God legt zich vast: hierbij geef Ik jou

Preek over Genesis 15:17-21

orde morgendienst
welkom
zingen: Psalm 146,1.3.4.8
zingen: Alleen bij U (Roeland Smith
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 100
gebed
Schriftlezing Genesis 15
preek over Genesis 15:17-21
zingen: NGK 160
dopen Bas Koster
zingen: Opwekking 518
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 618
zegen

Als hier zometeen Bas Koster gedoopt wordt gebeurt er niet zomaar iets. Het is ook maar niet een ritueel met wat water, wat mensen op  een podium en dat is het dan wel. Fijn voor de gemeenschap, fijn voor Anne en Paul, voor Bas en Marit en voor wie er verder bij hen hoort, een bemoediging voor mensen onder elkaar en dat is het dan wel. Dopen doen we in de kerk in opdracht van Jezus zelf, de Zoon van God. De levende God zelf, Vader, Zoon en Geest treedt erin op. Hij spreekt, hij verklaart, hij spreekt zich uit, hij legt zich vast. Heel persoonlijk, op naam, op doop-naam: Bastiaan Jan Koster, hierbij geef ik jou mijzelf, met Jezus mee, bezield door mijn Geest, mag je leven, opgroeien, je weg vinden, het leven door, en verder nog, hierbij geef ik jou je eigen plaats in mijn nieuwe wereld, leven na dit leven na dit leven.

Je zou best kunnen zeggen dat zo’n doop een soort van schenkingsacte is. Hierbij verklaart God dat hij geeft, aan Bastiaan Jan Koster, leven, levensmoed, goede zin, leven met ons tot in eeuwigheid, in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, ondertekend, zoals uiteindelijk al Gods documenten ondertekend  worden, met een kruis: het nieuwe verbond in Jezus’ bloed. Net als in een acte van schenking legt God zelf zich daarin dus vast, niet maar voor even, maar voor altijd. Je leven lang blijft Gods ‘hierbij geef ik jou’ van kracht. Het gaat met je mee, waar je ook gaat en hoe het ook met je gaat, zelfs wat je er ook van vindt. De levende God komt niet op zijn gaven terug. Je kunt ze als volwassen mens niet meer willen hebben, je kunt afscheid nemen, bij wijze van spreken jouw exemplaar van Gods schenkingsacte verscheuren. Dan legt God eens aan het eind van de geschiedenis zijn exemplaar verdrietig weg: ik gaf maar hij, maar zij wilde niet. Maar als God geeft, dan geeft hij werkelijk. Hij komt er niet op terug.

Geen kleine dingen dus. Er staan straks alleen maar kleine mensen op het podium, dat wel. Maar midden tussen ons staat de grote God en in Jezus’ opdracht laat hij zeggen: hierbij geef ik jou, voortaan ga ik met jou.

Op die manier uitgewerkt legt God zich vast voor mensen sinds Jezus. Toch is het niet iets nieuws dat God zo met mensen omgaat. Dat hij zich vastlegt en zo houvast aan zichzelf geeft. We hebben er over gelezen in een heel oud verhaal over Abram. Laten we daar nog even wat verder naar luisteren. Het is een levend en levendig verhaal, een voorbeeld van hoe levend en levendig God met mensen wil omgaan.

Abram was een oud-oosterse herdersvorst uit de late bronstijd. Hij kwam uit wat nu ongeveer Irak is, maar God had hem geroepen: vertrek naar het land dat ik je wijzen zal, ik zal je tot een groot volk maken, een bron van zegen. Abram was gegaan. Ze waren aangekomen in wat nu Israël is, hij en zijn neef Lot, met de mensen die bij hen hoorden. Lot had verder zijn eigen weg gezocht. Abram bleef alleen over, in de buurt van Hebron. Kinderen had hij niet. En het beloofde land bleek ook nog een gevaarlijk land: allerlei koningen en krijgsheren trekken er door, brandschattend en plunderend. Net voor dit stuk heeft Abram zijn neef Lot bevrijd uit de handen van een stel van dit soort typen. Geen wonder dat het visioen waarin God zich tot Abram richt begint met ‘Wees niet bang’.

Moet je er goed op letten hoe levendig het er dan aan toe gaat. God zelf spreekt tot Abram in een visioen: ‘Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn.’ Je zou zeggen: nou, nou, God zelf, Abram zal wel buigen en dank u wel zeggen. Maar Abram reageert direct en primair: ‘Heer, mijn God, wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven.’ Hij is respectvol: ‘Heer, mijn God’, maar legt in één keer ook zijn hart op tafel: ‘U hebt mij geen nakomelingen gegeven’. God gaat er serieus op in en vindt Abram goed reageren. Kennelijk vraagt deze God geen slaafse eerbied, kennelijk wil hij mensen niet uitschakelen, maar juist inschakelen. Hij wil geen jaknikkers of slaven, maar mensen met een eigen mening, een eigen gevoel, die het zeggen als ze er geen gat in zien, die het zeggen als het leven pijn doet, die het zeggen als ze iets heel graag willen, ook als dat ‘ja, maar’ zeggen tegen God betekent. ‘Ja maar dat heeft toch geen zin. U zegt wel van alles, maar tot nu toe blijkt er in werkelijkheid niets.’

Ik trek het gelijk maar even naar ons toe. ‘Hierbij geef ik mijzelf aan jou’, zegt deze God straks tegen Bas, ‘met jou wil ik m’n leven delen, je thuis brengen bij mij’. Leer hem dus later maar dat God prijs stelt op zijn mening, prijs erop stelt te horen wat hij voelt en vindt, bezwaren en tegenwerpingen incluis. En dat geldt natuurlijk voor ons allemaal nu al. Zeg wat je vindt en voelt, dan kan God daar tenminste op in gaan, misschien niet net zo direct als bij Abram hier, maar toch, in wat voor vorm dan ook, je laten zeggen wat hij ervan denkt.

Hier laat God Abram de sterrenhemel zien en verzekert hem: zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen. En Abram klampt zich vast aan die woorden van God. Abram vertrouwde op de Heer, staat er. Maar dat is hier sterk bedoeld: tegenover alles wat hij dacht, tegenover alles waar hij bang voor was, met alles wat hij eigenlijk niet meer durfde hopen, grijpt Abram zich vast aan wat God zegt. Er zit hier spanning in. Het gaat ergens om een ‘toch-vertrouwen’, inclusief alles wat in je woelt. Vertrouwen terwijl de vragen in je hart nog leven. En God vond dat de goede reactie: een rechtvaardige daad. Maar de spanning is niet weg.

Dat blijkt ook wel als God verder gaat. ‘Ik ben de Heer, die je uit Ur, uit het land van de Chaldeeën heb weggehaald, om je dit land in bezit te geven.’ Hoor de echo maar, van verderop, trouwens: ‘Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij heb bevrijd’. Het is alsof God zelf even rechtop voor Abram gaat staan: ik ben de God die je geroepen heb, ik ben het, je kunt op me vertrouwen. Maar Abram reageert weer primair en direct, respectvol, maar vragend: ‘Heer, mijn God, hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal krijgen?’ Alsof hij zeggen wil: ja, dat kan allemaal best, dat u te vertrouwen bent, maar na zoveel jaar woorden, woorden en woorden is het tijd voor iets anders, iets meer. Ik kan me wel vastklampen aan wat u zegt, maar help me nu eens met iets waardoor ik er zeker van kan zijn…

Weer vindt God dit kennelijk een goede reactie, hij gaat er echt op in. Goed om direct maar weer naar ons toe te halen. God zegt straks tegen Bas: hierbij geef ik jou mijzelf, ik beloof jou nieuw leven dat blijft en nog veel meer. Hoe kan ik daar zeker van zijn? is dus een goede vraag. En dat blijft een goede vraag, ook voor ons, later, ouder, als je gaat nadenken, als je van alles overkomt, als je leven door elkaar geschud kan worden, als er iets over je kan komen van: ja, God heeft mooi praten, maar wat heb ik er aan, hoe kan ik daar zeker van zijn? Stellen die vraag, echt stellen en echt luisteren naar het antwoord. Hoe kan ik er zeker van zijn dat alles wat God zegt niet gewoon vage bla is waar nooit iets van uitkomt? Hoe kan ik er zeker van zijn dat God het niet alleen maar tegen anderen heeft, maar niet tegen mij? Dat zijn vragen waar God zelf waanzinnig serieus op ingegaan is.

Hier bij Abram al. God reageert simpelweg met een opdracht: ‘haal de nodige dieren’. Abram begrijpt kennelijk direct wat de bedoeling is, want hij haalt niet alleen de dieren, maar snijdt ze ook middendoor en legt ze tegenover elkaar. Logisch, want met deze opdracht sluit God aan bij een bestaand gebruik in Abrams wereld. ‘Haal een driejarige koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een gewone duif’, betekende: wij gaan een verbond sluiten. Dat was belangrijk in die tijd. Abram was een zwervend herdersvorst in de voor ons zo onbekende wereld van de late bronstijd. Een geordende samenleving bestond nog niet. Er was geen centraal gezag, er was geen centraal recht, geen politie, geen geregeld leger. Groepen mensen, dat was waar je mee te maken had. Een groep van een beetje omvang (laten we zeggen een paar honderd tot duizend man) bouwde een muur om hun dorp, en noemde het stad, en benoemde hun dorpsoudste tot hun koning. In die omstandigheden moesten de mensen zich beschermen en sterk maken door persoonlijke afspraken. Mensen verbonden zich met elkaar om de gevaren die hen bedreigden beter het hoofd te kunnen bieden. Zij maakten daar plechtige afspraken over, door persoonlijke ritueel een eed te zweren. Als zij die zouden breken, dan mochten de goden hen straffen. Dat heette dan een verbond. Een verbond was de sterkste manier van afspraken maken die in die tijd bestond. Alles wat wij nu door middel van de rechterlijke macht of notarissen regelen kon toen persoonlijk door middel van een verbond afgesproken worden. Verbonden had je dan ook in soorten. Er zijn er een heleboel bekend, niet alleen uit de bijbel zelf, maar ook uit andere, buiten-bijbelse bronnen.

De soort die we hier treffen zouden wij een notariële schenkingsacte noemen, voorzien van alle nodig stempels en handtekeningen en kadastrale beschrijving van het gebied. Hierbij geef ik dit land aan jouw nakomelingen, Abram, precies dit land. God schenkt en hij doet dat alleen. Abram hoeft niet mee te lopen tussen die dode dieren door (zo mag het mij vergaan als ik niet doe wat ik beloof). In de tekens van een rokende oven en een brandende fakkel doet God zelf dat alleen. Plechtig legt hij zich vast in de toen sterkst voorstelbare afspraak: ik geef jou dit land, Abram, mijn risico, mijn gave.

Typisch God, trouwens, om het weer even naar ons toe te halen: hij geeft Abram niet als bij toverslag zekerheid en vertrouwen, nee, hij komt naast Abram staan als was hij een menselijke grootgrondbezitter en schenkt hem plechtig het land dat hij beloofd heeft. Hierbij… Zo stimuleert God Abram tot werkelijk, menselijk vertrouwen: kijk maar, lees maar, je mag er zeker van zijn.

En dan is dit zelfs nog maar een klein begin. Tenminste, als we de lijnen even doortrekken naar vanmorgen, naar nu: als God ons laat zeggen: joh, welkom bij mij, welkom in mijn koninkrijk, hierbij geef ik je mijn leven, hierbij leven tot in eeuwigheid — en wij vragen: Heer, mijn God, hoe kan ik daar zeker van zijn? — dan worden we mee geroepen naar Jeruzalem, een bovenzaal, dertien mannen, één van hen, Jezus, deelt brood uit en heft een beker op: op het nieuwe testament in mijn bloed; vervolgens gaat hij als rokende oven en vurige fakkel zelf de bloedstraat door, opgehangen aan een kruis. Zo serieus neemt God zo’n vraag: hoe kan ik daar zeker van zijn? Zelf gaat hij de dood door in Jezus, zijn Zoon. Zo zeker mag je ervan zijn dat alles wat God ooit beloofde en zei in hem Ja en Amen is: kijk maar, hij komt ons zelf ophalen voor thuis. Iedereen die iets hoort van ‘God houdt van mij’ en zich afvraagt: hoe kan ik daar zeker van zijn? Kijk maar naar Jezus, zo zeker als hij daar sterft ben jij Gods kind. Iedereen die iets hoort over kind van God zijn… hoe kan ik daar zeker van zijn? Kijk maar naar Jezus, zo zeker als hij daar opgestaan is ben jij Gods kind. Laat het tot je doordringen en er kan werkelijke menselijke zekerheid en vertrouwen groeien in je hart. Als God ons dan zo heeft liefgehad, zal hij ons dan met Jezus ook niet alle dingen schenken?

Vanmorgen zegt God het tegen Bas — en hij herinnert iedereen die gedoopt is zo aan het moment dat hij het tegen ons zei — hierbij geef ik jou mij zelf, ik wil met jou leven tot in eeuwigheid. Hij legt zich vast, hier vanmorgen nog eens met naam en toenaam voor Bastiaan Jan Koster: jou geef ik mijzelf. Leer het Bas maar als hij groter wordt: hoe kan ik daar zeker van zijn? is een goede vraag. Het antwoord is nog veel beter: kijk maar naar Jezus, zijn leven voor jou leven, zijn dood voor jouw dood, zijn opstanding voor jouw opstanding. Zo zeker als dat gebeurd is, zo zeker mag jij daarvan zijn. God zelf komt er nooit meer op terug. Hij heeft verklaard, zich uitgesproken, zijn verbond gesloten: hierbij geef ik jou, voortaan ga ik met jou. En zo zal het zijn, vandaag en morgen en tot in de eeuwen der eeuwen, amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 1 november 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *