Verantwoordelijkheid en schuld — in de kerk

Preek over Psalm 65:1-6

orde morgendienst
votum en groet
zingen: Psalm 9,1.5.6
gebod
zingen: Psalm 9,7.8
gebed
Schriftlezing Psalm 65
zingen: Psalm 84,5.6
preek over Psalm 65:1-6
zingen: Psalm 65,1-3
gebed
inzameling gaven
zingen: Liedboek 20,1.2.7
zegen

We beginnen vandaag een nieuwe week na één van de merkwaardigste weken van de afgelopen tijd. Radio 1 vroeg vrijdagavond of we ooit eerder een week hadden meegemaakt met krantenkoppen als ‘Wim Kok brengt kabinet ten val’ en ‘De Grave opent aanval op defensie’. Was de val van paars, zo vlak voor de verkiezingen, al merkwaardig genoeg, merkwaardig was ook de manier waarop, de argumentatie. Geen schuld, wel verantwoordelijkheid, die zin werd de moeder van alle commentaren. En dat is echt een merkwaardige zin. Geen schuld, wel verantwoordelijkheid.

In eerste instantie begreep ik het niet. Hoe kun je nu zeggen dat je verantwoordelijk bent voor iets, maar geen schuld ervoor hebt. Al ben je maar een klein beetje mede-verantwoordelijk, dan ben je ook voor datzelfde beetje mede-schuldig, dacht ik. Als een bewaker zit te slapen achter zijn camera’s en er wordt ingebroken, dan kan zijn chef tegen hem zeggen: dat er is ingebroken is jouw schuld. In de lijn van de minister-president zou dan die bewaker kunnen zeggen: wacht even, dat ik zat te slapen, dat is mijn verantwoordelijkheid, terecht als je me ervoor ontslaat, maar dat er is ingebroken, dat is mijn schuld niet. Nogal een onbevredigende opmerking, lijkt me.

Tussen de regels door merk je dat het uiteindelijk ook onbevredigend gevonden wordt dat Kok zegt: wel verantwoordelijkheid, geen schuld. Niet alleen de vrouwen van Screbrenica nemen er geen genoegen mee. Zelfs kun je proeven dat het Kok zelf niet met rust laat: het boek van Srebrenica mag niet gesloten worden, het kàn zelfs niet gesloten worden. Tegelijk krijgt hij alom waardering voor de verklaring waarmee hij het aftreden van zijn kabinet bekend maakte, waardering inclusief die centrale woorden: wel verantwoordelijkheid, geen schuld. Dat is toch merkwaardig. Kennelijk hebben de woorden verantwoordelijkheid en schuld hier een eigen betekenis, een andere betekenis dan wij gewend zijn.

Dat lijkt inderdaad zo te zijn. Ik heb maar eens wat rondgeneusd op het Internet. Dan blijkt het niet alleen bij verantwoordelijkheid hier om iets aparts te gaan, maar vooral ook bij schuld. Ik vond ongeveer het volgende: verantwoordelijk ben je als jij ergens op aangesproken kan worden, omdat je erbij betrokken was, omdat je de baas was, omdat je er iets aan had kunnen doen, maar niet gedaan hebt. Schuld heb je eigenlijk alleen maar als jij het gedaan hebt, als jij schade aangericht hebt. Je hebt schuld als je de schuldige, de dader bent. Nederland was verantwoordelijk in Screbrenica, omdat we daar zaten, erbij betrokken waren, en Kok was, zeg nu maar even, de baas. Maar schuld hebben we niet, want de daders dat waren de Serven, Mladic en zo. Wel verantwoordelijkheid, geen schuld, het betekent uiteindelijk iets als: het had anders gemoeten, het had niet zo mogen lopen, maar wij hebben het niet gedáán, dat waren anderen.

Met dat ik het zo zeg, ligt ook het onbevredigende duidelijker op tafel. Er wordt hier uiteindelijk toch iets afgedekt, iets weggeschoven, iets wat er wel degelijk is. Of hadden die Nederlanders daar, in internationaal verband, er niets aan moeten doen dat daar 7000 mensen vermoord werden? Is dat werkelijk iets wat niet te verwijten valt? Was het die bewaker alleen maar te verwijten dat-ie sliep, en echt niet dat er ingebroken werd? Natuurlijk, er is verschil tussen de inbreker en een tekortschietende bewaker, maar kun je dan zeggen: ik heb er geen schuld aan? Ik denk dat je dat alleen maar kunt zeggen als je ook volhoudt dat schuld hebben betekent dat jij de dader bent, degene die de schade aangericht heeft. Dan gebruik je schuld in een nieuwe betekenis.

Het lijkt me goed als we ons eens realiseren dat dit inderdaad steeds meer de betekenis van schuld wordt. Deze manier van spreken valt nu eens op in zo’n centrale uitspraak van Wim Kok, maar ze is veel algemener. Ze is zelfs typerend voor onze samenleving geworden, juist in de jaren van paars. Als iemand op straat in elkaar geslagen wordt en je ziet dat en je doet niets dan 112 bellen, dan heb je jouw verantwoordelijkheid genomen, volgens de reclamespotjes. Vervolgens staat iedereen klaar om te roepen dat het jouw schuld niet was. Jij hebt het toch niet gedaan? Maar is dat ook zo? Voelt dat ook zo? Iedereen roept nu dat het de schuld van die Dutchbatters niet was. Zij zijn gerehabiliteerd. Ja. Maar het is de vraag of ze dat ook helpt bij het besef van schuld dat de herinnering boven haalt, de beelden die niet meer vergeten kunnen worden. Het besef van schuld, van medeplichtigheid ondanks alles, dat mogen ze nu vergeten, roept iedereen. Maar lukt dat ook? Echt?

Zo zijn er nog talloze voorbeelden meer. Ik noem er één waarbij precies de woorden verantwoordelijkheid en schuld terugkomen. Je rijdt in je auto ‘s avonds door het dorp en er schiet een dronken fietser zonder licht van links uit een straatje, zo onder je wielen. Bij de huidige wetgeving is dat ongeluk de schuld van de fietser en ben jij als automobilist verantwoordelijk. Wel verantwoordelijkheid, geen schuld. Maar voelt dat ook zo, ís dat uiteindelijk ook zo? Er blijft iets knagen van: had ik maar beter opgelet. En dat besef van toch op een bepaalde manier schuld te hebben, dat wordt in onze samenleving systematisch ontkend, weggeduwd, verzwegen, er wordt overheen gepraat.

Eigenlijk is dat ook logisch. Waar moet je heen met dit soort schuld? Wat moet je aan met wat aan je knaagt, maar waar niets aan te doen valt? Wat kan een samenleving die geen God kent anders doen dan alleen de daders schuldig te noemen? Als je je geweten nergens kunt luchten, wat blijft er anders over dan het dicht te schroeien? Dat besef van: het had anders gemoeten, ook al heb ik het niet gedaan, ik had er iets aan kunnen doen, waar moet je daarmee heen, als je er niet mee naar God kunt gaan?

Het is de moeite waard hier eens even bij stil te staan, juist in de kerk. Schuld is een woord dat veel valt in de kerk. Een christen kan het dagelijks bidden: vergeef ons onze schulden. In de kerk gaat het dan om veel meer dan wat je gedaan hebt. Schuld is niet alleen maar dat je schade aangericht hebt. Schuld duidt in de bijbel en in de kerk ook op wat je niet hebt kunnen voorkomen, op kwaad waar je bij betrokken was, op goed wat je niet hebt kunnen geven. Ook dat waarvan mensen om je heen zeggen: joh, trek het je niet aan, wat gebeurd is, is gebeurd, jij kon er niets aan doen, dat komt in de kerk aan de orde als schuld.

Maar het wil in de kerk op een vruchtbare manier aan de orde komen. Niet alleen dat wat je gedaan hebt, ook de rest, ook dat waarvan iedereen om je heen zou zeggen dat je je er ten onrechte schuldig over voelt omdat jij er toch niets aan kon doen, dat komt in de kerk aan de orde als iets waar je mee naar God kunt gaan. Er is een plaats, in het Oude Testament de tempel, in het Nieuwe Testament de gemeente rond het kruis, waar je met dat alles terecht kunt. U komt stilheid toe, een lofzang, o God in Sion, tot U komt al wat leeft. Ongerechtigheden, overtredingen — U verzoent ze. Verzadigd worden van het goede van Gods huis, antwoord krijgen in geduchte daden, dat gaat allemaal hierover. In de tempel, in de ruimte rond het kruis mag je als schuldig mens vergeving en gerechtigheid vinden, als beschadigd mens heelheid, heil, als hatend mens liefde, als slecht mens goedheid.

Soms kun je het mensen horen zeggen: ja jullie in de kerk, jullie hebben het toch altijd alleen maar over zonde en schuld, jullie maken het jezelf maar moeilijk. Misschien is dat ook wel eens gebeurd, maar het is er nooit om begonnen. In de kerk gaat het er juist om dat we bij God leren om onszelf echt serieus te nemen. Niet over ons leven heen praten met een ‘wel verantwoordelijkheid, geen schuld’, maar ons leven echt meenemen: wel verantwoordelijkheid, ook schuld, maar vergeef ons onze schulden en geef ons nieuw leven in nieuwe verantwoordelijkheid. Uiteindelijk geeft dát meer ruimte om echt te leven, om vrij te zijn, dan al dat vluchtgedrag om ons heen.

Om dat serieus nemen gaat het in de kerk, en net als de tempel in Jeruzalem wil de kerk een ruimte bieden van vrolijke barmhartigheid, waar je opnieuw perspectief krijgt, uitzicht, zodat je verder kunt. Je komt bij de God die de hoorder van het gebed is, bij de God die het vertrouwen van de hele aarde wil zijn. Je komt bij de God bij wie je veilig bent met je mislukking, bij wie je je kunt schamen en bij wie je kunt rouwen over wat verloren is, wat kapot is, tot je verzadigd bent met het goede dat Hij geeft en echt weer verder kunt. Welzalig, gelukkig hij die God verkiest en bij zich roept, en deze ruimte van vrolijke barmhartigheid biedt.

En onzalig, ongelukkig is hij die van die ruimte geen gebruik maakt, echt en eerlijk. Laat me dat juist voor kerkmensen toevoegen. Iedere zondag, ja iedere dag, zo vaak als je wilt, kun je als christen knielen bij het kruis, bij de God die hoort en die te vertrouwen is. Laten we bij ons zelf nagaan of we die ruimte van vergeving en verzoening ook echt gebruiken. Zo makkelijk worden we meegenomen door die algemene houding van mensen zonder God: wel verantwoordelijkheid, geen schuld; alleen schuld voor wat je echt zelf gedaan hebt, voor de schade die jij zelf hebt aangericht. En de rest, dat besef van meer, van wat had gemoeten maar niet is gedaan, van niet gesproken woorden en niet uitgevoerde daden, dat stoppen we weg, daar leven we over heen. Of anders nog: we gaan maar even, zo nu en dan, naar God, met ons leven, maar nemen de ruimte niet, de tijd niet, om ons echt te schamen over onszelf en om te rouwen over wat kapot is. Dan wordt spijt geen berouw, krijgt God de kans niet om heel ons leven in te smeren met de balsem van zijn verzoening, en dringt de vrolijkheid van Gods barmhartigheid niet tot ons door. Ongelukkig zou dat zijn en ongelukkig zul je je dan blijven voelen, net als al die mensen om ons heen, die nergens heen kunnen met hun schuld en dus maar zeggen: wel verantwoordelijkheid, geen schuld.

Intussen zitten wij hier in de kerk, samen rond Gods evangelie, in de ruimte bij het kruis waar God lof gezongen wordt om zijn barmhartigheid, zijn verzoening. Voor ons is de hemel open en is er een plek om onze schuld neer te leggen, niet maar onze schuld voor wat we gedaan hebben, voor de schade die wij zelf aangericht hebben, maar ook onze schuld voor wat we niet hebben weten te voorkomen, voor waar we in mislukt zijn, voor onze onmacht. Leg het allemaal neer, vergeet niets, hier wordt het opgeruimd, weggedaan, hoor de hamer ook onze schuld aan het kruis slaan, weg, en adem op, leef, vrij, verzadigd met het goede van God. Maar als u nu morgen iemand spreekt die hier niet was, vergeet dan niet dat die ruimte hier ook voor hem, ook voor haar bedoeld is, dat ook hij, ook zij alles, maar dan ook alles neer kan leggen op die plek bij het kruis. Onze God is de God van al wat leeft. Hij wil het vertrouwen van alle einden der aarde zijn, ook dat eindje in uw straat. Die mensen kunnen nergens anders heen met hun leven, net als u. Vergeet dat niet. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 21 april 2002
Oegstgeest, 21 april 2002

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *