Alles voor God, via een gelijkenis

Preek over zondag 34 Heidelbergse Catechismus

orde middagdienst
votum en groet
zingen: Psalm 63,2.3
gebed
Schriftlezing Matteüs 13:44-52
zingen: NGK 139,1-3
preek over Zondag 34
zingen: NGK 179b
gebed
inzameling gaven
zingen: Liedboek 225
zegen

Weet u, eigenlijk ben ik best blij met die nieuwtestamentische variant van het eerste gebod die we net gelezen hebben. Ze scheelt veel misverstanden.

Ik zet ze even naast elkaar, de oude versie en de nieuwe: Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte uit het diensthuis, geleid heb. Jij mag geen andere goden hebben naast mij. Dien dan mij alleen. De oude versie.

En de nieuwe: Het hemelse koninkrijk lijkt op een schat die in een akker verborgen is. Iemand vindt die schat en verbergt hem weer. Hij is zo blij, dat hij alles gaat verkopen wat hij heeft, om die akker te kopen.

Ook lijkt het hemels koninkrijk op een handelaar die mooie parels zoekt. Als hij een heel kostbare parel ontdekt, gaat hij alles verkopen wat hij heeft en koopt die parel. De nieuwe versie, in het stereo van Jezus zelf.

Nee, dit is geen grap, en ook geen plagerijtje om de gedachten op volgorde te krijgen bij het begin van de preek. Hier moeten we even heel goed over nadenken. Als deze gelijkenissen inderdaad iets met het eerste gebod te maken hebben betekent dit, dat Gods geboden in Jezus handen van kleur veranderen, veranderen van geboden in gelijkenissen. Er gaat niets van de inhoud van het gebod af, er vervalt niets, er komt eerder bij, en toch is alles anders. Het gebod is een gelijkenis geworden. En daarmee komt hetzelfde anders bij ons binnen.

Dat scheelt veel misverstanden. Ik ga een misverstand uitwerken over onszelf, en een misverstand over God. Eerst wat onszelf betreft: Het scheelt het misverstand dat het in ons leven met God in Christus om gehoorzaamheid gaat. Een gelijkenis kun je niet gehoorzamen. Na een gelijkenis moet jij doen wat jij wilt. Als jij die schat niet de moeite waard vind ben je vrij om de kuil weer dicht te gooien en verder te gaan te als altijd. Dat zou onsterfelijk dom zijn, maar niemand zal zeggen: jij bent die schat ongehoorzaam geweest. De parelkoopman die zo’n heel kostbare parel ontdekt en die laat lopen, laat liggen, die heeft z’n bestemming als parelkoopman verloochend, maar niemand zal zeggen: dat mag jij niet doen. Na een gelijkenis moet jij doen wat jij wilt.

Het kan geen kwaad als we ons eens realiseren dat God de echte meester is op alle vormen van communicatie. Dat Hij dus altijd die vorm gebruikt om ons aan te spreken die past bij wat Hij bereiken wil bij ons. Christelijk leven is leven van binnenuit, hebben we gezegd. Van christenen geldt dat ze doen wat zij willen. Dat kunnen ze op een nieuwe manier omdat God in Christus van hen houdt. Maar hoe dan ook, het gaat om zelf leven, zelf kiezen, doen wat jij wilt.

Bij dat doel hoort de vorm van communicatie van de gelijkenis. Bij dat doel past perfect de aanspraak in een verhaal, in een vergelijking. Na een gelijkenis ben jij zelf aan de beurt, moet jij zelf kiezen, altijd, onontkoombaar, maar helemaal zelf. Als Jezus zijn onderwijs in de vorm van gelijkenissen geeft, betekent dat eenvoudig dat het Hem niet om gehoorzaamheid gaat, maar om dat wij zelf kiezen, van binnen uit leven. Dat gaat één op één. Als in het nieuwe testament de geboden terugtreden betekent dit, dat het God om iets anders gaat dan gehoorzaamheid.

Dat is nu net het grote verschil met het leven onder het verbond van de Sinaï. Daarbij ging het om door gehoorzaamheid te leren willen wat God wil, om de bestemming van je leven vinden door te doen wat je gezegd wordt. Daarbij horen geboden. Doe dit, laat dat. Het was Gods project met Israël dat ze zo zouden leren doen en willen wat God is. En dat project is grondig mislukt. Met ons zou het net zo goed mislukken. De ervaring van Israël is een spiegel, is onderwijs voor alle mensen. God gaat er echt niet mee door. Hij pakt ons anders aan.

Hij verbergt zich niet meer in wolken en donkerheid en majesteit, en roept dan van een berg af: dien Mij alleen. Nee, Hij verbergt zich in een medemens, die straks gekruisigd wordt, en laat ons die medemens dan ontdekken als de vleesgeworden goddelijke liefde, als een verborgen schat die meer waard is dan wat dan ook op aarde. En dan treedt God terug. Hij laat zich uit onze werkelijkheid wegduwen tot op dat kruis. Het evangelie wijst je de schat, en Jezus vertelt je er een verhaal bij: hoe het gaat met het volmaakte leven met God, met alles waar het ooit in dat ‘doe dat en je zult leven’ om ging, ja met God zelf in zijn liefde tot mensen, dat kun je vergelijken met hoe het gaat met iemand die een schat vindt. Hij is zo blij, dat hij alles gaat verkopen wat hij heeft, om die akker, en die schat, te kopen.

Alles over hebben voor God, je uitleveren aan Hem, zeggen: Heer, neem alles, dat is niet meer iets wat je geboden wordt, het is bij Jezus iets wat je zelf gaat doen omdat jij dat wilt – of het is niet waar het om gaat. Het is het grote risico van die eindeloze lezing van de tien woorden in onze kerken dat we dat vergeten, en dat we toch weer denken dat het gaat om gehoorzaamheid. Maar God wil niet gehoorzaamd worden, Hij wilt geliefd worden. Hij wil niet dat we alles voor Hem over hebben omdat dat moet, maar omdat wij dat willen, omdat we geraakt zijn door Hem, en niets vanzelfsprekender wordt dan alles verkopen voor díe schat.

We denken zo makkelijk dat wat Paulus schrijft over de liefde in dat bekende hoofdstuk 1 Korintiërs 13 alleen gaat over de liefde die wij tegenover mensen hebben. Dat is niet waar. Het gaat ook over de liefde die wij voor God hebben. Al gaf ik alles, al had ik alles, alles voor God over, al gaf ik mijn hele bezit weg voor eten voor de armen, al gaf ik mijn lichaam en kon ik me daarop beroemen, als ik geen liefde had, zou het me niets baten. Al deed ik alles wat in de catechismus staat, hier bij zondag 34, als ik het deed omdat het moet, en als ik geen liefde had, als ik het niet deed omdat ik het daarom wil, zou het me niets baten.

Nee, zo’n gelijkenis kun je niet gehoorzamen. Ze is geen gebod. Maar waar het in die gelijkenis om gaat is precies dat waar het in dat oude eerste gebod om ging. Nu een niveau hoger, dieper, dichter bij ons hart, tekent God zichzelf als onze schat. Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit dat slavenhuis, gered heb. Ik ben Jezus, jouw Verlosser, die je uit de wereld, dat slavenhuis, gered heb. En dan niet meer: jij moet, jij mag niet, nee, dan nu een slag verder: nou dan? wat wil jij? Je weet wat normaal is. Je weet wat je anders altijd vanzelfsprekend zou doen. Wie vergooit zijn leven door een schat weg te gooien? Na zo’n gelijkenis moet jij doen wat jij wilt.

Daarom ben ik eigenlijk best blij met die nieuwtestamentische samenvatting van het eerste gebod hier. Ze scheelt veel misverstanden. Dan dat andere misverstand, dat wat God betreft.

Ik zou u willen uitnodigen eens rustig te luisteren naar de stemmen in uw eigen hart die worden opgeroepen door dit eerste gebod. U mag geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Dien dan Mij alleen als God. Niemand naast Mij. Ik geef alles aan jou, geef dan ook alles aan Mij. Hem alleen, Hem heel, Hem alles, alles, alles of niks. Lees het gebed en vervolgens de uitleg van de catechismus en voor je het weet ontstaat er langzaam zo’n draaikolk bij dit eerste gebod, waarin je meegenomen wordt, en waarin alles draait om God. Een draaikolk, waarin je helemaal niet meer zelf kunt leven en kiezen, maar waarin je ternauwernood je hoofd boven water kunt houden, dankzij veel genade. Zijn christenen vrij? Wel nee. Ze moeten de Here, hun God liefhebben met hart en ziel en alles wat in hen is. En diep in je hart ontdek je zomaar een stem die zegt: God is een zeurpiet. God gaat het eigenlijk toch maar allemaal om Hemzelf. God houdt misschien wel van ons, maar dan met van die egoïstische liefde, van die liefde die claimt, die alles terug wil hebben.

Dat is een misverstand. Daar gaat het in dit eerste gebod helemaal niet om. Je kunt het misschien wel het beste samenvatten met wat Paulus ergens zegt: Om u echt vrij te laten zijn heeft God, heeft Christus u vrij gemaakt, houd dan vol en laat u niet weer een slavenjuk opleggen. Het is het gebod van ‘Ik ben een onuitputtelijke schat, de vervulling van je leven, vergooi je niet aan andere goden die je verslaven.’ Het gaat God in dit gebod niet om zichzelf, maar om zijn volk. Een volk dat dood gaat aan afgoden en verslavingen. Maar ja, zodra God zegt: jij mag niet, of: heb Mij lief, dan begint het in ons te leven. En dan komt die oude indringer weer een duit in het zakje doen: ja ja, jullie mogen natuurlijk van geen enkele boom eten, overal afblijven, alles is van God, de asociaal. En wij voegen zelf toe: ja ja, geen andere goden, mag ik dat dan niet zelf uitmaken? moet alles om God draaien?

Nou, God gaat het om ons. Kijk maar hier, bij de Here Jezus, Hij is God voor ons, gekomen, en Hij zegt: Ik ben een verborgen schat, een parel die gevonden moet worden. Ik dring me niet op. Jij moet zelf kiezen. God doet een stap terug om een stap verder te komen. Als Hij een gebod geeft, is dat goed en wijs en rechtvaardig en terecht, maar dan begint in ons de zonde te leven, zoals Paulus zegt. Goed, dan komt er geen gebod, maar een gelijkenis. Ik ben jouw schat, een parel van grote waarde voor jou. Doe maar, kies maar, jij moet doen wat jij wilt, al wil je Me kruisigen, weggooien. Normaal doe je zoiets niet, toch? Nou, denk dan es goed na: wat wil je echt? Jij moet doen wat jij wilt. Als je Mij alles geeft, geef het me niet omdat het moet, maar omdat je zo blij bent dat je Mij gevonden hebt. God doet een stap terug – dan geen gebod – om een stap verder te komen: om bij ons hart te komen.

Het gaat God niet allemaal om zichzelf. Het gaat Hem om ons. En wie Hem zo vindt, als de echt schat, die kostbare parel, die ontdekt dat dit ook zo blijft. Wie alles gaat verkopen, wie zijn hele leven inzet voor God, die merkt dat het juist niet in zo’n griezelige draaikolk wordt meegezogen waarin alles eindigt bij alleen maar een groot applaus voor God. Die merkt juist dat alles wat je aan God geeft vruchtbaar wordt voor andere mensen, die leert Gods ogen over de aarde volgen, op zoek naar anderen. Die merkt dat liefde voor God je juist meer van anderen, van de schepping, laat houden. De God die de echte schat van mensen is stort zich uit op alle vlees en verspreidt zich.

Het eerste gebod – alles voor God. Wie ermee naar Jezus gaat krijgt het bij Hem terug als een gelijkenis. Dat scheelt veel misverstanden. Over onszelf: wij moeten doen wat wij willen. En over God: het gaat Hem niet om zichzelf. God is niet zoals wij. Het gaat Hem om ons. Hij wil vrije kinderen. Neem dat dan maar samen zoals Paulus het ons leerde: Christus heeft ons bevrijd om in vrijheid te leven. Houd dus stand en buig u niet opnieuw onder het juk van de slavernij. Dat wil je toch niet? Nou dan. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 24 november 2002
Amersfoort-W, 6 februari 2005
Hilversum, 13 mei 2007
Rotterdam-Stad, 17 juni 2007
Lisse, 29 juni 2008
Amsterdam-ZW, 25 januari 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *