De hemel komt op aarde – Barst…

Preek over Marcus 1:1-13

orde morgendienst
welkom
zingen: Psalm 100
zingen: Opwekking 581
stil gebed
votum en groet
zingen: Liedboek 175,1-3
gebed
Schriftlezing Marcus 1:1-13
preek over Marcus 1:1-13
zingen: Iona 20
avondmaalsviering
zingen: Liedboek 319
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 320
zegen

Goed mensen, eerst even wat voor-werk vanmorgen, om te voorkomen dat ik iemand zou kwetsen of buitensluiten in het vervolg. Wie is er hier vanmorgen en is niet gedoopt? — Niet heel erg veel mensen. Goed. Welkom. Oké. Wie is er hier vanmorgen en gelooft niet in God, echt helemaal niet? Mag je best zeggen in de kerk. — Nog minder mensen, zullen we maar zeggen. Kun je misschien verwachten in een kerk, maar goed, ik heb het maar liever even gecheckt. Oké. — Wie is er hier vanmorgen en heeft nog nooit, echt nog nooit getwijfeld dat God er is en zich met ons bemoeit? Iemand die nog nooit de koude wind heeft gevoeld van de zuigende vraag: als dit leven nu eens alles is, als alles wat ik geloof en denk van God eens inbeelding is? — Oók niet echt heel veel mensen. Had je dat verwacht in een kerk, trouwens? In een gereformeerde kerk nog wel, hèt bolwerk van zekerheden en overtuigingen. Niemand, hè.

Kerk zijn in de 21e eeuw is toch een soort van lotgenotencontactgroep vormen van twijfelaars en aangevochten types. Mochten we ook best eens wat meer mee doen. Ons wat minder groot houden voor elkaar en zo. Je hebt gewoon meer aan lotgenotencontact als je toegeeft ook zo te zijn: twijfelaar, best wel bang, iemand met ergens een geheim, iemand die altijd ook het gevoel heeft dat het wel eens allemaal heel anders zou kunnen zijn. Als er ergens in Amsterdam een plek zou mogen zijn waar je daar open over kunt zijn, zonder bang te hoeven zijn dat iemand reageert met: oooh, dat mag je helemaal niet denken… — dan is het de kerk, zou ik denken.

Hoe dat ook zij, dat hier zo weinig atheïsten, moslims, zenboeddhisten en zo in de kerk zijn heeft ook een nadeel. We zouden zomaar kunnen missen hoe ruig Marcus eigenlijk begint:  met een grote steen door dubbel glas te gooien. Hier begint de goede boodschap over koning Jezus, Zoon van God. Daar is niets schokkends, zelfs niets opvallends aan als God er natuurlijk altijd al was, en kijk hij heeft natuurlijk ook altijd al een Zoon, en, ja, zij zijn aardig. Maar als je net lekker achter je thermopane zit te genieten van je prachtige gesloten wereld, waarin het wemelt van de wetten en regelmatigheden, maar waarin geen goden voorkomen, en al helemaal geen God met een Zoon — dan is dat een steen door je ruit. Zonder slagen om de arm, hupsakee: dit verhaal gaat over God & Zoon, en het is goed nieuws. Moslims reageren in stijl dan, trouwens: die schrijven in grote letters op de Al Aqsamoskee in Jeruzalem: er is één God en hij heeft geen zoon. In één keer terug. Maar Marcus is net zo direct. En hoe overtuigender je dan iets anders vindt, des te harder botst het.

Marcus is in allerlei opzichten de rouwdouwer onder de evangelie-schrijvers. Hij knalt er rechtstreeks in, zonder introducties, verzachtende omstandigheden of wat dan ook. Het gaat over Jezus en het gaat over God. Hij is de messias, de koning, en Zoon van God. Als daar in het vervolg ook maar iets in blijkt te zitten, dan kan de wereld nooit meer dezelfde zijn als ze eerst leek. Dan is er een God, en dan doet hij iets goeds (evangelie, goed nieuws) voor iedereen die het horen wil, in Jezus zijn Zoon.

Hoe overtuigder je iets anders vindt, des te sneller gaat het. Hier begint de goede boodschap over koning Jezus, Zoon van God. Boem, bats, brekend glas, dat in splinters naar beneden valt. Maar zo zaten we hier niet. Meer van: ik weet het niet altijd even goed. Hoe meer je twijfelt en je vragen hebt, des te langzamer gaat het. In het denken wordt alles eenzaam en langzaam, moet de Duitse filosoof Martin Heidegger ooit geschreven hebben. In twijfel, dat is ook  denken, wordt het dus ook  allemaal eenzaam en langzaam. Des te belangrijker dat je wel even Marcus’ inzet pakt. Langzaam afgespeeld wordt dat een hamerslag in het glas: tik, een put en een barst, die steeds verder trekt. Ja, iedereen die nu denkt aan die Carglass of Autotaalglas-reclames, heel goed. Er komt van alles uit de hemel vallen — barst, en daar wordt het weer dan door gesponsord, of zo. Als de hemel op aarde komt en je wereld is gesloten, dan komt die tik en die barst en het gaat…

En zonder gekheid, ik vind dat echt wel iets van ‘lucht, eindelijk lucht’ hebben. Het lijkt allemaal zo goed te kunnen zonder God, zonder Jezus, zonder de Geest die levend maakt. Soms voelt het alsof het leven dan langzaam maar zeker in cellofaan verpakt wordt: de kleur blijft, maar van binnen is alles vacuüm en krijgt je geen lucht meer. Het is wat het is en het kan blijven wat het is ook. Geen God, geen recht, geen redding, geen opluchting, geen leven dat echt blijft en groeit en zo… Als dan het mes in het cellofaan gaat, of de hamer in het dubbel glas, dan is dat het begin van nieuw leven, lucht, adem. Er is goed nieuws, koning Jezus, Zoon van God, is verschenen. Dus er is een God en hij doet iets en het is ook nog de moeite waard om door te vertellen.

Het begin van het goede nieuwe — Marcus. Als Marcus eerst zijn ruit heeft ingegooid geeft hij vervolgens drie argumenten. Het ene is traditioneel, het andere direct en het laatste vreemd, misschien zelfs wel op de manier van het Engelse weird. In ieder geval besteedt Marcus daar weinig woorden aan, veel minder dan aan het eerste. Argument 1: Johannes de Onderdompelaar is de vervulling van oude profetie: Jesaja. Argument 2: er klonk een stem uit de hemel, die zei dat Jezus zijn geliefde Zoon was. Argument 3: Jezus ging gelijk het andere uiterste te lijf: hij gaat helemaal naar waar de mensen zijn, waar de tegenstander is, het kwaad, de eenzaamheid, het gevaar.

Laten we die argumenten vanmorgen ook eens even langzaam af laten spelen. Bij Marcus gaat het allemaal snel, voor ons allicht te snel, en te zeker. Dan denk je: allemaal argumenten en zo, maar dat dringt allemaal niet door, dat voelt anders. Langzaam wordt het meer een uitnodiging, een verleiding, iets als: maar als je nu eens zo kijkt… stel nu eens dat… is het dan zo gek, om… Langzaam wordt het zelfs iets van: is er dan trouwens niet iets heel anders gek…?

Want stel, er is ergens een lange, lange traditie van eeuwen waarin wordt doorgegeven dat God zelf zal komen op aarde. Hij is de grote koning van alles en hij laat zichzelf aankondigen: maak alles klaar, ruim alles op, zorg ervoor dat alles netjes en verzorgd is, want daar komt de grootste, de machtigste, degene die alles in stand en in de hand houdt, die alles weet en alles beheerst. Hij laat voor zichzelf uitroepen: geef acht! wees klaar! De Heer die hemel en aarde, alles goed gemaakt heeft, niet als woestenij, maar als plaats om te wonen, hij komt op aarde, en houdt inspectie, ook in de woestijn.

En stel, er is niet alleen zo’n traditie, er is nu ook iemand die bijpassend optreedt. Hij kondigt het aan: let op na mij komt iemand die is echt groot en indrukwekkend. Hij is de Heer die je leven goed gemaakt heeft, die de aarde en alles hier goed en waar en mooi heeft opgeleverd. Hij komt kijken hoe het ermee staat, de koning, de Heer, die jou eigenhandig gemaakt heeft,  goed, en de mensen om je heen ook, die heel deze wereld opgeleverd heeft als een mooie tuin, in vrede, goedheid en recht. Bereid je voor, ruim je leven op, hark je tuintje aan, want nu komt er iemand, die is echt groot en belangrijker en indrukwekkend.

En stel, meer nog, de mensen geloven dat ook nog. Ze laten zich raken, ze kijken eens goed naar hun eigen bestaan, ze draaien zich om, ze openen zich, ze laten het tot zich doordringen: als dit mijn leven is, als dit is wat ik bereikt heb en wat ik heb aangericht, als dit is wat het is — en de maker van alles, de grote, goede, mooie God komt op aarde, dan is het tijd om heel eerbiedig om vergeving te vragen, om te bukken, om me onder te laten dompelen: Heer, ik heb gezondigd, ik heb niet gedaan wat u aan me verdiend had. Vergeef me, maak me nieuw.

— Stel dat allemaal, en lees snel, en je zou zomaar blijven hangen in: ja, tegen zo’n achtergrond, met zulke verhalen, met zo’n verwachtingsprofiel, met zoveel gelovigheid, is het geen wonder, dan komt er iemand die een beetje bijzonder is en de mensen geloven gelijk dat God zelf op aarde komt, dat de hemel op aarde komt, dat de man die dan opduikt God zelf is. Maar goed, dat zouden we niet doen, snel. We zouden langzaam de barst volgen die Marcus in het glas van ons leven slaat. Als de hemel op aarde komt, dan… barst. Dan kan het gaan opvallen dat die figuur die komt helemaal niet lijkt op degene die is aangekondigd. ‘Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!’ Na mij komt iemand, die is pas groot en machtig, indrukwekkend en verpletterend.

Maar degene die komt is een man, een man uit Nazareth, een achteraf-plaatsje in de provincie, en hij schuift gewoon aan in de rij mensen die zich laat onderdompelen in de Jordaan, hij neemt zijn plek in tussen al die mensen die zeggen: God, ik heb het verprutst, ik heb vergeving nodig en een nieuw leven. Niet groot en indrukwekkend, maar gewoon. Als wat Marcus nu gaat vertellen het verhaal is over de Zoon van God, en dus gelijk ook over God zelf, dan wordt het een vreemd verhaal, over een God die niet is zoals iedereen denkt, over een God die niet komt met macht en majesteit, verpletterend en alles vernietigend, maar over een God die naast ons verschijnt, ons leven deelt, alles incluis, en die het mee draagt, het van ons overneemt, het uitruilt: jij hebt het verprutst, ik ga wel onder in het diepe water van de doop, voor jou, en ik geef mijn leven aan jou, nieuw, goed, waar en mooi.

Gewoon iemand. Niemand zou hem er zo uitpikken uit de rij mensen bij de Jordaan. Wie van de normale mensen zou bij de doop van die man uitgeroepen hebben: dat is de Zoon van God! Je verwacht met z’n allen God in macht en majesteit en er komt een provinciaal. Een mensje. Toch is hij het wel, zegt Marcus. Een stem uit de hemel. Niemand had het verzonnen. Hij is zelfs Gods hele nieuwe begin van alles. De schepping mag je aan denken hier. Zoals de Geest van God als een duif boven het oerwater van de schepping zweefde, daalt hij hier als een duif neer op deze man. En er klinkt een stem uit de hemel: Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde. — Langzaam… Maar dan klopt het allemaal niet, wat wij zomaar aannemen, wat wij vanzelfsprekend vinden, over God en mensen en wereld en werkelijkheid. Dan trekt langzaam maar zeker die barst verder door de ruit van onze gesloten wereld van ‘zo gaan de dingen’, ‘dit zijn zo de wetmatigheden’, het harde glas van ‘jij ook altijd’ en ‘natuurlijk, dit is alles, moet je het maar mee doen’.

Natuurlijk, de dingen gaan zoals ze gaan, en al die wetmatigheden functioneren (en meestal gelukkig maar ook), en we hebben onze patronen ontwikkeld in ons leven, en alles lijkt prima te draaien zonder God. Stel eens, het is allemaal niet waar, wat zou er dan veranderen? Het kan zomaar bij je bovenkomen. Dan ben je toch gewoon één van al die andere miljoenen meer of minder geslaagde mensen die hier even oplichten op aarde en weer uitdoven. Ja. Maar dan begint Marcus over een goede boodschap over koning Jezus de Zoon van God, en het blijkt te gaan over een mens die naast jou opduikt, zomaar, een mens net als jij, aangeschoven in de rij bij de Jordaan. Hij kijkt jou aan, en nee, hij zegt nog niets, dat komt in de volgende hoofdstukken wel. Hij zegt nog helemaal niets, hier. Maar je hoort al wel een stem, ergens vandaan, waarvandaan dan ook, laten we zeggen uit de hemel: Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.

Als je dat heel langzaam tot je door laat dringen, niet snel, snel is het allemaal voor anderen — is dan nog steeds duidelijk tegen wie die stem spreekt? We zijn hier toch best een bijzonder groepje mensen. Op een paar na allemaal gedoopt. In opdracht van deze man die hier gedoopt wordt gedoopt, en verbonden aan hem. Als dan tegen hem gezegd wordt: jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde, tegen wie wordt dat eigenlijk nog meer gezegd? Als je nog niet gedoopt bent is dat een soort open plek, waar jij in kunt stappen. Als de hemel op aarde komt, als dat klopt: Jezus de Zoon van God, dan komt de boodschap door die barst in dat glas die steeds verder trekt toch ook naar jou: jij bent mijn geliefde zoon, mijn geliefde dochter, in  jou vind ik vreugde. Dat is nog eens lucht, een mes in het cellofaan.

Maar goed, dan gaat het verder. Dit is pas het begin van de goede boodschap over koning Jezus. En dit is ook pas het begin van veel meer preken over Marcus. Kennelijk wordt het spannend, als het zo begonnen is. Als de barst begint te trekken door je leven en er lucht en ruimte komt, wat komt er dan nog meer? Dan wordt het spannend. Dat derde, dat hele vreemde argument van Marcus. Dit is het evangelie, de goede boodschap over de Zoon van God, kijk maar: de Geest drijft Jezus meteen naar de woestijn, brengt hem bij de mensen, brengt hem in de eenzaamheid, brengt hem bij de tegenstander, bij het kwaad om op de proef gesteld te worden. En nee, Marcus zegt niet: hij overwon. Hij vertelt er verder niet over. Het gaat hem e r alleen maar om: daar kom je. Als de Geest op je komt, dan kom je in de werkelijkheid, in de woestijn, waar de tegenstander is, waar de wilde dieren zijn en waar de engelen zijn om voor je te zorgen. En in de tijd dat Marcus geschreven werd kwamen christenen bij de wilde dieren in de arena om opgevreten te worden.

Dit is de man die na mij komt, die meer is dan ik en die doopt niet maar met water maar met de heilige Geest. En wat gebeurt er als je gedoopt wordt met de heilige Geest? Dan ga je naar de woestijn en wordt je door de duivel verzocht en zijn er wilde dieren is het gevaarlijk en eenzaam, maar er zijn engelen die voor je zorgen. Heel Psalm 91. Leeuw en adder zul je vertrappen, roofdier en slang vermorzelen, want hij vertrouwt je toe aan zijn engelen die over je waken waar je ook gaat. Maar  een succesverhaal wordt het niet. En iedereen die in de naam van Christus succesverhalen vertelt zo van als je toch geloof komt dan gaat het je goed, dan word je rijk, dan wordt je leven een succes — het is geklets, het is een ander evangelie, iets waar je in de kerk niets mee te maken moet willen hebben. Dat is niet waar de Geest je brengt. Als hij komt brengt hij je naar de woestijn, naar de eigen mensenwerkelijkheid, met elkaar. En met Jezus.

Langzaam. Als het verhaal over God begint blijkt het een verhaal over een God die bij je in de rij komt staan bij de Jordaan, mens onder de mensen, naast je in je eigen leven, waar de vragen zijn, waar de tegenstander is, waar het kwaad is, waar goede mensen dood gaan. het gevaarlijk is, en waar voor je gezorgd wordt in Jezus’ naam. Laat Marcus langzaam bij je binnenkomen, en hij nodigt je uit om verder te lezen, verder te leven, om die langzaam verder trekkende barst in de ruit van je leven te volgen. Stel nu eens, dit verhaal gáát over God: goed nieuws over Gods Zoon — en stel eens, het gaat ook over mij, hoe ziet mijn leven er dan uit? Als de hemel op aarde komt — barst… — Dan gaat zometeen, als we avondmaal vieren zo’n stukje brood en zo’n slokje wijn spreken: dit is mijn lichaam, lichaam van God. Hemel op aarde, kun je proeven, en het gaat rond en alle mensen die ervan krijgen worden het ook: hemel op aarde. En het gaat spreken van de volkomen verzoening van heel mijn leven. Deze God die werkelijk komt, mens onder de mensen, ons leven deelt, overneemt, verzoent — zijn offer aan het kruis — en weer teruggeeft: midden in ons leven, midden in de woestijn en voor ons zorgt. Laten we hem bidden.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 8 januari 2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *