Verbond en doop

Je kunt met gereformeerden nauwelijks spreken over de doop zonder dat daarbij ‘het verbond’ ter sprake komt. De meesten lijken ook nog te denken dat dit een sterk argument is voor de doop van baby’s en kleine kinderen. Dat verbaast me al heel lang. Als aanvulling op een boeiende serie blogs van mijn buurman-collega in Haarlem, daarom wat opmerkingen. Ik weet dat dat een understatement is, maar korter lukt me niet. Ik laat al veel te veel argumentatie weg — en bovendien alles wat er bij Jos Douma (en Hans Burger daar) te lezen is.

Wat bedoelen gereformeerden eigenlijk met ‘het verbond’?

Zoals je bij gereformeerden kunt verwachten is daar niet één antwoord op, tenminste niet als je ook de details en allerlei theologische verbanden meeneemt. Er is een boek met als titel: Een eeuw van strijd over verbond en doop (1946). Was het maar een eeuw. Van het zestiende eeuwse begin af aan wordt over dit thema gebakkeleid. Toch is er wel iets algemeens over te zeggen. Vrijwel elke gereformeerde auteur of spreker gebruikt ‘het verbond’ als aanduiding voor het éne genadeverbond waarin God de eeuwen door met mensen omgaat. God geeft zijn genadige beloften en gaven en verwacht van mensen dat ze die gelovig aannemen. Er is één continue verhouding tussen God en mensen en die verhouding wordt getekend door rechtvaardiging uit het geloof. Er zijn wel fasen in dat éne genadeverbond, meestal ‘bedelingen’ genoemd, maar dat zijn niet meer dan fasen: inkleuringen van de éne verhouding. Dat éne genadeverbond zorgt ervoor dat er verbinding is tussen ons als gelovigen vandaag en alle gelovigen uit de hele bijbel, in ieder geval vanaf Abraham, de vader van alle gelovigen (Romeinen 4). Er kan dus nooit een tegenstelling zijn tussen het Oude en het Nieuwe Testament.

Om dat laatste ging het voornamelijk bij de uitvinding van dit éne genadeverbond in de zestiende eeuw. Allerlei Dopersen, dwepers en andere vreemde vogels maakten wèl een tegenstelling tussen Oud en Nieuw Testament. De Reformatoren en hun directe opvolgers vonden dat maar niks en de gereformeerden onder hen kwamen toen op de lumineuze gedachte van het éne genadeverbond. Zo kun je niet alleen de hele bijbel lezen en verbinden met je eigen situatie, je kunt ook doorredeneren van Oud naar Nieuw Testament, van besnijdenis naar doop, van pesach naar avondmaal, van de Tien Geboden als grondslag voor de oudtestamentische samenleving naar de Tien Geboden als grondslag voor de huidige samenleving, van de koningen van Israël naar de regeerders van nu en van het volk van God in het Oude Testament naar de christelijke natie van tegenwoordig (destijds). Het éne genadeverbond had voor veel zestiende eeuwse gereformeerden niet alleen een theologische functie, maar ook een maatschappelijke. Het zorgde voor een nieuwe grondslag voor een ordelijke samenleving na het wegvallen van het middeleeuwse canonieke recht. Terzijde: ik heb het sterke vermoeden dat dit ook andersom werkte en dat de gereformeerden die destijds vooral in de steden werkten op het idee van ‘het verbond’ zijn gekomen omdat verbonden tussen steden en regio’s toen veel voorkwamen.

De maatschappelijke functie van ‘het verbond’ is zeker vanaf de negentiende eeuw verdwenen. Daardoor hebben de meeste mensen ook contact verloren met typische trekken van het spreken over het verbond in de oude landskerken. Het sterkste voorbeeld daarvan vind ik de formulering in de Heidelbergse Catechismus, zondag 27: Moeten ook de kleine kinderen gedoopt worden? Ja, want de kinderen horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente. Er staat daar: ‘de’ (kleine) kinderen, en niet: de kinderen van de gelovigen. Dat vond men toen niet nodig. In een christelijke natie waren alle kinderen kinderen van gelovigen, behalve de kinderen van Joden en ‘Turcken’ en dergelijke. Die worden dan ook bedoeld met ‘de kinderen van de ongelovigen’ verderop in het catechismus-antwoord. Met een beroep op het verbond met Abraham-en-zijn-zaad werden ‘de’ kinderen gedoopt, of hun ouders nu gereformeerd waren en christelijk leefden of niet (de gereformeerden zijn altijd een minderheid geweest in de Nederlandse landskerk). Ik ben nog nooit een hedendaagse gereformeerde tegengekomen die deze dooppraktijk voor zijn rekening wilde nemen. Heel vaak geloven mensen niet eens dat het zo ging en dat je dat in de catechismus terug kunt zien.

Maar de theologische functie van het éne genadeverbond is gebleven. Het legt nog steeds verbinding tussen God en ons en tussen ons en alle gelovigen in de bijbel. De inkleuring van die verbinding is in de Gereformeerde Kerken wel veranderd de laatste decennia. Traditioneel was ‘het verbond’ een ‘geregelde’ relatie, een verhouding met bepalingen: het bestond uit een belofte/gave van God in combinatie met een eis van God, en vaak ook uit een aanspraak op de belofte van de gelovigen en een weder-eis van hen aan God. God belooft verlossing/redding/rechtvaardiging e.d. in Christus en hij eist geloof. Vooral door en na het boek van C. Trimp, Klank en weerklank (1989), heeft ‘het verbond’ meer de kleur gekregen van een persoonlijke relatie die op Gods initiatief tot stand gekomen is. Dat het woord verbond daarmee in feite overbodig werd heeft sterk bijgedragen aan het terugtreden van de verbondsterminologie in de kerken — zonder dat Trimp dat gewild (en voorzien?) heeft. Het speelt nu eigenlijk alleen nog een rol in de verdediging van de kinderdoop, parallel aan de besnijdenis in het Oude Testament.

Problemen

Dat er intussen ‘iets aan de hand is’ met dat éne genadeverbond merk je alleen al aan het feit dat het vrijwel alleen in de gereformeerde traditie voorkomt. Vóór de zestiende eeuw vind je überhaupt weinig of geen gebruik van de term verbond (er zijn wat oprispingen in de late Middeleeuwen rond het Latijnse woord voor verbond, pactum, maar dat is het ook wel). Buiten de gereformeerde wereld ontbreekt het net zo goed. Mijn eigen argwaan werd al tijdens mijn studie gewekt doordat binnen het verbondsjargon de verhouding tussen evangelie en geloof een verhouding van belofte en eis werd en daarmee scheef getrokken in de richting van een eerst is God en dan ben ik aan zet. Toen ik er vervolgens nog eens extra naar keek bleek me dat er heel erg weinig steun vanuit de bijbel is voor dat éne verbond: de bijbel geeft wel een keten van verbonden, maar de hele relatie van God en mensen van het begin tot het eind wordt nooit met verbond aangeduid.

Het éne genadeverbond is een typische dogmatische constructie, die in de zestiende eeuw en belangrijke theologische en maatschappelijke functie had. Zoals alle dogmatische constructies is het hoogstens op afstand bijbels en heeft het voor- en nadelen. Een opvallend nadeel is de keerzijde van het doel waar het ooit voor ontworpen is: het is extreem moeilijk om binnen dit systeem recht te doen aan de verschillen tussen de verbonden in de bijbel. Wat is immers nog het nieuwe van het nieuwe verbond, als dat nieuwe er eigenlijk altijd al geweest is? In het spoor hiervan is een verder nadeel: het is lastig serieus eigen aandacht te geven aan de eigen rol van Jezus, meer dan als hersteller van onze relatie met God in de vergeving van onze zonden,  en aan de eigen rol van de Geest, meer dan als gever van geloof en persoonlijke troost. Geen wonder dat gereformeerden het moeilijk hebben met charismatische en evangelische groepen, die juist voor het nieuwe van het Nieuwe Testament, het volgen van Jezus en de gaven van de Geest aandacht vragen.

In discussies over de kinderdoop ‘werkt’ het beroep op ‘het verbond’ dan ook zelden. De meeste verdedigers van de ‘geloofsdoop’ (je wordt gedoopt op je eigen geloof als teken dat je bij Christus hoort) beroepen zich heel direct op de bijbel. Ze staan meestal in de traditie die vindt dat je in de kerk alleen moet doen en moet verdedigen wat rechtstreeks op de bijbel te baseren valt. Als je je dan beroept op een constructie die niet alleen niet in de bijbel staat, maar de boel ook nog een stuk ingewikkelder maakt, werkt dat op zijn zachtst gezegd niet erg overtuigend. Zoals gezegd: ik verbaas me erover dat gereformeerden het beroep op ‘het verbond’ een sterk argument vinden.

De bijbel over verbonden

Ik doe een stap terug en kijk even naar wat je in de bijbel zoal vindt over de diverse verbonden. In het Oude Testament is het woord dat met verbond vertaald wordt een typische aanduiding van een ‘juridisch’ geregelde relatie. Ik zet juridisch tussen ‘’ omdat we in het Oude Testament een samenleving treffen van vóór het Romeinse recht. Juridisch betekent dan: plechtig vastgelegd tussen mensen onder beroep op God of de goden. Het kan gaan om een verbond in de zin van afspraken tussen personen voor onderlinge steun, maar ook om een vazalverdrag, een schenkingsakte, een plechtige eed of belofte, een testament, een huwelijk en dergelijke. Het is dus altijd de moeite waard om te kijken naar de specifieke betekenis in de context, ook als het gaat om een ‘verbond’ tussen God en mensen.

Ik beperk me nu verder tot de drie grote voorbeelden daarvan in de bijbel: de verhouding tussen God en Abraham, die tussen God en het volk Israël en die tussen God en de gelovigen in Christus. Dat die drie een heel eigen betekenis hebben wordt al gesuggereerd door Paulus, die werkt met een onderscheid tussen de belofte, de wet en het evangelie (Romeinen, Galaten).

Op het verbond met Abraham wordt verder in de bijbel regelmatig teruggegrepen als ‘de eed die hij aan Abraham zwoer’. Dat sluit aan bij Genesis 15 en 17, waar God zelf reageert op Abrahams verzuchting: wat heb ik er aan dat U mij dit alles geeft als mijn knecht alles erft? God versterkt dan zijn eerdere belofte tot een plechtige eed, in Genesis 15 voorzien van een schenkingsakte van het land Kanaän (inclusief kadastrale beschrijving), in Genesis 17 toegespitst op de belofte van een eigen zoon bij Sara. De goede reactie (rechtvaardigheid) op de eed is dat Abraham die gelooft in heel geladen zin. Het Hebreeuwse woord voor geloven is sterker dan het onze. Abraham slaat als het ware zijn nagels in Gods toezegging. Het teken dat bij dit verbond hoort is geheel bijpassend: de verwijdering van de voorhuid bij de besnijdenis duidt op het weghalen van de verhindering om te verwekken. Zoals God beloofd heeft komt er een wonderzoon, in eerste instantie Izaäk, maar dan ook verder: de zegen van Abraham komt tot de volken in een komende Wonderzoon (denk aan Paulus over het enkelvoud ‘zijn zaad’, toegepast op Jezus).

Bij de berg Sinaï regelt God vervolgens zijn verhouding met het volk Israël met het oog op het samenleven van God en zijn volk in het beloofde land. Daarbij is God niet meer de enige die spreekt en zich vastlegt. Israël legt zich ook vast om door leven naar de tora te laten zien dat het echt Gods volk wil zijn. Het gaat hier om wederzijdse afspraken, niet om iets te verdienen, maar om iets te laten zien: wij horen bij God en daarom leven we bijpassend. Wie niet bijpassend wil leven wil kennelijk ook niet bij God horen. Dan loopt het slecht af. De goede reactie (rechtvaardigheid) is hier niet die van geloven — dat blijft op de achter- en ondergrond doorlopen uit Gods eed aan Abraham — maar die van leven naar de wet, de tora. Geen wonder dat je onschuldpsalmen vindt waarin mensen zeggen: maar ik ben toch rechtvaardig, kijk maar naar wat ik doe en gedaan heb, red mij dan ook. Het teken is ook hier bijpassend: elke zevende dag (sabbat) ophouden met werken in een uitgesproken onnatuurlijk rite (het past niet in de zon-  en ook niet in de maankalender) demonstreert overduidelijk: wij horen niet bij de natuurgoden, maar bij de ene ware God. Dit verbond is stuk gelopen op Israëls weigering met God te leven volgens de tora en eindigde in de ballingschap.

Het nieuwe verbond in Jezus’ bloed tenslotte wordt afgekondigd bij de instelling van het avondmaal als de offermaaltijd die hoort bij Jezus’ offer van zijn leven. Het wordt evangelie genoemd of testament (het Griekse woord in het Nieuwe Testament dat vertaald wordt met verbond betékent ook gewoon testament). Het heeft het karakter van een ‘testamentaire schenking’ of ‘stichting’. Ik bedoel een stichting zoals wanneer een rijke nu een paar ton wegzet in een stichting voor onderwijs aan blinde kinderen, waar iedereen een beroep op kan doen die blind en kind is en onderwijs wil. Zo zet God in Christus zijn leven weg in een stichting voor toegang tot  en horen bij zijn koninkrijk (het eeuwige leven tot en met in Gods nieuwe werkelijkheid) voor iedereen die in vertrouwen op Jezus hem volgt omdat hij naar dat koninkrijk wil. Vind je dat te ingewikkeld, dan neem je de testamentaire schenking: hierbij verklaar ik, God in Jezus, dat ik eeuwig leven geef aan iedereen die mij volgt-omdat-hij-op-mij-vertrouwt, met onmiddellijke ingang te beginnen. De goede reactie hier (rechtvaardigheid) is geloven in de zin van vertrouwen op Jezus en open ontvangen wat hij geeft. Ook hier zijn de tekens bijpassend: je wordt in Jezus’ opdracht ondergedompeld (gedoopt) als teken dat je zijn levensgang mag volgen, de dood door de wedergeboorte binnen. De doop beeldt Jezus’ levensgang uit en daarom ook de levensgang van wie hem in vertrouwen volgt. Het avondmaal verbindt bron en einddoel van alles voor wie Jezus volgt: de bron in zijn leven voor ons leven als dagelijks brood en het einddoel van het feestmaal van het koninkrijk in de maaltijd waar we de beker heffen op het nieuwe leven tot in eeuwigheid. Waar het in de kerk om gaat wordt in deze beide tekens opgevoerd, uitgebeeld en zo in Gods naam bevestigd.

Je ziet zo in ieder geval nog eens extra dat er geen directe lijn te trekken is van de besnijdenis naar de (kinder)doop. Dat alleen de jongetjes besneden werden en ook de meisjes gedoopt worden was daar al een signaal van. De besnijdenis wees naar voren op Jezus, de Wonderzoon. De doop wijst naar achter op Jezus leven, lijden en opstanding voor ons. Je kunt hoogstens in heel bleke zin zeggen dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is, namelijk op de plaats van teken bij het verbond. Maar de inhoud is heel anders. Ik vind dit soort onderscheidingen ook verder wel verhelderend, bijvoorbeeld als je wilt begrijpen waarom de sabbat is verdwenen in de kerk en de zondag geen sabbat is.

Waarom ik toch de kinderdoop verdedig

Dat is dus niet op grond van dat éne genadeverbond. Maar wat heb je dan over? Nou ja, om maar wat verder weg te beginnen: ik hoor niet bij die traditie die beweert dat je in de kerk alleen maar mag doen of leren wat rechtstreeks uit de bijbel komt. Het dopen van kinderen kan ook best een beslissing van de oude kerk zijn, die in de eeuwen daarna steeds weer bevestigd is. Mij goed en einde discussie. Maar goed, dat overtuigt verder helemaal niemand.

Volgens mij gaat de echte discussie rond de kinder- of geloofsdoop over twee punten: wat betekent de doop? en: hoe zijn kinderen en ouders verbonden, c.q. wat is daarom de plek van kleine kinderen in de kerk? Wat het eerste betreft kortweg: je wórdt gedoopt, jezelf dopen kan echt niet, de doop zegt dus niet iets over wat jij doet, gedaan hebt of zult doen. Iemand anders dompelt jou onder en haalt je weer boven. Dat gebeurt in Jezus’ naam en dus uiteindelijk door Jezus zelf. Hij prent je in: jij mag met mij mee, ik ga jou nieuw maken. Bij de doop ben jij niets, heb jij niets, maar ontvang je alles. Om het zo eens te zeggen: hoe oud je ook bent, ieder mens wordt als een kind gedoopt. Dat moet ook wel, want anders kom je het koninkrijk niet binnen (Matteüs 19:14 par.). Zie verder Hans Burger bij Jos.

Verder dan: de uitvinding van het individu is van ná de bijbel en zeker niet bijbels. Mensen groeien aan een stamboom, komen in eerste instantie volledig voor rekening van hun ouders, en blijven altijd ‘eentje van die en die’. Zoals moeders hun baby’s overal meedragen horen kleine kinderen bij hun ouders. Die beslissen alles voor hen. Ook vertrouwen op Jezus en hem volgen doen in eerste instantie alleen je vader en/of moeder (als je in een christelijk gezin geboren wordt). Maar omdat jij als baby bij hen hoort in alles geldt dat ook voor jou. Als zij bij de gemeente horen, hoor jij daar ook bij, als zij op Jezus vertrouwen doen ze dat ook voor jou. In een cultuur die nog grotendeels dezelfde was als die van de bijbel zelf, sprak die passage over ‘láát die kinderen tot mij komen’ sterker dan nu. Het is geen wonder dat het één van de grote ankers voor het dopen van kinderen is geworden.

Als God in Christus een testamentaire schenking doet aan iedereen die op Jezus vertrouwt (wat ongeveer neerkomt op: aan iedereen die dat wil…), dan doet hij dat normaal menselijk aan mensen inclusief wie onafscheidelijk van hen is. Logisch dat mensen in het Nieuwe Testament gedoopt worden ‘met heel hun huis’. Of daar telkens concreet ook kleine kinderen bij waren is erg oninteressant: het gaat om alle mensen die zo verbonden waren aan iemand dat wat hem overkwam ook hen overkwam en dat wat hij deed ook voor hen telde. Kleine kinderen vallen daar volledig onder. Kortom, het gaat niet maar om de gelovigen ‘en’ hun kinderen, het gaat om de gelovigen inclusief hun kinderen. De manier waarop bij veel verdedigers van de geloofsdoop niet alleen de eigen keuze van de gelovige beslissend is, maar ook mensen als niet meer dan individuen voor God worden gezien, heeft me daarom ooit de gedachte gegeven dat we hierin voor een incomplete contextualisatie van het geloof staan, anders gezegd, voor volstrekt eigentijds denken dat onvoldoende ‘gedoopt’ is.

Intussen blijven we hier nog wel iets eigens van het nieuwe verbond raken. Bij het verbond met Abraham hoorde dat het een verbond was met Abraham en zijn nakomelingen. Gods plechtige belofte aan Abraham werd ‘van kind tot kind’ bevestigd (Psalm 105). Op zo’n manier gaat het nieuwe testament in Christus’ bloed niet ‘van kind tot kind steeds voort’. Je krijgt deel aan die testamentaire schenking door te vertrouwen op Jezus. Daar neem je eerst je kinderen in mee, maar als ze groter worden moeten ze zelf op Jezus gaan vertrouwen, wil het goed met ze aflopen. Genade is geen erfgoed. Kinderen worden gedoopt omdat ze in jou als gelovige inclusief zijn, niet omdat jij ze het geloof kunt geven. Dit nieuwe verbond wordt bevestigd ‘van gelovige (inclusief zijn kinderen) tot gelovige (inclusief haar kinderen)’ en gaat zó steeds voort en niet anders. Het is een mooie vorm van ironie dat de grote traditionele verbonds-kinderdoop-psalm (105) bezingt wat nu juist in het nieuwe testament niet meer geldt: ’t verbond met Abraham, zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind…

Al met al wil ik daarom ook best zeggen dat kleine kinderen gedoopt worden op grond van Gods verbond. Alleen denk ik dan niet aan dat éne genadeverbond, maar aan het nieuwe testament in Christus’ bloed. Die testamentaire schenking is ook voor hen, ingesloten als ze in alles zijn in hun ouders. Geloven doen ze niet, dat hoeft ook niet, hun ouders doen het voor ze. Wedergeboren hoeven ze op geen enkele al dan niet veronderstelde manier te zijn: God verklaart hen in Jezus dat hij met hen aan de slag gaat om ze eens in de grote wedergeboorte van zijn koninkrijk te brengen, eenvoudig en in dezelfde beweging door omdat hij al met hun ouders aan de slag is op dezelfde route (by the way — de wedergeboorte die de doop afbeeldt is niet één of andere veronderstelde kiem van nieuw leven die God vroeg of laat inplant, de wedergeboorte die de doop afbeeldt is die van het door de dood heen Gods koninkrijk binnen gaan — die beroemde wedergeboorte aan het begin is volgens mij nog zo’n linke dogmatische constructie, die aan het eind is veel belangrijker, en de hele weg daarheen).

Maar goed, uiteindelijk, bottom-line, als ik deze hele ruggengraat-transplantatie op de gereformeerde traditie heb uitgevoerd, krijg ik wel iets over me van: wat is eigenlijk het probleem van verbond en doop? Eens zien wat anderen over zich krijgen… 😉

5 gedachten over “Verbond en doop

  1. Grappig: prof. v.d. Pol preekte een dag na publicatie van deze blog over Marcus 10, en haalde exact dezelfde aspecten naar voren als jij uit Mattheus 19 haalt.
    Beide zeer verhelderend. Goed dat je dit eens belicht, een enkel zinnetje hierover in het doopformulier is aan de magere kant.

  2. Een verhelderende analyse!

    Ik denk wel dat je de afstand tussen de federale theologie en de bijbelse theologie een beetje te groot maakt. Zeker voor, zeg, 1650 wordt er wel gesproken over “het verbond”, maar met het begrip dat “het verbond” een overkoepelende term is voor de verscheidene verbonden in de bijbel–die zowel verschillend zijn als iets gemeenschappelijk hebben. Het taalgebruik is steeds meer verschoven van verbonden naar bedelingen, maar hoeveel verandert dat nu echt?

    Ik geloof dat een van de sterke punten van de gereformeerde theologie is dat ze, meer dan anderen, de eenheid onderkent tussen de vele wijzen waarin God met mensen is omgegaan. Het trekt de diachronische lijnen die je bijv. vindt in Hebreeen. De kernstructuur van die omgang wordt goed gekarakteriseerd door de term “verbond”.

    Het probleem ontstaat wanneer dit grootse inzicht wordt gebruikt als keurslijf om alles in te passen. Dan kom je bij constructies als “werkverbond”, “pactum salutis”, met de vragen naar partijen, ontstaan, voorwaarden en beloften, middelaars en hoofden. Jammer dat daar nog steeds ruzie over wordt gemaakt. Wat dat betreft relativeer ik de verbondstheologie (van Cocceius tot Schilder) graag.

    De vrijgemaakten hebben, in reactie op Kuyper, het verbond nauwer getrokken naar iets juridisch. Dat is niet iets typisch gereformeerds, maar iets vrijgemaakts. Ik heb bijv. jarenlang gezeten in een gemeente in de traditie van Hoeksema, waar verbond gedefinieerd werd als “een vriendschapsrelatie van God met zijn uitverkorenen,” waar de historische interactie helemaal geen plaats meer heeft. Ik heb tegelijk meer waardering gekregen voor Schilder en voor de meer bevindelijken; als “verbond” onze relatie met God beschrijft, dan is het zowel juridisch als mystiek, zowel collectief als individueel, zowel eeuwig als historisch. De scholastiek van inwendig en uitwendig verbond bevalt me helemaal niet (vals dualisme); en daarmee heb ik zo’n beetje alle klassieke modellen de deur uitgedaan.

    Toch houd ik graag dat vebondsperspectief. De alternatieven zijn vaak beroerder/eenzijdiger. Maar je hebt helemaal gelijk dat in de vrijgemaakte traditie het verbondsdenken te veel op een spoor is geraakt.

    Tenslotte: Indirect reagerend op het artikel van Roosenbrand in de Reformatie, over het doopsformulier: grappig dat vrijgemaakten heel veel verbondsdenken “inlezen” in die oude teksten terwijl het er niet staat. Het is een anachronisme om Datheen Schilderiaans te duiden! Zonder overkoepelend paradigma raakt dat oude formulier aan verbond, maar ook aan dood-en-opstanding (in een nieuw leven), afwassing van schuld, heligingsritueel, enz.

    Vraag aan jou: in hoeverre vind je de argumentatie in het doopsformulier t.a.v. kinderdoop onterecht? Het begint immers met jouw redenering van het “collectief”, maar gaat dan verder met vergelijking van doop en besnijdenis. Waar gaat het “mis”?

  3. “Het is een mooie vorm van ironie dat de grote traditionele verbonds-kinderdoop-psalm (105) bezingt wat nu juist in het nieuwe testament niet meer geldt: ’t verbond met Abraham, zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind…”

    Maar dat was al niet waar in het Oude Testament. God zegende Ismael, die zelfs besneden was, maar zijn verbond bevestigde hij met Izaak. (Gen. 17:20-21) Op soortgelijke wijze ging het verbond over Jacob, niet over Esau. Nu kun je wel argumenteren dat Ismael en Esau verbondsbrekers waren, maar de bijbel zegt dat niet zo (zeker niet over Ismael). En Paulus maakt het punt in Rom. 9 dat Gods vrijmachtig besluit een rol speelde. Dat was de reden waarom het verbond zus en niet zo zich ontwikkelde. (Als we toch op traditionele interpretaties aan het schieten zijn: Rom. 9 gaat vooral over Gods recht om de “regels” te veranderen, om zich te richten tot de mensen die hij wil; niet zozeer over persoonlijke verkiezing en verwerping, al ligt dat ongetwijfeld in het verlengde.)

    Dus die regel in Psalm 105– betekent dat niet vooral dat God van generatie tot generatie doorwerkt, maar niet per se via alle kinderen van alle gelovigen? En dat doet hij nog steeds, in de praktijk, via christelijk onderwijs; niet uitsluitend, niet automatisch; maar dat was het in het OT ook niet. De “verbondlijn” vernauwt zich soms tot een par individuen, ook in het OT: denk aan Noach, en aan wat bijna gebeurde in Ex. 32.

  4. Met aandacht en belangstelling heb ik je verhandeling gelezen, helder. Als kinderen geheiligd worden in hun ouders, maar later zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen op het moment dat de verantwoordelijkheid van de ouders overgaat op het kind, dan maakt het uiteindelijk niet uit of een kind gedoopt wordt; Het is dan meer een teken naar de ouders toe dat het offer van Jezus ook voor hun kind geldt.
    Als ik deze lijn doortrek naar de kinderen van niet gelovige ouders, dan heeft ieder kind de belofte van het offer van Christus, immers dit offer geldt voor iedereen die Jezus aanneemt. Dit aannemen wordt door gelovig en ongelovig geboren mensen (individuen) uiteindelijk zelf gedaan, geen verdienste van ouders dus.
    Evengoed geldt dat ongedoopt overleden kinderen ook deel uitmaken van Gods verbond waarbij hier het (on)gelovige collectief niet geldt.

  5. Allereerst, wat is er in de loop der tijd gegroeid aan allerlei leer. Plaatsen we allerlei zaken nog wel voldoende in de context. Neem bijv. de uitspraak in de HC dat de paapse mis een vervloekte afgoderij is. (in deze bewoordingen heb ik het nog geleerd). Tegenwoordig nuanceren we e.e.a..
    De doop houdt mij al langere tijd bezig. Doordat ik in aanraking ben gekomen met de Talmoed ben ik gaan zoeken naar de context van de woorden van Jezus zoals zijn discipelen het moeten hebben begrepen. Zie hiervoor mijn eerste gedachten op http://www.juda30.nl.
    Het gaat mij nu even om de plaats van de kinderen. Als je de tekst in Gen. 2:24, daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten etc. en zij zullen tot “basar echad” , één vlees zijn. Deze tekst past hier niet, het gaat om de schepping, vader en moeder is nog niet in beeld en verlaten al helemaal niet. Mozes heeft dit naar mijn idee ingevoegd om een betere huwlijkspraktijk in die tijd te motiveren. In de Talmoed lees je dan over dit vers dat de man geen eenheid vormt zijn buurvrouw of een man of een dier. Die twee zullen tot één vlees zijn. Dan worden er kinderen geboren. Die horen onlosmakelijk bij die eenheid. En dan wordt uit het vers duidelijk dat een kind uit die eenheid, man wordt, die eenheid! met zijn vader en moeder verlaat! en een eenheid met zijn eigen vrouw gaat vormen. En de kinderen uit dat huwelijk horen ook weer onlosmakelijk bij die eenheid. En zaken die voor de ouders gelden, gelden ook voor de kinderen die bij die eenheid horen. Gods constructie van het gezin als eenheid is vanaf de schepping niet veranderd. Kinderen hebben daarom niet het recht gedoopt te worden. (onze maatschappij praat veel te veel over nergens op gebaseerde rechten) De ouders hebben de plicht om het kind het teken van die eenheid en kudde te laten ontvangen.
    Dat id nl. een tweede aspect, die van de kudde. Ik heb het op vakantie in Oostenrijk zelf gezien, drie herders, drie kuddes, elk met hun eigen kleur. Wij zijn van onze geboorte af aan lid van de kudde van Jezus en moeten ook de “kleur” van die kudde ontvangen.
    De tekst uit Genesis maakt op indringende wijze duidelijk dat de eenheid van Jezus met ons een heel indringende eenheid is. Hierover ben ik nog lang niet uitgelezen. Maar vooral belicht vanuit de context van de tijd dat Jezus op aarde was, waarvan veel sporen zijn terug te vinden in de Talmoed, wordt alles nog grootser, duidelijker en intenser.
    Tot slot: ook het beeld uit Rom. 11, geënt op de edele olijfboom. Om deze tot jaloersheid te brengen. Naar mijn overtuiging groeit die olijfboom nog steeds, want wij groeien ook nog steeds. Ik heb geen reden om aan te nemen dat de oorspronkelijke olijf is afgestorven. Daarom moeten wij ook veel meer kijken naar de boom waarop we geënt zijn. De context is dan weer het sleutelwoord. Veel Bijbelteksten eerst uitleggen bij de bron en daarna pas transponeren naar onze tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *