(Niet) kunnen en (niet) willen

Preek over zondag 3 Heidelbergse Catechismus

orde middagdienst
votum en groet
zingen: Liedboek 440,1.2
gebed
Schriftlezing Genesis 2:4-3:13
zingen: Liedboek 440,3.4
preek over Zondag 3
zingen: NGK 79,4
geloofsbelijdenis
zingen: NGK 79,5
gebed
inzameling gaven
zingen: NGK 79,6
zegen

We moesten het vanmiddag maar eens even hebben over kunnen en willen en niet kunnen en niet willen. Eerst maar eens het (niet) kunnen.

Zondag 2 eindigde met: wij kunnen het goede niet. Zondag 4 gaat straks verder: God eist wat wij niet kunnen doen. Zondag 3 heeft het in die lijn ook over een onbekwaam, een niet in staat tot enig goed, en heeft het over onze natuur die verdorven is. Alles bij elkaar roepen deze zondagen zomaar een verpletterende besef op dat wij het goede niet kunnen doen en wel moeten zondigen. Ergens zijn we als de mensen die we zijn gewoonweg gedoemd verkeerd te handelen. Onbekwaam tot enig goed en uit op elk kwaad. Als het in de kerk gaat over de verdorvenheid van de mens, dan wordt dat vaak alleen maar zo opgevat: wij kunnen niet niet-zondigen, wij kunnen het goede niet doen.

Het is vervolgens, geloof ik, net naar je psychisch in elkaar zit, hoe je daarop reageert. Sommige mensen gaan er heel diep onder gebukt, dragen deze doem als een schaduw met zich mee hun leven door. Andere mensen worden er heel boos van: mensen wordt ten onrechte een schuldgevoel aangepraat. Maar het lijkt er verder op alsof de meeste mensen in de kerk net zo op deze leer reageren als de meeste mensen buiten de kerk: we trekken ons er niets van aan. Ze speelt geen enkele werkelijke rol in ons leven, of het moest de rol van de grote verontschuldiging zijn: God moet maar niet meer zeuren over onze zonden, want we kunnen toch niet anders.

Als we er al over nadenken, ervaren we deze zondag over het algemeen als sterk overdreven. We denken aan al die mensen die we kennen, die geen christen zijn en al helemaal niet wedergeboren, maar die helemaal niet onbekwaam tot enig goed zijn en uit op elk kwaad. En ook als je daar eens de helft aftrekt voor idealisering van mensen die we uiteindelijk toch niet kennen, de andere helft blijft wel staan: het wemelt van de mensen die uit zichzelf goede dingen doen. Natuurlijk, er zijn slechteriken, in het klein en in het groot. We hebben de afgelopen week kunnen huiveren bij beelden van Eichmann en griezelen bij een verhaal over Mao Zedong. Maar zelfs de meer dan twintig miljoen doden die bij deze namen horen bewijzen niet dat al die andere miljarden mensen ook het goede niet kunnen doen.

Trouwens, als je eens eerlijk kijkt naar je eigen leven en handelen, dan blijkt het ook helemaal niet waar te zijn dat wij wel moeten zondigen, dat wij niet kunnen kiezen voor het goede. Het hoort, precies omgekeerd, bij iedere vorm van werkelijk berouw, dat je heel goed weet en heel diep beseft dat het wel degelijk anders had gekund.

Dat is nu net een van de grote verschillen tussen spijt en berouw. Spijt blijft staan bij wat gebeurd is, en klaagt dan over de gevolgen. Stel, ik heb iemand van u helemaal plat gescholden en met woorden in elkaar geslagen. U was toch al kwetsbaar en hebt het zich heel erg aangetrokken. Drie nachten niet geslapen en er compleet ziek van geworden. Spijt is dan, dat ik zou zeggen: jo, dat spijt me nou, dat jij je het zo aangetrokken hebt. Maar ja, ik was zo gespannen, en ik had net ook een slechte bui, het ging vanzelf. Maar berouw is dan, dat tot me door zou dringen dat ik u helemaal niet had mogen, maar ook niet had hóeven uitschelden. Het had heel anders gekund. En dat het niet anders is gegaan is helemaal mijn eigen schuld.

En dit is maar één klein voorbeeld, maar het geldt voor alle zonde: heel diep bij iedere echte vorm van zondebesef hoort het weten dat het wel anders had gekund. Dat wij niet moesten zondigen, maar het toch hebben gedaan. Ik denk dan ook dat als wij deze zondag 3, en sowieso de leer van de kerk over de zonde en de slechtheid van de mens, lezen als: mensen kunnen niet anders dan zondigen, dat we dan die zondag en die leer echt nog niet begrepen hebben. We lezen dan veel te oppervlakkig, blijven achter termen en woordjes hangen, maar vergeten te kijken naar waar het echt over gaat.

Want dat is nu juist het erge van alle vormen van zonde, dat ze anders hadden gekund, dat ze niet noodzakelijk zijn, helemaal niet. Dat geldt voor alle zonde, van de eerste af. Je kunt vraag en antwoord 6 ook in andere woorden weergeven. Dan blijkt dat heel duidelijk. Er is, in antwoord 5, gezegd: naar mijn aard ben ik er op uit om God en mijn naaste te haten. Dan vraagt vraag 6, in feite: moest dat dan, kon dat nu niet anders? En antwoordt antwoord 6, in feite: Ja zeker, dat kon totaal anders, God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen, enzovoort.

Maar waarom is het dan toch gebeurd? Als je bij je eigen zonden niet kunt zeggen dat ze wel moesten gebeuren, dat het niet anders kon, en als je ook bij de eerste zonde zoiets niet zeggen kunt, waarom is het dan toch gebeurd? Nou ja, daar hebben we net iets van gelezen, uit Genesis. Het staat er eigenlijk nogal precies: de boom was een lust voor de ogen, was begeerlijk om daardoor verstandig te worden. Eva wilde dat gewoon, en Adam, die bij haar was, wilde dat ook. Ik heb hier al wel vaker gezegd dat deze passage in Genesis nauwkeurig uitgelegd wordt in Jakobus: het gaat hier om de zuiging en de verlokking van de eigen begeerte. En als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort. Het is hier in Genesis geen kwestie van niet anders kunnen, maar van zo willen.

En telkens als wij, door de bijbel geleerd, eerlijk nadenken over ons leven, en werkelijk berouw krijgen, merken ook wij bij onszelf op, dat het dáárom ging: het had allemaal heel goed anders gekund, maar wij wilden het zo. Waarom we dat zo wilden kan totaal onbegrijpelijk zijn, zeker achteraf. Maar bij zonde hoort altijd iets van een expres zo gedaan hebben. Ik heb dat gedaan, ik ben er verantwoordelijk voor, ik had ook anders gekund. Ik had niet hoeven liegen. Ik had niet zo hard hoeven rijden. Wie heeft mij gedwongen om zoveel te drinken? En zo chagrijnig zijn, dat moest toch niet, dat kon ook anders; reden genoeg om niet te zeuren en te mokken.

Het probleem van onze zonde ligt niet buiten onszelf, maar juist helemaal in onszelf. Daarom kunnen we ook nooit over zonde en zondaar-zijn spreken zonder onszelf er helemaal bij te betrekken. Doen we dat niet, dan wordt alles wat we zeggen over zonde en slechtheid vanzelf een algemene theorie, een bleke leer die de werkelijkheid van ons leven niet raakt. En zo lezen we dan vervolgens ook deze zondag, en lopen vanzelf vast, omdat het niet klopt. En erger nog: wie eerst een theorie erin leest over wat mensen allemaal al dan niet kunnen, komt zomaar niet meer toe aan het besef waar het in deze zondag werkelijk om gaat, dat wij dat slechte zelf gewild hebben.

Zelf, onze natuur, dat zijn wij zelf. En zelf willen wij dingen die slecht zijn en slecht uitpakken, van jongs af aan, van zover terug als we maar kijken kunnen. Dat hele diepe besef van: ik heb mijn kwaad zelf verzonnen, zelf gewild en zelf uitgevoerd, dat spreekt uit die diepe woorden uit Psalm 51: in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. Dat is geen algemene theorie over alle mensen, dat is een laatste woord in een schuldbelijdenis. En zo hoort het ook. Alles wat wij zeggen over zonde heeft zijn eigen en uitsluitende plaats in een schuldbelijdenis. Wie buiten zijn eigen schuldbelijdenis om over zonde wil praten, kletst in de ruimte en praat zich vast.

Net zo als wij over Gods voorzienigheid alleen maar kunnen spreken vanuit zijn zorg voor ons, waarin Hij ons voorziet van alles wat wij nodig hebben, net zo als wij over Gods verkiezing alleen maar kunnen spreken vanuit de verwondering dat Hij ons geroepen heeft in zijn genade, net zo kunnen wij over de zonde alleen maar spreken vanuit onze eigen betrokkenheid in de zonde, ons eigen besef van medeplichtigheid en van kwaad. Wij konden anders, maar hebben niet anders gedaan, hebben niet anders gewild.

Zo alleen kunnen we eerlijk terugkijken ook naar wat gebeurde in dat paradijs. Wie niet beseft hoe hij zelf betrokken is in het kwaad, ziet twee mensen de ultieme domme en slechte dingen doen. Ze breken in in Gods privé-vertrekken en vertillen zich aan wat alleen God zelf aankan: uitmaken wat goed en kwaad is. Een eindeloos diep agressief egoïsme komt er in naar voren, dat geen respect kan opbrengen voor wat dan ook van een ander. Alles is ‘voor mij’, ‘van mij’. We herkennen het bij onszelf, en beseffen: zo had ik ook gedaan, zo doe ik ook, zo vaak. Alleen vanuit dat besef worden we bewaard voor die hautaine lezing van: als zij daar niet gezondigd hadden, dan was het met mij een stuk beter gegaan, eigenlijk is mijn zonde hun schuld. Wat een onzin. Mijn zonde is altijd mijn eigen schuld. En ieder eerlijk zondebesef wrijft ons dat in: tot op de dag van vandaag had het wel degelijk anders gekund, maar wij hebben niet anders gewild. Heer, ontferm U over ons.

Laat ik eens terugkomen op waar we voor de vakantie bij zondag 2 mee begonnen: eigenlijk is het best prettig te weten waar we met onszelf aan toe zijn. Onze ellende is altijd een ellende. Maar de kennis van onze ellende is een goede zaak. Gods diagnoses zijn scherp, maar ze zijn waar. En ze wijzen ook altijd direct het geneesmiddel aan. Als we eenmaal zien dat het probleem van ons leven niet ligt in iets al dan niet kunnen, maar in ons telkens weer verkeerd willen, dan zien we ook waarom deze zondag juist met de wedergeboorte door Gods Geest eindigt. Het is ons hart dat vernieuwd moet worden, onze wil die veranderd moet worden, wij moeten zelf andere mensen worden, anders wordt het nooit wat.

Als dat tot ons doorgedrongen is, kunnen we het goede, het echt christelijke vluchtgedrag in ons leven gaan vertonen. Recht tegenover dat andere vluchtgedrag, in smoesjes, in verontschuldigingen, in verzachtende omstandigheden, in maskers, in toneelspel, in je beter voordoen dan je bent, in hard werken, in fantastisch je best doen, in eindeloos zielig wezen en de zondige stakker uithangen, staat dat werkelijk christelijke vluchtgedrag, waarin wij met ons zelf vluchten naar Jezus, vluchten in een gebed: Jezus! Red mij! Ontferm U over mij, over ons. Vorm mij, genees mijn hart, bepaal mijn wil, regeer mijn leven door uw Geest. Ontferm U over mij, over ons. En wie zó vlucht zal zeker ontdekken dat Jezus niet voor niets zo heet: de Here redt! Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 5 september 1999
Amersfoort-O, 23 juli 2000
Loenen-Abcoude, 21 maart 2004

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *