Barst… de hel op aarde wordt verboden

Preek over Marcus 1:14-45

orde morgendienst
welkom
zingen: NGK 145,1-4
zingen: Opwekking 159
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 104,1.2.10
gebed
Schriftlezing Genesis 12:1-5a
preek over Marcus 1:14-45
zingen: Psalm 145,1-3 (berijming Liedboek)
lofprijzing Kolossenzen 1:12-23
zingen: Opwekking 626
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 387
zegen

Vorige week zondag zijn we hier begonnen met een reeks preken over het evangelie van Marcus. De hemel komt op aarde … barst. We gaan nu verder met die barst… de hel op aarde wordt verboden.  We zijn begonnen met Marcus ergens in slow-motion na te denken, te vertellen. Want Marcus zelf is best wel snel, misschien is je dat net ook al opgevallen bij de lezing. Als het in een paar woorden en een enkele typering kan wordt er verder niet omheen gepraat. Meteen dit, meteen dat. Zo snel is hij ook begonnen. In één keer, hupsakee: Het begin van het goede nieuws over Jezus Christus, de Zoon van God. Voor iedereen die er anders over denkt: meteen maar een steen door de ruit, dan heb je in ieder geval de aandacht.

Ons gaat dat zomaar te snel. Als mensen die allemaal ergens wel beseffen dat het niet vanzelfsprekend is om in God te geloven, in een God met een Zoon nog wel, hebben we meer tijd nodig. Tijd om weer overtuigd te worden, verleid tot vertrouwen. Tijd ook om weer lucht te krijgen in onze gesloten wereld, zonder God, zonder meer. Wat bij Marcus werkt als een steen door een ruit, gebeurt bij ons dan meer als een steen die een barst slaat in de voorruit van ons leven. Tik, en langzaam trekt de barst verder, langzaam maar zeker dringt er weer iets door van gene zijde. Als die man daar bij de Jordaan Gods Zoon is, dan is er Iemand bezig om ons weer zonen en dochters van God te maken. Als je goed luistert hoor je het al: jij bent mijn zoon, mijn dochter, in jou vind ik vreugde…

Vanmorgen hebben we verder gelezen in Marcus en ik ga ook verder met het volgen van die barst in de ruit van onze gesloten wereld. Nee, we zijn niet onder elkaar, symbolisch in de kerk niet, maar veel breder: we zijn niet onder elkaar hier als mensen op aarde. En dat wat je meemaakt, dat is het dan. Er is nog iemand verschenen, een uiterst merkwaardige man, Jezus. Hij is aangekondigd als God zelf, de Heer, maar hij schuift aan in onze mensenrij. Hij is gewoon een Jood zoals er zoveel zijn, maar hij zegt vreemde dingen. Hij zoekt ons op waar we zijn — als we met z’n allen bij de Jordaan staan, verschijnt hij daar —, maar dan blijkt er meer aan de hand met hem. Dat hij de Zoon van God is, God zelf die zich met ons komt bemoeien, dat blijkt kennelijk in de manier waarop hij mens is. En als dat nu eens allemaal waar is, als dat klopt, wat haalt dat dan los in jouw leven? wat brengt dat binnen, meer dan er nu is?

Marcus, en ook Jezus zelf volgens Marcus, verwacht daar kennelijk nogal wat van, hij wil kennelijk heel wat bij mij, bij ons los halen, overhoop halen misschien zelfs wel. Jezus trekt rond in Galilea met de boodschap: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’ De vertaling is een beetje jammer. Vooral dat ‘kom tot inkeer’, dat betekent voor ons iets anders dan de bedoeling is. Tot inkeer komen wij als wij zelf gaan nadenken: waar ben ik nu helemaal mee bezig? wil ik dit wel? bij tot inkeer komen hoort ook tot jezelf inkeren — en als we dan tot beter inzicht komen dan vervolgens daarnaar gaan leven. Maar het gaat Jezus niet om beter inzicht. Hij komt niet uitleggen hoe het werkelijk zit en ons goed advies geven over hoe te leven. Hij komt zelf iets doen en ons goed nieuws brengen, goed nieuws dat ons in beweging wil brengen, al was het maar dat we uit onszelf komen, dat we ons richten op hem. In mijn eigen woorden gezegd, gaat Jezus rond in Galilea met de boodschap: ‘Het is zover! God zelf gaat als koning optreden! Kom in beweging en vertrouw op dit goede nieuws.’ Dat is wat Jezus betreft het opschrift boven alles wat volgt in Marcus. ‘Het is zover! God zelf gaat als koning optreden!’

En dan langzaam, dan gaat het verder en zien we niet God, maar we zien Jezus. Hij loopt langs het meer van Galilea. En tegelijk is er iets mee, het klopt niet, niet normaal, het is ook niet maar Jezus, niet maar een nieuwe leraar in Israël, een rabbi, die onderwijs komt geven en dat is het dan. Hij wacht niet tot mensen denken: zo, dat is een goede leraar, bij hem wil ik wel in de leer. Hij loopt langs het Meer van Galilea en roept vier vissers. Hij roept ze met het gezag van een koning. Ze worden niet gevraagd, ze worden gevorderd. Ze worden niet verzocht iets te doen, ze worden gewoon ingelijfd. Kom mee, zo gaat het. En laat het even in het geheel van de bijbel klinken en er blijkt nog meer: meer nog dan een koning is hier. Met dezelfde overtuigende vanzelfsprekendheid als God Abram riep in Charan worden hier deze vier mannen geroepen. En met dezelfde directe vanzelfsprekendheid gaan ook deze vier op weg. Ze laten hun werk achter, hun familie, hun bestaan, hun geschiedenis: zoveel generaties vissers. Heel hun leven tot dan toe laten ze uit hun handen vallen en ze volgen Jezus.

Dat is echt geen normale reactie, toen net zo min als nu. Er komt een verder onbekende man langs op je werk, je familiebedrijf. Hij zegt: Kom mee, ik heb beter werk voor je. Er moeten mensen gered worden, opgevist uit de draaikolk van de ondergang. En je gaat. Dat is niet normaal. Later, als Jezus op een bepaalde manier beroemd geworden is, merk je nog aan mensen dat wat deze vier vissers hier doen heel vreemd is. Heer, ik zal u volgen, maar — laat me eerst afscheid nemen, m’n vader begraven, m’n leven op orde maken, en dan… Niet zoals hier. Dit is vreemd. Hier gaan vier nuchtere vissers direct mee. Vergroot dat ook maar even uit, langzaam. Het zijn geen wazige denkers, toch al labiele figuren, snel onder de indruk van een charismatisch persoon. Het zijn geen eens mensen die iets willen leren, die een rabbi nodig hebben. Ze hebben al werk, handwerk. Ze hebben al een bestaan, en echt geen behoefte aan grote idealen of dromen. Als deze vier meteen meegaan moeten ze iets gemerkt hebben wat ook Abram merkte in Charan: hier roept niet maar een man, hier roept God zelf me. Dat is in ieder geval wat Marcus suggereert: het is zover! God zelf gaat als koning optreden, kijk maar.

Hoe langzamer je dit neemt, des te meer kan het je aan het denken zetten. Nee, Jezus komt vandaag niet bij je langs om je uit je bestaan te roepen. Jij bent Abram niet en ook niet één van de apostelen. Niemand wordt ooit nog op dezelfde manier als zij visser van mensen. Wij kijken mee met Marcus naar Jezus. We zien hem langs het meer lopen, gewoon, mens onder de mensen, zoals je bij wijze van spreken nu nog langs dat meer kunt lopen. Maar mensen reageren op hem als was hij God zelf. — Hoe reageer jij op hem? Wat ga jij doen met wat je hem tegen jou hoort zeggen? Wat dat dan ook is, verderop in het evangelie, elders in de bijbel. We zijn nog maar bij hoofdstuk 1. Zou jij ook niet op hem reageren als was hij God zelf? Marcus lijkt dat wel verstandig, de moeite waard, het proberen waard. In hem gaat God zelf tenslotte als koning optreden, kijk maar.

En weer gaat het dan verder niet met God, maar met Jezus. Ze gaan naar Kafarnaüm, Jezus geeft onderwijs in de synagoge. Hij legt de wet, de profeten en de geschriften uit, apart, niet normaal, niet als teksten van een ander, tweede-hands, of zelfs derde-hands: zoals Mozes zei, zoals rabbi Akiva zei — maar als zijn eigen teksten: ik zeg u. Hij spreekt met gezag, met bevoegdheid. Hij spreekt als koning, ja, hij spreekt als God zelf, als de auteur met autoriteit. God zelf gaat als koning optreden en kijk. Denk er nog eens aan terug, als we verder lezen in Marcus en je hoort Jezus zeggen: zo staat er in de profeten, ik zeg u, dat. Denk er eens over na.  Woorden van God zelf.

Zo wordt hij herkend door een onreine geest, als de heilige van God. En weer is er dat gezag: ‘Zwijg en ga uit hem weg.’ Bij zieken gaat het net zo: ‘Ik wil het, word rein’. Gezag. Nergens gaat het hier over kracht, over sterker zijn, over invloed, over krachten. Alles wat we net lazen bij Marcus staat in het teken van dat ene woord: gezag, bevoegdheid. Deze man, zomaar opgedoken in de rij mensen bij de Jordaan die zich door Johannes de Onderdompelaar lieten dopen, blijkt, hij gedraagt zich als God zelf die als koning gaat optreden. Zijn godheid komt uit in de manier waarop hij mens is. Het is zover.

 

Dat is waar we hier goed op moeten letten. Alles wat Marcus schrijft, gaat over Jezus. Hij is de hoofdfiguur om wie alles draait. Hij is het die vier vissers simpelweg meeneemt, met vanzelfsprekend gezag. Geen tegenwerping mogelijk, komt niet eens op. Hij is het die onderwijs geeft als de originele auteur van de Tenach. Hij is het die op een unieke manier reageert op bezetenen en zieken. Uniek. Let daar vooral ook goed op. Marcus vertelt niet over een exorcist en al helemaal niet over een gebedsgenezer. Nergens gaat het hier over een of andere charismatische persoonlijkheid met aparte invloed of bijzondere krachten. Er duikt geen wijze sjamaan op, geen goeroe met vreemde gaven. Er is geen hocus pocus, er zijn geen bijzondere zegen-handelingen, geen formules, geen speciale rituelen. Er is gewoon iemand, verder niet eens bijzonder, en hij spreekt. Er is hier iemand met gezag. God zelf gaat als koning optreden, kennelijk.

Dan wordt om te beginnen — het is nog maar het begin, nog maar hoofdstuk 1 — de hel op aarde eerst maar eens verboden. Ik heb een tijdje gezocht naar dat woord verboden. Er zit iets in van gezag, van de bevoegdheid om te zeggen: zwijg, verdwijn, verboden toegang. Maar er zit ook nog iets terughoudends in. Het is nog niet de tijd dat ziekten, dood en ellende samen met de duivel en zijn engelen in de vuurpoel vernietigd worden. ‘Ben je gekomen om ons te vernietigen?’, vraagt die eerste onreine geest. Uiteindelijk wel, gezien in het geheel van de bijbel, maar hier nog niet. Het begint pas, en het begint met Jezus die kennelijk zo’n gezag heeft dat hij tegen de hel op aarde kan zeggen: verboden toegang, hier niet. Het begint bij Jezus die als koning op aarde in zijn omgeving de hel verbiedt. Waar God als koning optreedt is het voor duivel, hel, ziekte, verboden toegang. Dat is waar het hier om gaat.

Het blijft terughoudend. Terughoudend ook in die zin dat het Jezus hier niet gaat om genezingen en uitdrijven van demonen zelf. Dat is niet wat hij hier in Galilea komt doen. Met zoveel woorden, een paar keer: hij komt om mensen het goede nieuws te vertellen. dat God als koning gaat optreden. Jezus neemt geen initiatief om te genezen of te bevrijden, pas als hij aangesproken wordt, gevraagd, zegt hij iets, doet hij iets. En totaal anders dan in welk ander verhaal van bevrijding of genezing dan ook: met gezag. Als er teveel mensen op hem afkomen om genezen of bevrijd te worden, gaat hij ergens anders heen (want: ik moet het goede nieuws verkondigen). Jezus houdt geen genezings- of bevrijdings-campagne, integendeel, hij heeft er eerder last van. Uiteindelijk moet hij het leven van een melaatse leiden (op eenzame plaatsen buiten de steden) om te voorkomen dat hij permanent overlopen wordt.

Er zit de hele tijd in Marcus (en in de andere evangelie-verhalen net zo) een spanning, die naar voren komt in dat: vertel het niet door. Alsjeblieft niet nog meer… De spanning tussen Jezus’ werk: het goede nieuws brengen dat God als koning op gaat treden en de bewijzen daarvan, de effecten daarvan: in Jezus tréédt God als koning op met gezag over demonen, ziekten, ellende. Waar God als koning optreedt is het voor duivel, hel en dood verboden toegang — en de mensen rennen erop af, niet maar om Jezus als koning te erkennen, maar vooral om van de hel op aarde af te komen.

Nu is dat niet zo gek, natuurlijk. Jezus vindt het zelf ook niet gek. Bij die laatste man wordt het er bij verteld. Je zult tenslotte maar aan huidvraat lijden. Het gaat hier in het hele stuk nergens over kleinigheden. Als iemand koorts heeft — daar verkijken wij ons op, denken we: aspirientje en zo, zo over — voor de tijd van de pijnstillers en de aspirientjes: als iemand  koorts heeft kun je zomaar dood gaan. Maar je zult maar aan huidvraat lijden. Een mooi nieuw woord, uitgevonden om een ziekte aan te duiden die wij niet meer kennen of misschien wel, maar we weten niet welke, een huidziekte, zal wel wat met lepra te maken hebben. Maar dat is niet niks. Dan ben je uitgestoten uit je familie, je volk, onrein, meer nog dan besmettelijk, en mag je samen met een paar lotgenoten ergens langzaam wegsterven, wegteren, wegrotten in de eenzaamheid. Echt heel erg. Wat we de hel op aarde noemen, zo losweg. Als deze levende dode op Jezus afkomt krijgt hij medelijden, steekt zijn hand uit, raakt hem aan: ik wil het, word rein! En Jezus wordt niet onrein door het aanraken van deze zieke, maar de zieke wordt gezond: ik wil het. Medelijden, dat is het hem, en is het hem de hele tijd.

Het is het grote medelijden van God  waar het allemaal uit voortkomt. De laatste reden dat God zelf als koning gaat optreden, is dat hij ons ziet, mensen op aarde, in onze situatie, en medelijden heeft. De hele range aan verschillende voorbeelden die we net gelezen hebben, van die bezeten man, die beheerste man door kwade onreine geest, die zieke schoonmoeder, die andere zieken, daar zit een hele wereld achter van mensen die verslaafd zijn, die ergens niet meer los van kunnen komen, die beheerst worden, mensen die ziek zijn, mensen die pijn hebben, mensen die sterven, langzaam, over jaren. Daarin komt Jezus binnen, en waar hij komt is dat verboden. En het is een teken van: als ik mijn werk gedaan heb, als in mij God helemaal als koning is opgetreden, dan is dit voorbij. Dan trekt de barst in de ruit van je leven echt een stuk verder: het is niet, het blijft niet wat het is, echt niet. Hier komt frisse lucht van gene zijde je bestaan binnen.

Langzaam. Naast je, in je leven duikt een man op. En waar hij komt, daar is het verboden voor ziekte, verboden voor pijn, verboden voor verslaving. En waar hij zegt: ga, hou op, daar stopt het.  Langzaam. Dus niet de voor de hand liggende parallel. Marcus wijst je hier niet de weg naar genezingsdiensten, naar bijzonderheden, niet naar bevrijdingspastoraat-dingen, niet over op zoek naar die ene die je die uitzondering misschien even zou kunnen geven. Hij stuurt je geen alternatief circuit in, uiteindelijk binnen je leven, binnen je wereldje. Hij wil je leven open maken. Het gaat om Jezus. Hij is de koning in wie God op aarde verschijnt om het geheel recht te zetten. Het gaat om Jezus. Over Jezus die opduikt in het leven van mensen en die gezag heeft, luister naar hem. Het gaat over Jezus die de bijbel opnieuw uitlegt, met gezag, luister naar hem. Het gaat over Jezus die opduikt naast je en die kennelijk bezig is met iets veel groters. Hier is kennelijk iemand bezig met het helemaal weer recht zetten van heel ons leven, niet maar even, in een korte genezing en dan toch weer ziek worden en sterven, niet maar even, in een bevrijding voor een tijdje en dan gaat het toch weer verder als altijd. Hier begint iets heel anders. Hier gaat God als koning optreden.

Om te beginnen, laat hem zo eens tot je doordringen. Om te beginnen, richt je zo eens op Jezus zelf. God die als koning komt optreden. Om te beginnen, bezing hem zo eens, maak hem zo eens groot. En kom zo eens in beweging. Dan zien we later wel wat er verder volgt. Dit is het begin. Dit gaat om Jezus en om hem alleen. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 15 januari 2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *