voortzetten, maar laat zich niet verdedigen als uitleg.

Van een standaard-lezing elke zondagmorgen gaat intussen een grote invloed uit op kerkgangers. In de omgang met God zijn zijn geboden erg belangrijk geworden. Goed leven is dat je je aan die geboden houdt, zonde is dat je ze overtreedt. Het beeld dat van God wordt opgeroepen is er nogal bars van geworden. Hij is iemand die vooral gehoorzaamheid wil, maar dan gelukkig genadig is als we die niet opbrengen. Dat het God niet om gehoorzaamheid, maar om liefde gaat, zoals Jezus zelf aangeeft in zijn samenvatting van de hele wet en de profeten (veel meer dan de tien geboden) kan haast niet echt meer functioneren. We weten het wel, maar de telkens weer nieuwe lezing van de tekst van de tien geboden is toch sterker. Dat in het nieuwe testament de geboden terugtreden en het veel meer gaat om het door de Geest van Christus ontvangen dat je een ander mens wordt krijgt al evenmin ruimte. Het gaat er niet maar om dat je gehoorzaam bent, maar dat je door de Geest uit jezelf gaat doen wat de wet gebiedt en nog veel meer dan dat ook.

Het is dan ook niet waar dat de tien geboden een soort van algemene wet bieden. Ze zijn op een bepaald moment gesproken, na de uittocht uit Egypte, tot bepaalde mensen, de Israëlitische mannelijke vrije burgers, en vormen als het ware de grondwet van het Sinaïverbond dat de omgang van God met zijn volk in het beloofde land regelde — juist dat verbond waarvan Hebreeën zegt dat het verouderd en versleten is, de teloorgang nabij (8:13). De Joden weten dat beter dan veel gereformeerden. Zij onderscheiden van de tien geboden de zg. Noachitische geboden, die voor alle mensen gelden, de tien geboden gelden alleen voor hen. Evenmin is het dus waar dat de tien geboden ‘de’ wet van ‘het’ genadeverbond vormen. Natuurlijk zijn ze niet vervallen of waardeloos geworden — geen enkel woord van God is ooit zonder betekenis voor ons. Maar er is geen enkele reden om ze uit te sluiten van wat artikel 25 van de Geloofsbelijdenis over wet en profeten zegt: dat ze hun waarheid en inhoud in Christus Jezus hebben en dat wij ze gebruiken om ons in het evangelie te bevestigen en om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer. Dat is ook precies wat je in de Catechismus ziet gebeuren: de tien geboden worden op zo’n manier gebruikt.

Overigens zou het een misverstand zijn te menen dat deze benadering makkelijk of oppervlakkig zou zijn. Juist omgekeerd: bij Jezus gaat het om veel meer dan om je houden aan geboden. Het gaat om radicale overgave, in liefde aan liefde, waarbij vergeleken je houden aan de geboden een kleinigheid is. Denk aan Jezus’ reactie op die rijke jongeman: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij’ (Matteüs 19:21). Je ziet zelfs bij het gebruik van de tien geboden dan ook steeds een enorme verbreding en verdieping optreden: niet meer één dag, maar alle dagen (zondag 38), niet meer mijn vader en moeder, maar allen die gezag over mij ontvangen hebben (zondag 39), niet meer alleen doodslag (zondag 40), alle onkuisheid (zondag 41), niet alleen het stelen en roven dat de overheid straft (zondag 42), de waarheid liefhebben (zondag 43). Dat staat allemaal niet in de tien geboden zelf, maar wel in de bijbel. Christus wil het ons geven om uit te leven.

Dit vraagt om zorgvuldige vormgeving ook in de erediensten. De catechismus geeft daarvoor in zondag 44 aan dat het belangrijk is dat de tien geboden ‘zo scherp gepredikt’ worden. Dat is echt iets heel anders dan ‘elke zondagmorgen gelezen’ worden. Het gaat er om dat in de (catechismus)prediking wat God geeft en vraagt aan radicaal leven in zijn nieuwtestamentische setting (zo scherp) uitgewerkt en praktisch toegepast wordt. Juist wie dat serieus wil doen wordt daarbij gehinderd door de permanente lezing van de geboden die juist die nieuwtestamentische diepgang uit het christenleven wegduwt.

We kiezen er daarom bewust voor de tien geboden zelf alleen nog sporadisch te lezen in de morgendiensten, in een kader waarin ze tot hun recht komen als wat ze zijn. Waar het in die lezing ten diepste om ging, dat we namelijk ons door God zelf de goede weg ten leven willen laten wijzen, krijgt vorm op andere manieren, bijvoorbeeld door het lezen van een wegwijzend gedeelte uit het nieuwe testament dat goed past bij de rest van de dienst. Dat stimuleert vervolgens op den duur hopelijk een meer nieuwtestamentische benadering van het christelijk leven. Ook als we daarbij afstand nemen van bepaalde gedachten uit de gereformeerde traditie blijven we op deze manier toch binnen wat in de gereformeerde liturgie van het begin af aan mogelijk en ook wel gebruik is geweest.

Als extra argument, dat overigens zwaar weegt, geldt, dat de situatie in onze samenleving grondig anders is dan in de tijd van de Reformatie en de eeuwen daarna. De oude gereformeerden konden de tien geboden lezen in de verwachting dat verreweg de meeste mensen die konden volgen en zouden verstaan als een appèl ook op hen (al legden ze dat vervolgens ook naast zich neer). Dat kunnen wij niet meer. Niet christelijke bezoekers in onze diensten kunnen niets of weinig met de tekst van de tien geboden zelf. Ze roepen vooral veel onnodige vragen op, die op dat moment niet beantwoord kunnen worden (denk aan het: voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten etc.). In een feestelijke en voor anderen uitnodigende dienst valt deze oude tekst sterk uit de toon. Nieuwtestamentische teksten hebben daar veel minder last van.

Het verhaal van het geheel van de eredienst

Er is altijd een verhaal

Ook als kerkgangers dat niet direct zo ervaren is er altijd een boodschap verborgen in de opzet van het geheel van een eredienst. De orde van de dienst vertelt een (impliciet) verhaal. Het is belangrijk je daarvan bewust te zijn en dat verhaal expliciet te kunnen maken. Dat is alleen al nodig om te voorkomen dat onderdelen een invulling krijgen die niet past bij het (impliciete) verhaal van het geheel. Dat levert een verwarrende dienst op. Dat is des te vervelender omdat iedereen in een eredienst op zijn eigen plek meedoet in het vertellen van dit verhaal. Dat gaat niet goed als niet duidelijk is waar het om gaat op een bepaald moment.

Als voorbeeld iets over de orde voor de morgendienst zoals die in het seizoen 2006-2007 meestal gehanteerd is. Dat was de volgende standaard:

  • welkom (presentator)
  • votum en groet (predikant)
  • gebed (predikant)
  • blok liederen, ‘aanbidding’
  • Schriftlezing, eventueel gevolgd door lied (presentator)
  • preek (predikant)
  • lied of muzikaal intermezzo
  • lezing van gebod, eventueel gevolgd door lied (presentator)
  • gebed (presentator)
  • mededelingen (presentator)
  • inzameling gaven
  • lied
  • zegen (predikant)
  • ministry

Deze orde heeft een herkenbare opbouw. De eerste vier elementen proberen bij te dragen aan het tot stand komen van een ontmoeting van de gemeente met God (waarbij de liederen een grote rol hebben). De volgende drie geven ruimte aan de boodschap van God, die zo appellerend en inspirerend mogelijk moet zijn. De rest richt zich op de respons van de gemeente op die boodschap.

Deze opbouw is niet neutraal en ook niet vanzelfsprekend. Historisch gezien is ze afkomstig uit de kringen van het ‘revival’-christendom. Ze vertelt het verhaal van de ontmoeting met een God die mensen in beweging brengt, bijvoorbeeld om naar voren te komen en hun leven aan hem te geven (in een zuivere vorm ontbreekt de lezing van het gebod en is daar bijvoorbeeld plaats voor ministry of een zg. altar-call: naar voren komen en je wijden). Binnen een dergelijke orde een preek houden die niet gericht is op in beweging brengen en praktisch je leven aan God geven (maar bijvoorbeeld op verwondering of geloof of bezinning) zorgt voor een botsing met het impliciete verhaal van de orde en laat mensen met de vraag achter: wat was nu de bedoeling van deze dienst? Liederen kiezen die niet passen bij hun plek in de dienst hindert mensen bij het meezingen (waarom zingen we dit nu?).

Afgezien nu van dit voorbeeld van de oude standaard-orde: er is altijd zo’n verhaal, zo’n boodschap. In de bredere kerkelijke traditie (Rooms, Luthers, Anglicaans) hebben veel erediensten een viervoudig patroon: bijeenkomen, Schriftlezing-en-prediking, eucharistie of avondmaalsviering en uitzending. Dit patroon vertelt een ander verhaal: we worden uit ons leven in de wereld in Gods aanwezigheid geroepen; daar worden we toegesproken door God, bemoedigd en voorzien van wijsheid, vergeving en genezing, en uitgenodigd voor de hemelse feestmaaltijd in de gemeenschap van alle heiligen; dan worden we, gevoed door God, weer uitgezonden, de wereld in, om als Gods vernieuwde volk te dienen in liefde. Ook de klassieke gereformeerde orde heeft zo’n verhaal. De volgorde: lezing van de tien geboden, Schriftlezing, prediking, suggereert het verhaal van onze ellende, verlossing en dankbaarheid. De variant met schuldbelijdenis en genadeverkondiging aan het begin, dan Schriftlezing en prediking en vervolgens de lezing van de tien geboden, blijft binnen hetzelfde verhaal. Daarbij hoort het besef dat mensen niet zomaar God kunnen ontmoeten: het eerste deel van het verhaal blijft onze ellende, of we nu christen zijn of niet.

Wat wil je vertellen over de ontmoeting met God?

Het centrale punt in al dergelijke verhalen is de ontmoeting met de levende God. Door de opbouw van een eredienst vertel je altijd een bepaald verhaal over wat er gebeurt als mensen deze God ontmoeten. De vraag is niet of je er iets over wilt vertellen — dat doe je onontkoombaar altijd —, de vraag is wat je erover wilt vertellen en of dat altijd hetzelfde moet zijn (zoals bij de in onze kerken vrijgegeven orden van dienst). Juist in een gemeente als die van de Tituskapel is het zonder meer nodig dat niet iedere zondagmorgen het verhaal van de orde hetzelfde is. Daarvoor zijn we een veel te divers gezelschap en maken we als verschillende mensen teveel ontwikkeling door. Bovendien is een groot gedeelte van de gemeente extra gevoelig voor de grote wet van de retorica, dat namelijk alles goed is behalve het vervelende.

In wat we willen vertellen zit in een gereformeerde kerk wel een herkenbare kern. Zoals boven aangegeven vieren we het feest van het nieuwe leven dat de levende God ons geeft, en we vieren het met hem, bij hem, geleid door Jezus Christus zelf. Het verhaal dat we te vertellen hebben wil een verhaal zijn van God over de ontmoeting met God. De kern van wat we te zeggen hebben over de ontmoeting van mensen met deze God zal dus altijd een variant van het evangelie zelf zijn. Zijn genade komt tot ons als een woord om te geloven, te vieren en dan uit te leven. Maar die kern kan heel verschillende concrete vormen aannemen, net als je in de bijbel zelf de ontmoeting met Jezus en met God zelf heel verschillende vormen ziet krijgen.

Dat kan de vorm zijn van: als we de levende God ontmoeten vertelt hij ons wonderlijk mooie dingen, waar we hem voor danken en waar we in ons leven verder mee willen (ontmoeten, luisteren, danken, uitzenden). Maar ook de vorm van: als we de levende God ontmoeten schamen we ons voor onszelf, maar worden we gelukkig door hem in de ruimte gezet en bevrijd en krijgen we nieuwe zin om ons leven aan hem te wijden (ontmoeten, schuld belijden, luisteren, levenswijding, uitzenden). Of de vorm van: als we de levende God ontmoeten vertelt hij ons belangrijke dingen voor ons leven, die delen we met elkaar en willen we verder ook met anderen delen (ontmoeten, oriëntatie ontvangen, gemeenschap ervaren, uitzenden). Er is haast geen einde aan het vertellen van verschillende verhalen hier.

De laatste bron van deze verhalen — willen ze ware en betrouwbare verhalen zijn — is altijd de bijbel, op onze situatie toegespitst in het evangelie van Jezus en zijn Geest voor ons. In de praktijk betekent dit dat de doelstelling van Schriftlezing en preek een sleutelpositie innemen in het geheel van de eredienst. Een bijbelgedeelte zegt iets, een preek wil op basis daarvan iets bereiken of oproepen, te denken en te leven geven. Wat dat is bepaalt uiteindelijk de opbouw van de hele eredienst. Wat er aan voorafgaat leidt daar naartoe en wat er op volgt volgt er ook uit. In het geheel van de eredienst wordt het evangelie zo gericht opnieuw verteld en als het ware opgevoerd, inclusief mogelijke reacties op Gods woorden door mensen.

Aan die opvoering van het evangelie en reacties daarop doen we in een eredienst allemaal mee. In een antwoordlied op de groet van God of op de preek wordt een reactie van de kerkgangers opgevoerd. Die reactie wordt met des te meer overtuiging gegeven als duidelijk is dat die groet of die preek daar ook echt om vraagt. Wanneer een gebed niet aansluit bij wat daarvoor is opgeroepen in de dienst, maar op zichzelf staat of een heel andere kant op gaat, is het echt even schakelen voor je mee kunt bidden. Alleen daarom al moeten de verschillende onderdelen in een eredienst echt combineren en vloeiend in elkaar overlopen. Het verhaal moet samenhangend zijn.

Hoe vertel je iets met een eredienst?

Hoe doe je dat dan, een bepaald verhaal vertellen met een eredienst? Uiteraard spreekt een eredienst op een eigen manier. Ze is geen verhaal met woorden alleen. Maar er is wel een parallel. Net als je een verhaal opbouwt uit samenhangende alinea’s en de alinea’s weer uit zinnen, is het verhaal van een eredienst opgebouwd uit liturgische blokken, en die blokken weer uit liturgische elementen. Die blokken moeten onderling samenhangen, net als de alinea’s in een goed verhaal, en de elementen moeten passen bij het blok waarin ze voorkomen en zo zorgen voor de innerlijke samenhang daarin.

Voorbeelden van liturgische blokken zijn:

  • bijeenkomen en je concentreren op God (ontmoeting)
  • schuldbelijdenis naar aanleiding van de ontmoeting met God en genadeverkondiging in die ontmoeting (vernieuwing)
  • oriëntatie ontvangen in je leven (luisteren)
  • danken
  • overgave en levenswijding bieden aan God
  • gemeenschap ervaren (bijvoorbeeld in avondmaal vieren)
  • je laten uitzenden door God

Met dergelijke blokken (er zijn er veel meer mogelijk) vertel je een verhaal over de ontmoeting met God. Wanneer ze in elkaar grijpen vertel je een begrijpelijk verhaal.

Voorbeelden van liturgische elementen zijn:

  • invocatie (votum) en groet
  • stil gebed
  • lof-gebed en aanbidding
  • gebed voor de opening van het Woord
  • Schriftlezing(en)
  • preek
  • schuldbelijdenis
  • genadeverkondiging (absolutie)
  • dankgebed
  • inzameling van gaven
  • voorbede-gebed
  • lezing van gebod
  • onderwijs (bijvoorbeeld via een formulier)
  • geloofsbelijdenis
  • stilte
  • getuigenis
  • avondmaalsviering (strikt, het rituele deel)
  • zegen

Centraal punt is hierbij dat de liturgische blokken de elementen inkleuren en bepalen. Een gebed hoort anders opgezet en verwoord te worden naar het een plek heeft in een blok ontmoeting, schuldbelijdenis, danken of uitzenden. Hetzelfde geldt voor de preek, de Schriftlezing of een getuigenis, en vooral voor de liedkeuze, om niet meer te noemen. Wanneer dat niet of onvoldoende gebeurt wordt de boodschap van het betreffende blok en daarmee van de dienst als geheel onderbroken. Kerkgangers ervaren dat als onzorgvuldig en verwarrend. Ze weten dan niet wat te doen en wat ervan te denken. Het verhaal van de dienst bepaalt de blokken, de blokken bepalen de elementen.

Een wendbaar geheel

Met deze benadering ontstaat een wendbaar geheel waarin je heel weloverwogen een eredienst kunt opbouwen. We hebben er in het seizoen 2007-2008 tot nu toe mee geëxperimenteerd, maar er nog lang niet alle mogelijkheden van verkend. Het grote voordeel ervan is dat deze aanpak helemaal onafhankelijk is van de stijl en de media waarin de eredienst wordt vorm gegeven. Liturgische elementen laten zich in alle mogelijk stijlen vormgeven en in principe via alle media (woord, muziek, beeld, ritueel) uitvoeren of ermee ondersteunen. Veel ervan kun je direct zingen, in klassiek-kerkelijke of in eigentijdse muziek, maar ook kun je een Schriftlezing soms in video vormgeven of een preek met beeld en muziek ondersteunen. Het is met alle in de Tituskapel aanwezige creativiteit belangrijk dat we van deze mogelijkheden gebruik (blijven) maken.

Op deze manier kom je praktisch direct los van een onvruchtbare discussie over vormen en stijlen. Het gaat in die alle om de inhoud. Je kunt een complete oud-kerkelijke ordinarium-liturgie (met Kyrie, Gloria, Sanctus, Agnus Dei) uitvoeren in lichte muziek en liederen uit Opwekking. Net zo kun je een ‘revival’-liturgie (zoals de boven gegeven standaard uit het seizoen 2006-2007) uitvoeren met liederen uit het Gereformeerd Kerkboek, desnoods aangevuld met wat Liedboek voor de Kerken, op orgel of met een klassieke muziek groep. Het enige wat echt telt is dat de boodschap van het geheel van een eredienst helder moet zijn. De verschillende onderdelen moeten samenhangen en vloeiend in elkaar overlopen. In de praktijk kiezen we praktisch meestal voor een lichte muziek invulling van de erediensten, omdat die het meest aansluit bij de musici en het grootste deel van de gemeente. We voeren het verhaal van de dienst dan uit in ‘contemporary worship’ vorm, niet omdat dit de enige mogelijkheid is, maar omdat ze goed past.

Wendbaar of niet, er is inmiddels weer een bepaalde standaard en een verwachtingspatroon voor de morgendiensten ontstaan. Dat is ook terecht. Wanneer elke zondagmorgen alles weer anders zou zijn wordt de aandacht afgeleid van de ontmoeting met God naar de vraag: wat zouden ze er deze keer van gemaakt hebben? Waar mensen inmiddels op zijn gaan rekenen is het begin van de dienst:

  • welkom
  • blok ‘ontmoeting’
    • lied of liederen van ontmoeting
    • stil gebed
    • invocatie en groet
    • lied in reactie op groet
  • blok ‘luisteren’
    • gebed voor de opening van het Woord
    • Schriftlezing
    • preek

De rest van de dienst varieert dan meer, net naar wat er aan de orde is of aan de orde gesteld wordt. De opening met het blok ‘ontmoeting’ heeft zijn waarde bewezen. Er zijn variatiemogelijkheden genoeg in de liedkeuze en het aantal liederen om dit blok telkens weer anders in te vullen.

Om verder meer variatie te bieden zal het goed zijn ook regelmatig een ander blok tussen ‘ontmoeting’ en ‘luisteren’ te zetten, bijvoorbeeld een blok ‘vernieuwing’:

  • genadeverkondiging
  • schuldbelijdenis (bijvoorbeeld via een lied)
  • bemoedigend Schriftwoord
  • lied van vernieuwing

We gaan dus verder met de verkenning van de mogelijkheden van deze aanpak. Het zou kunnen dat dit aan het eind van het seizoen 2007-2008 resulteert in een aantal standaard-liturgieën die afwisselend gebruikt worden.

Tenslotte, een onderdeel van de erediensten waar we regelmatig tegenaan gelopen zijn en geen weg mee weten, zijn de mededelingen van de kerkenraad (en anderen op verzoek). Die mededelingen vormen geen liturgisch element en ze verdragen zich vaak niet met de plek in de eredienst waarop ze gegeven worden. De meest voor de hand liggende oplossing, die ook gebruikt wordt in andere kerken die op de Tituskapel lijken, zoals de Amstelgemeente, is ze op papier te geven in een uitvoeriger versie van de estafette en ze verder helemaal buiten de dienst te houden. Alleen zaken van direct liturgisch belang (zoals gebedspunten) krijgen dan nog een plek in de eredienst. Mondelinge communicatie van vaak veel organisatorische en huishoudelijke mededelingen, oproepen en dergelijke, is sowieso niet meer van deze tijd. Tot de tijd dat dit goede vorm gekregen heeft krijgen deze mededelingen zo goed mogelijk een plaats in de diensten.

Literatuur

Voor wie verder lezen wil volgt hieronder een beargumenteerde literatuurlijst.

Voor een uitvoerige en genuanceerde bespreking van ‘contemporary worship’, zie Cornelius Plantinga Jr. & Sue A. Rozeboom, Discerning the Spirits. A Guide to Thinking about Christian Worship Today, Grand Rapids (William B. Eerdmans) 2003.

Een sterke poging om boven de ‘worship wars’ in de Angelsaksische wereld uit te komen is te vinden in Thomas G. Long, Beyond the Worship Wars. Building Vital and Faithful Worship, Bethesda (The Alban Institute) 2001. In Nederland heeft Kees van Setten een dergelijke poging gedaan in zijn artikel ‘De Geest zingt alle talen’ in het Bulletin voor Charismatische Theologie 57,13-27 (2006).

Voor een overzicht van de laatste ontwikkelingen op liturgisch gebied, zie Marcel Barnard, Liturgie voorbij de Liturgische Beweging. Over ‘Praise and Worship’, Thomasvieringen, kerkdiensten in migrantenkerken en ritualiteit op het internet, Zoetermeer (Meinema) 2006.

Wie nieuwsgierig is naar gedachten over ‘evangelistic worship’ uit Redeemer Presbyterian Church in New York kan terecht bij twee teksten van Timothy J. Keller: een paper, Evangelistic Worship, uit juni 2001 en de uitgewerkte versie daarvan: ‘Reformed Worship in the Global City’ in D.A. Carson (ed.), Worship by the Book, Grand Rapids (Zondervan) 2002,193-249. De insteek van ‘worship evangelism’ wordt uitvoerig verwoord door Sally Morgenthaler, Worship Evangelism. Inviting Unbelievers into the Presence of God, Grand Rapids (Zondervan) 1995. Een samenvatting van dit boek is verschenen in de nummers van mei en juni 2007  van CV-Koers (online te vinden voor abonnees op www.cvkoers.nl).  Een uitvoerige bespreking van de eredienst in onze postmoderne cultuur is verder te vinden bij Marva J. Dawn, Reaching Out without Dumbing Down. A Theology of Worship for This Urgent Time, Grand Rapids (Eerdmans) 1995.

De traditioneel gereformeerde positie wordt verwoord door Jan Smelik, Gods lof op de lippen. Aspecten van liturgie en kerkmuziek, Zoetermeer (Boekencentrum) 2005 en voor de muziek door Dirk Zwart, Kogels in de kerk en andere beschouwingen over (kerk)muziek, Kampen (Kok) 2006. Voor wie meer internationaal wil kijken, zie Michael Horton, A Better Way. Rediscovering the Drama of God-Centered Worship, Grand Rapids (Baker Books) 2002 (uitvoerig) of Nicholas Wolterstorff, ‘The Reformed Liturgy’ en ‘Worship and Justice’, in Donald K. McKim (ed.), Major Themes in the Reformed Tradition, Grand Rapids (William B. Eerdmans) 1992, 273-304 en 311-317 (kernachtig).

Een sterke, bijbels georiënteerde bespreking van de Rooms-Katholieke liturgie is te vinden in het boek van Joseph Ratzinger/Benedikt XVI, Der Geist der Liturgie. Eine Einführung, Freiburg etc. (Herder) 2006 (herdruk), onlangs in het Nederlands vertaald als De geest van de liturgie. Een inleiding, Vlagtwedde (Vereniging voor Latijnse liturgie) 2006.

Wie meer over de eredienst en vooral de muziek in de oude kerk wil lezen kan terecht bij Calvin R. Stapert, A New Song for an Old World, Grand Rapids (William B. Eerdmans) 2007.

Over de tien geboden in de eredienst valt te lezen in het al genoemde boek van Jan Smelik, ‘‘End sijn gheboden gaede slaen’ De Tien Geboden in de kerkdienst’, pagina 129-152.

Op het internet is bijzonder de moeite waard de site van het Calvin Institute of Christian Worship. Dit instituut is onderdeel van Calvin College in Grand Rapids, verzet veel werk op het gebied van (eigentijdse) erediensten en biedt daar veel materiaal en informatie over op de site.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *