Ik houd zo veel van je

Preek over Jesaja 43:1-7

orde morgendienst
zingen: Opwekking 355
zingen: Psalmen voor Nu 145
stil gebed
votum en groet
zingen: Opwekking 474
gebed
Schriftlezing Jesaja 43:1-7
preek over Jesaja 43:1-7
zingen: Psalm 103:5.7
doop Kasper ter Veen
zingen: NGK 145
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: NGK 160
zegen

De God die leeft als geen ander spreekt woorden die leven als geen andere woorden. Lees ze, hoor ze, en als een levend wezen zoeken ze de weg naar je hart. We lezen ze vanmorgen in de dienst waar Kasper in gedoopt wordt, en vanzelf gaan ze daar naar klinken ook.  Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij! En straks klinkt het in de naam van de God die deze woorden sprak: Kasper! Je bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en ik houd zoveel van je. Weer niet bang, want ik ben bij je. Vanzelf kruipen Gods woorden naar hem toe, en net zo goed naar jou toe, wie je ook bent. Misschien denk je er voorlopig nog het jouwe van, misschien lijkt het je voorlopig zelfs wel niks, dat God zelf jou bij je naam zou roepen: waar ben je, hier ben ik voor jou! Toch, je bent hier vanmorgen, je hebt de woorden van Jesaja de profeet gehoord. En, laat ik het zo maar es zeggen: nu is het te laat. Nu zijn deze woorden onderweg, onderweg naar jou, als een liefdesbrief van God zelf aan jou, net als straks aan Kasper.

En God heeft de tijd, trouwens. Bij Kasper doet hij er op zijn gemak jaren over om zijn woorden bij hem binnen te brengen. Hij mag eerst uit alle macht groeien, eerst leren praten, eerst leren luisteren. Tussen alle stemmen die hij zal horen blijven deze woorden van God hem zoeken, geduldig, intens, intiem. En ook bij jou heeft God de tijd. Hij zegt het je vanmorgen allemaal rustig nog eens. En zelfs als je nu je schouders ophaalt en je eigen leven verder leidt — tussen alle stemmen die je de rest van je leven hoort blijven deze woorden van God je zoeken, geduldig, intens, intiem. Ze lopen al meer dan 2500 jaar achter de mensen aan. Die paar jaar van je leven hier kunnen daar rustig bij.

Laten wij dan maar éven rustig bij het begin beginnen. Want misschien heeft iemand net wel gedacht: maar kan dat zomaar? kan dat eigenlijk wel, zomaar doorlezen van Jesaja naar ons? Kaspers naam staat hier niet en mijn naam ook niet. Aan wie is deze liefdesbrief van God eigenlijk gericht? Wie is Gods geliefde? Van wie houdt hij zoveel dat hij dit soort dingen zegt? Dat zijn allemaal goede vragen. En ook als je ze net zelf niet gesteld hebt is het de moeite waard er wel even bij stil te staan. Want al die mensen die protesteren als wij in de kerk allerlei woorden die God tegen zijn volk Israël spreekt zomaar ons toeëigenen, hebben wel een punt. Dat kan inderdaad allemaal zomaar niet. Daar zijn heel bijzondere en wonderlijke dingen voor nodig geweest. Deze woorden van God lopen echt al een hele weg door de geschiedenis voor ze jou en mij bereiken. Het is de moeite waard daarop te letten en die weg te volgen. Gods woorden blijken er alleen maar sterker en levendiger door, wonderlijke woorden voor jou.

Inderdaad is deze liefdesbrief van God gericht aan zijn volk Israël. Met zoveel woorden wordt het aangesproken: Jakob, Israël. En ze is geschreven aan Israël toen het niet bepaald goed ging met het volk. De precieze tijd is niet meer uit te maken, maar die maakt ook niet zoveel uit. In ieder geval was het toen vanuit de regio waar nu Iran en Irak liggen grote volken van machtige veroveraars het Midden-Oosten overspoelden: eerst de Assyriërs, later de Babyloniërs en nog weer later de Perzen. Hele volksstammen werden gedeporteerd en Israël werd niet gespaard. Moet je door het water gaan, moet je door het vuur gaan — dat soort dingen leeft voor mensen die gedeporteerd worden. De mensen waren bang en ze hadden reden om bang te zijn ook. Ze kenden ellende niet maar van televisie, maar van hun eigen pijn. Het volk Israël is in die eeuwen verspreid over de hele toen bekende wereld. En het ging er daarbij bepaald niet zachtzinnig aan toe.

Midden in die ellende spreekt Israël God dan deze woorden. En het zijn woorden van een verbluffende liefde. Wees niet bang, want ik zal je vrijkopen. Ik geef de mensheid in ruil voor jou. Egypte tot diep in Afrika toe laat hij losgeld zijn voor zijn volk. God geeft zichzelf hier als een man die zo hartstochtelijk liefheeft dat hij alles loslaat om zijn geliefde te behouden. Jij bent alles voor mij, jij bent de enige vrouw op aarde voor mij. De hele wereld kan me gestolen worden, als ik jou maar heb. De grote God van hemel en aarde schaamt zich niet om zó lief te hebben, zo helemaal voor Israël te gaan. Hij rent de vier windstreken langs om al zijn zonen en dochters terug te halen, elke steen keert hij om op zoek naar zijn volk. Alles cirkelt om die intieme woorden: Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en ik houd zo veel van je. Werkelijk verbluffend. Welke god heeft zó hartstochtelijk lief?

Maar laat het ook maar even vervreemdend zijn. Het zou me niets verbazen als hier in West-Europa zo ongeveer iedereen ook Joods bloed in de aderen heeft, maar toch, in principe horen wij vanouds bij die mensheid die God hier zomaar opgeeft voor zijn volk. Als dit alles was wat in de bijbel stond, stonden wij er naast. Ook uit het Noordwesten zou God zijn Israëlieten opeisen: Geef hier! Wij zouden toeschouwers zijn. En we zouden er niets tegenin te brengen hebben ook. Mag God niet houden van wie hij wil? Mag iedere vrouw haar man liefhebben boven alle andere mannen, maar mag God zoiets niet? Hebben wij recht op Gods liefde? Waarmee hebben wij dat recht dan verdiend? Zijn wij beter dan de Joden, beter dan Israël? Nee, láát het ook maar even vervreemdend zijn, hier. Laat het maar even doordringen dat het echt niet zomaar kan: deze woorden horen en op jezelf betrekken. Het zijn geen algemene waarheden waarvan ieder mens zou kunnen zeggen: dat gaat over mij. Ze gaan in eerste instantie helemaal niet over ons en zijn eens niet aan ons geschreven.

Als je dat even gevoeld hebt ontstaat er misschien ruimte voor verbazing dat God nog veel verder gegaan is in zijn liefde dan hier, dat hij nog veel hartstochtelijke liefheeft dan wij ons voor kunnen stellen. Want als je deze liefdesbrief aan Israël leest in het geheel van de bijbel, gebeurt er iets mee. Het blijken levende, zoekende woorden, die kruipen waar ze niet gaan kunnen. Op een gegeven moment, ruim 500 jaar ná Jesaja, gaat er een man rond in het land van Israël. Ook al zijn er veel Israëlieten terug in het land, het is nog altijd ballingschap. Nu zijn de Romeinen aan de beurt om alles te overheersen. Deze man gaat naar de Jordaan en wordt er gedoopt. En een stem klinkt uit de hemel — dat betekent: iedereen moet het weten —: Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde. En later klinkt dat nog eens op een hoge berg. Deze man is de koning van Israël, heel zijn volk trekt zich samen in hem. Hij is Israël in eigen persoon. En deze woorden uit Jesaja vinden hem: Welnu, dit zegt de Heer, die jou schiep, Jezus, die jou vormde, zoon van Maria: wees niet bang, want ik zal je vrijkopen, ik heb je bij je naam geroepen, jij bent van mij!

Deze man had ook geen makkelijk leven. Zijn ballingschap ging nog veel verder dan die van zijn volk. Tot in de dood toe werd Hij weggevoerd. Maar des te meer bleek het waar wat hier staat: Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en ik houd zo veel van je. Tot in de dood toe klonk de stem van de levende God: Laat los! Geef hier! En in nieuw leven kwam Gods Zoon terug van verre. En in zijn naam kwamen allen mee die bij hem horen. Hij is Israël in eigen persoon. In hem leeft zijn volk. Gods liefde blijkt nog veel verder te reiken. Zijn hartstocht breekt door de dood heen. Nooit is het meer waar geweest dan bij Jezus, zijn Zoon, dat God alles wat hij doet voor altijd doet. Daar is niets aan toe te voegen, daar is niets van af te doen.

En dan kom je nieuw Jesaja 43 binnen, in Jezus’ naam. Deze woorden die de dood door gekropen zijn gaan opnieuw gelden voor iedereen die bij Jezus hoort. Meer dan wie ook is hij, de Koning, de Messias, Israël in eigen persoon. En door hem worden alle mensen geroepen: Kom, hier ben ik, ik leef voor jou, kom bij mij en leef tot in eeuwigheid. Alleen wie komt en zich aan Jezus geeft mag deze liefdesbrief van God op zichzelf betrekken, in Jezus’ naam. Maar iedereen mag komen, niemand hoeft te denken: niet voor mij bedoeld. Hoor je bij hem, dan wordt op een nieuwe manier de naam van de levende God over je uitgeroepen: In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Hoor je bij hem, dan mag je het jezelf horen zeggen in de doop: jij bent mijn geliefde zoon, mijn geliefde dochter, in jou vind ik vreugde.

Tijd om echt met open mond rond te kijken in Jesaja. Gods liefde schakelt altijd weer in een nog hogere versnelling. Niemand hoeft meer te denken: niet voor mij bedoeld, niet aan mij gericht. Niemand hoeft toeschouwer te blijven en er buiten staan. Als deze woorden Jezus’ dood door gekropen zijn richten ze zich op in nieuwe kracht. Geeft God hier in Jesaja alle volken op voor zijn eigen volk, in Jezus roept hij alle volken zijn volk binnen. Hij roept niet meer: Geef hier!, maar hij roept: Kom hier! Hij neemt ons bij de hand naar Jezus toe: kom, kijk hier, kijk naar dat kruis, zie dat lege graf: zo kostbaar ben je in mijn ogen, zo waardevol, zo veel houd ik van je. En iedereen die gekomen is en op Jezus vertrouwt mag zich laten dopen en horen: ik roep je bij je naam, jij bent de mijne! Alle hartstocht die we hier al proeven: God die helemaal gáát voor zijn volk, komt in nog veel bredere, verder reikende golven op jou af: eens niet zijn volk, nu wel zijn volk. De woorden zoeken jou, de eeuwen over: Ik, die jou schiep, die jou vormde, Ik houd zo veel van je. Om wille van mijn majesteit heb ik jou geschapen, jou gevormd. Kom en leef!

Nee, deze verzen van Jesaja moet je echt niet zomaar op jezelf toepassen. Ze komen op je af door het leven, de dood en de opstanding van Jezus heen. In Jezus zegt de levende God het ook tegen jou, wie je ook bent: Ik houd zo veel van je. Dat is nooit en te nimmer iets waar we recht op hebben of wat vanzelfsprekend is. God zegt het hier tegen Israël, en het is een wonder. God zegt het tegen Jezus, en het is een wonder van nog grotere liefde. En in Jezus zegt God het tegen ons. En dan mag ons tot in alle eeuwigheid de mond openvallen van verwondering over zo’n grote liefde, zo’n diepe hartstocht. Waar zou de liefde in ons zijn en de waarde om zo iets te verdienen? Nergens, nergens en nog eens nergens. Het is alles God, alles Jezus, alles zijn Geest, die ons bij de naam roept: je bent de mijne!

Goed, Hanna en Age, als we zo hier bij het doopvont staan is dat in opdracht van Jezus. We worden op bevel van Jezus Christus gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Jezus is het geheim. Hij is het die deze woorden in Jesaja opnieuw op weg stuurde, op zoek naar jou, op zoek ook naar Kasper. Als je hem straks over God, over Jezus vertelt, en hem leert iets te begrijpen van waar het in zijn doop om ging, heb je uiteindelijk maar één opdracht: leer hem zich te verbazen over Gods hartstochtelijke liefde voor hem in Jezus Christus, onze Heer. De rest volgt daaruit, of het is uiteindelijk onbelangrijk. Jezus is het die ons bij de naam roept — verdraaid, hij kent ons echt. Hij is het die zijn naam over ons laat uitroepen — hij wil nog de onze zijn ook! Hoe dat mogelijk is zullen we misschien wel nooit begrijpen. Het is het wonder van zijn liefde. Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en ik houd zo veel van je. Wonderlijke woorden, levende woorden, woorden met steeds een nieuwe horizon: Israël, Jezus, wie ook maar bij Jezus wil horen. Woorden die leven, altijd weer onderweg naar jou, wie je ook bent. Woorden van leven, eeuwig leven. Daarom in Jezus’ naam: Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 3 oktober 2010
Amsterdam Akergemeente, 1 mei 2011

in een eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 20 november 2005

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *