Waar Gods hart klopt

Preek over Johannes 12:32

orde morgendienst
welkom
zingen: NGK 145
zingen: Psalm 72,1.7.10
stil gebed
votum en groet
zingen: Opwekking 462
gebed
Schriftlezing 1 Johannes 4:7-12
preek over Johannes 12:32
zingen: Jezus, U nodigt mij
stilte met video zandschildering
gebed
zingen: Psalm 63,2
lezen 1 Johannes 3:11-24
zingen: Liedboek 481
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 544 (correctie: ons)
zegen

Bij de levende God zijn wij mensen echt welkom. Hij is de God die in het diepst van zijn eigen leven gastvrij is, de God die ruimte maakt voor zijn schepping, ruimte voor mensen bij zichzelf, in zichzelf. Zo begint het grote verhaal van de bijbel. In het begin schept God. En hij schept niet zomaar een ruimte, een geschiedenis, nee, hij legt op aarde een eigen woonplaats aan, het paradijs. Dat was Gods eigen huis, waar zijn levensrivier ontspringt en zijn eigen bomen staan. Mensen mogen wonen bij God in huis, hebben er een eigen plaats en taak, zijn echt welkom. Echt gastvrij — de God die altijd al samen is in liefde en gemeenschap opent zich voor anderen, anders dan hij, om in liefde en gemeenschap te leven. Daar klopt Gods hart voor.

En ik denk zo, uiteindelijk klopt daar ook ons hart voor. Mensen vinden pas werkelijk rust aan het hart van de levende God, bij hem thuis. We zwerven door het leven en over de aarde tot we de hemel op aarde weer gevonden hebben. Eindelijk thuis. En we dragen de herinnering aan eens met ons mee. Het verlangen naar echt recht, zuivere liefde en ware schoonheid zit diep in mensen. Al leggen we ons er al bij voorbaat bij neer dat het zo niet zal lukken, werkelijk gelukkig zijn we pas als de wereld weer recht gezet is, als zuivere liefde de maat zet en alles mooi is. Maar ja. Zo is het niet meer. De bijbel vertelt hoe de mensen Gods vertrouwen en zijn gastvrijheid geschonden hebben. Als een stel logé’s dat in je privé-spullen rondneust vergrepen de mensen zich aan Gods eigen boom van uitmaken wat goed en kwaad is. We hebben hem bedrogen en gekwetst en, zoals hij gezegd had, toen begonnen we te sterven. Het leven werd vergankelijkheid. Alles ging kapot en we maken het nog steeds verder kapot.

Kunnen we nog terug? Kunnen we nog terug naar de levende God? En zijn we dan nog welkom? Of zal hij reageren zoals wij zo vaak reageren op mensen die ons gekwetst hebben, die kapot gemaakt hebben wat voor ons zo mooi was? Je merkt in alles dat mensen dat nauwelijks durven: terug naar God. Al was het maar om zichzelf toch nog overeind te houden. Adam en Eva verstoppen zich na hun zondeval. Zo vaak verstoppen wij ons nog voor God. Hij moet ons echt komen roepen: Adam, waar ben je?

Maar wat blijkt dan? Als God mensen komt roepen, roept hij ze alsnog echt bij zich. Eerst in Abraham en het volk Israël, later nog dieper: als hij in Jezus op aarde komt blijkt dat Gods hart nog steeds klopt voor liefde en gemeenschap. Hij komt om ons van heel dicht bij te roepen, als mens onder de mensen, bij zich: volg mij, zegt hij. Ondanks alles blijkt de levende God nog net zo gastvrij als altijd. Hij deelt uit, drinken en eten, genezing, vergeving. Waar Jezus is, is opnieuw de hemel op aarde en zijn mensen welkom, hoe slecht en incompleet en gemankeerd en vergankelijk en vervallen en dubbelzinnig wij ook geworden zijn. God wil ons nog steeds bij zich hebben, alsnog, toch.

Maar het gebeurt weer. Jezus zegt er zelf van: dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht (Joh. 3:19). Hij wist het: hij was niet gekomen om goede mensen te roepen, maar slechte mensen. Jezus ging het land door, hij deed goed, hij genas, hij vergaf, hij gaf mensen weer leven, maar de mensen verdroegen het niet en hingen hem op aan een kruis. Kwam de levende God ons weer roepen, toch nog, alsnog, en dan eindigt het zo, met de dood van Gods Zoon. Denk het je maar even in: heb je mensen ontvangen in je huis en ze hebben je vertrouwen geschonden, er een bende van gemaakt en alles vernield, kom je toch nog naar ze toe om ze weer te roepen, wordt je echt helemaal in elkaar geslagen. Hoe zou jij reageren?

Goed. De levende God reageert niet zo als wij. Hij houdt vol. Zijn hart klopt zo werkelijk voor liefde en gemeenschap, dat hij zich door geen kwaad uit het veld laat slaan. Wat het ook kost. Jezus is doodsbang geweest. Met zoveel woorden zegt hij het eerder in Johannes 12. In de andere evangeliën wordt het later verteld bij de scène in Getsemane. Jezus wist hoe het zou gaan. Hij zou van de aarde omhoog geheven worden aan een kruis. Maar juist zo wilde hij iedereen naar zich toe halen. Hij wil ons echt bij zich hebben. Eén van de bisschoppen uit de oude kerk, Cyrillus van Jeruzalem, zei het zo: Aan het kruis strekte God zijn handen uit om de einden van de aarde te omhelzen. Door mensen, door ons, weg geduwd uit het leven, eruit geranseld, opgehangen — toch strekt Jezus zijn armen naar ons uit: kom, zondaar, kom, welkom bij mij, bij de levende God. Juist aan het kruis klopt het hart van God op het diepst. Het laatste, het diepste, dat wat hij echt wil, waar hij alles voor over heeft, zie je daar: hij wil jou, wie je ook bent, wat je ook doet of gedaan hebt, hoe je er ook aan toe bent.

Kruis van San Damiano

Laten we dat vanmorgen ons eens in beeld voor ogen stellen. Ik zal er even wat over vertellen. Wat we hier zien is het beroemde kruis van San Damiano. Dat hing in het vervallen kerkje van de heilige Damianus in Assisi in Italië toen Franciscus van Assisi daar in 1205 regelmatig kwam bidden. Later werd Franciscus, zeg maar, de mannelijke moeder Theresa van de Middeleeuwen. Dat kwam onder andere doordat hij bij dit kruis een stem hoorde die hem opriep: Ga, Franciscus, repareer mijn huis, want je ziet dat het op instorten staat. De kloosterorde die hij stichtte bestaat nog steeds: de Franciscaner orde. Door Franciscus is het kruis beroemd geworden. Wie het origineel wil zien kan terecht in de kerk van Santa Chiara in Assisi.

Zoals je kunt zien is het niet echt een crucifix, een kruis met het lichaam van Jezus eraan. Het is eigenlijk meer een icoon, een afbeelding niet uit de Roomse, maar uit de Oosterse kerken. De onbekende maker was waarschijnlijk een monnik uit Syrië. Hij heeft zijn best gedaan het hele evangelie in één kunstwerk te vangen. Niet alleen de kruisiging, ook de opstanding en zelfs de hemelvaart wordt aangeduid. Jezus leeft weer. Hij heeft overwonnen. Het graf is open. Het staat open afgebeeld op de horizontale kruisbalk, inclusief de engelen van Pasen. Jezus hangt niet meer aan het kruis, maar staat zelf, de armen wijd in een gebaar van overwinning en welkom. Ik laat de vele details maar voor wat ze zijn. Elk onderdeel spreekt hier. Maar het gaat me vooral om de voor ons primaire indruk van het geheel: Jezus heet ons welkom vanaf zijn kruis. Kom maar, kom, wie je ook bent, welkom bij mij. Welkom bij de levende God zelf. Waar Jezus is, is opnieuw de hemel op aarde en zijn mensen welkom.

Wanneer ik van de aarde omhoog geheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen. Dat kun je hier zien, als je wilt kijken. Iedereen. Kijk maar naar de wonden in Jezus’ handen en voeten. Zijn bloed stroomt als teken van zijn liefde. Ondanks, ja juist vanwege jouw gebrokenheid en kwaad roept hij jou tot zich en heet hij jou welkom. Ook al zijn wij nog zulke vreemde gasten op aarde, hij wil ons. De schade die wij aanrichten draagt hij. Denk er maar bij aan de kleine sporen van vernieling die we door elkaars leven trekken. Denk er ook maar bij aan de verwoesting die wij als mensen op aarde aanrichten, niet alleen door oorlogen en directe vernietiging, maar ook door ons uitbuiten van alles. Je zult toch maar de aarde als mooi huis gemaakt hebben en dan zulke vreemde gasten krijgen… Maar Jezus wil jou echt. Hij identificeert zich zo met ons, dat hij liever ons kwaad op zich neemt en sterft onder onze ellende dan dat hij ons laat voor wat we zijn. Duur voor hem, bevrijdend voor ons. Aan het kruis klopt echt Gods hart voor ons: wie je ook bent, wat je ook hebt gedaan, hoe je er ook aan toe bent, ik wil jou er echt bij hebben. Welkom. Kijk maar.

— Moet je echt even stil van worden. Het is echt niet logisch, echt niet vanzelfsprekend. Denk maar weer even terug: wat zou jij doen? Hoe gaan wij om met elkaar? Hoe gastvrij zijn wij voor elkaar, voor mensen, voor mensen die we niet kennen, voor mensen van wie je echt niet weet wie ze zijn en wat ze zullen doen? En wat heb je zelf gedaan, hoe heb jij je tegenover God, tegenover Jezus opgesteld? Kijk eens even eerlijk naar jezelf. Zou jij iemand als jij graag in huis nemen? Inclusief al jouw irritante trekjes? Inclusief jouw geheimen? Stil. Jezus doet het. In hem doet de levende God zelf het. Je bent welkom. Wees niet bang. Echt. Kom maar, kom maar staan bij het kruis, zoals je bent. Kijk maar, je bent welkom. Toch. Alsnog. Bid maar. Geef jezelf maar. Stil. Kijk maar, hier. Hier klopt Gods hart, ook voor jou.

Johannes was de leerling van Jezus die misschien wel het best geluisterd heeft naar zijn meester van allemaal. Hij trekt in zijn eerste brief de diepe consequentie: als hij ons dan op die manier liefheeft moeten wij ook elkaar liefhebben. Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden. Niet wij hebben God, God heeft ons welkom geheten aan zijn hart, juist door Jezus, zijn Zoon, te zenden om ons kwaad te dragen. Als God ons dan zo, op die manier, heeft liefgehad moeten ook wij elkaar liefhebben. Nee, niet dan moeten ook wij God liefhebben. Johannes denkt heel reëel: liefhebben gaat metterdaad, kijk maar naar Jezus. Nou, niemand heeft God ooit gezien, dat gaat dus niks worden met hem een handje helpen of een bakkie troost geven. Nee, als je echt onder de indruk bent, heb dan elkaar lief, niet met woorden, maar met daden. Dan blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden.

Daar gaat het God kennelijk om, dat wij nu ook elkaar weer welkom heten aan ons hart, in ons huis en in ons leven. Als wij voor het kruis staan, staan we daar niet alleen. We komen niet één voor één bij Jezus in een donker kamertje. Zijn kruis staat hoog op de heuvel Golgota, te zien voor iedereen. Het is ook bedoeld voor iedereen. Het is echt zoals die oude Cyrillus zei: Aan het kruis strekte God zijn handen uit om de einden der aarde te omhelzen. Kijk maar naast je. Je naaste is degene die naast je zit of loopt of werkt of nog wat anders doet. Naar haar, naar hem strekt Jezus ook zijn armen uit: welkom, kom maar. Gods hart klopt ook voor haar, voor hem, net zo goed als voor jou. Hoe meer het je raakt dat Jezus jou erbij wil hebben, dat hij jou welkom heet, des te meer zal ook jouw hart gaan kloppen voor die ander, voor die anderen.

En let op, dat is dus niet een grote verterende opdracht die jij zelf en ook nog wel alleen of met een paar mensen moet gaan uitvoeren. Het is uiteindelijk een effect, een vrucht. Het is iets van Gods liefde zelf voor jou die overloopt naar anderen. Kijk eens naar Jezus, aan het kruis waar Gods hart ook voor jou klopt. Als God ons zó liefheeft, als hij zijn leven voor ons geeft, wat wil ik dan met mijn leven? Het voor mezelf houden? Maar dat past helemaal niet. Om jezelf cirkelen vloekt met Jezus die ons welkom heet, wat dat hem ook kost. Kijk maar. Johannes vraagt dan: hoe kan Gods liefde in iemand blijven die zijn hart sluit voor een broeder of zuster? Als God zijn hart opent, wil hij ook ons hart openen.

Maar juist als onze liefde, onze gastvrijheid, ons elkaar en anderen welkom heten dan geen eenzame opdracht mag worden, maar een effect, een tot haar doel komen van Gods liefde wil zijn, is het heel belangrijk dat we ons goed voor ogen stellen met wie we te maken hebben. Christenen zijn de mensen die geroepen zijn door deze Heer, toch, alsnog: welkom, kom maar. Zo is hij. Zo gaat hij met ons mee, ons leven door. Nee, inderdaad niet maar als crucifix, als gestorven aan een kruis, maar wel zo als op deze icoon: Jezus leeft als gekruisigde tot in eeuwigheid. Hij staat in de hemel als geslacht lam. Zo gaat hij ook met ons mee op aarde. En nog steeds geldt: waar Jezus is, is de hemel op aarde en zijn mensen welkom, ook wij. Hij heet ons welkom, alle dagen van ons leven, ook, zeg, aanstaande donderdagavond weer, als je je afvraagt wat je die dag weer van je leven gemaakt hebt en wat niet.

Hoe meer je hem zo met je mee ziet gaan, des te meer zie je ook de mensen naast je. Het zijn nog altijd vreemde types, mensen. Ingewikkeld, dubbelzinnig, in heel veel opzichten slecht ook. Christenen zijn niet naïef. Liefde is ook niet naïef. Je hart openen voor een ander betekent niet je laten gebruiken. Ik wil het toch maar even gezegd hebben, kom er later wel op terug in de serie. Maar hier gaat het om wat anders. Wie zo Jezus met zich mee ziet gaan als hij hier voor ons staat en ons allemaal welkom heet, die heeft een boodschap aan die mensen, wie ze ook zijn. Het zijn de mensen naast jou. Jezus’ welkom geldt ook voor hen. Jij mag ze dat laten merken door goed voor ze te zijn, door ze uit te nodigen, door je open op te stellen, door ze te laten merken dat ze de moeite waard zijn, vreemd of niet.

En ja, dat kan best betekenen dat je stank voor dank krijgt, dat je vertrouwen geschonden wordt, dat je gekwetst wordt, dat je met al je inspanning toch afgewezen wordt. Kijk maar weer naar Jezus hier. Hij heeft daar nogal wat ervaring mee, ook door jou. Toch spreidt hij zijn armen in een eindeloos diep welkom. Gods diepste gastvrijheid. Hij nodigt ons. Ons. Niet maar jou, niet maar mij, ons, mensen. Hen ook dus, hen, wie ze ook zijn, tot aan de einden der aarde. Kijk maar naast je, hier, straks op straat, morgen weer in je dagelijks leven. Hen ook. Heb dan lief en doe wat je wilt. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 23 september 2007
Voorburg, 30 september 2007
Utrecht-NW, 11 november 2007

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *