Ellende is ellende, maar ellende-kennis is bevrijdend

Preek over zondag 2 Heidelbergse Catechismus

orde middagdienst
votum en groet
zingen: Psalm 73,10
gebed
Schriftlezing Matteüs 3:1-12, 4:12-17
zingen: NGK 89,3
preek over Zondag 2
zingen: Psalm 86,1.2.7
geloofsbelijdenis
zingen: NGK 134,6
gebed
inzameling gaven
zingen: Liedboek 301
zegen

Er is een heel leuk verschil tussen onze ellende en onze kennis-van-onze ellende. Onze ellende is altijd een ellende: we zijn er beroerd aan toe. Op de een of andere manier doet het altijd zeer. Met ellende kun je nooit blij zijn. Maar kennis-van-je-ellende krijgen is meestal bij voorbaat al een opluchting. Weten wat er aan de hand is, is een reden om toch een beetje blij te worden. Al krijg je slecht nieuws over je ziekte, of over je baan, of waar dan ook over, er komt dan tenminste een eind aan de onzekerheid. Nou, we weten tenminste waar we aan toe zijn!, zeggen we dan.

Daarom vind ik het ook niet nodig om negatief te doen over die drie zondagen over onze ellende, waarvan deze zondag 2 de eerste is. Want in die zondagen gaat het er nu juist om dat wij leren waar wij met onszelf en met elkaar aan toe zijn. En dat is op zich helemaal niet negatief. We balen toch ook niet van de dokter als die ons vertelt waar we ons zo ziek van voelen. Welnee, we balen pas als de dokter het ook niet weet en ons doorstuurt naar het grote donkere-bomen-bos van specialisten en ziekenhuizen.

Laat ik het nog eens anders zeggen: het is een kenmerk van werkelijke volwassenheid dat je weet wat je kunt èn wat je niet kunt, dat je je eigen mogelijkheden èn beperkingen hebt leren kennen en dat je daar mee hebt leren omgaan. Denken dat je alles wel kunt en de hele wereld wel aan kan, dat hoort bij de manische perioden van je puberteit, net als denken dat je helemaal niks kunt en iedereen er beter aan toe is dan jij, hoort bij de depressieve perioden van diezelfde puberteit. Een gezonde volwassene denkt niet zo manisch of zo depressief over zichzelf. Als je het toch doet is er iets aan de hand, en heb je er belang bij dat een dokter je leert ontdekken wat.

Nu, net als bij menselijke volwassenheid hoort dat je jezelf hebt leren inschatten, je grenzen kent, weet waar je goed in bent en wat je niet kunt, wat je goede èn wat je slechte karaktertrekken zijn, zo hoort dat grenzen kennen ook bij christelijke volwassenheid. Als je je ellende niet werkelijk kent, word je nooit een volwassen christen. Voor je het weet blijf je dan steken in een vorm van geloofspuberteit, en word je heen en weer geslingerd tussen manische buien vol enthousiasme en over-geestelijkheid en depressieve buien vol gevoel van zondigheid en slechtheid en onvermogen.

Laten we daarom maar blij zijn dat ook deze zondagen bij onze Catechismus horen, en eens rustig gaan kijken wat we er uit leren kunnen. Dat is gezond voor een christenmens.

Het eerste wat Zondag 2 ons dan in handen geeft is een goede maat om onszelf aan te meten, om het zo eens te zeggen: een model van wat gezond mens-zijn is. Zo kunnen we leren waar onze echte mogelijkheden en onmogelijkheden liggen, en los komen van allerlei illusies. Dat is heel prettig. Het zet je met twee benen op de grond.

Die goede maatstaf is God zelf, heel concreet in de Persoon van Jezus Christus, zijn Zoon, en voor ons prettig hanteerbaar gemaakt in een overstelpende hoeveelheid ge- en verboden, aanwijzingen, tips, waarschuwingen en aansporingen.

Laten we ons niet verkijken op dat kortste antwoord van de Catechismus, dat wij onze ellende kennen ‘Uit de wet van God’. Heel gemakkelijk betekent dat voor ons eenvoudig: uit de Tien Geboden. Dat automatisme moeten we nodig afleren. Want het gaat hier maar niet om de Tien Geboden alleen. Als je het ANWB-bordje van de tekstverwijzing onder antwoord 3 volgt, kom je bij Romeinen 3 : 20 terecht, en daar gaat het heel algemeen over ‘wet’ die zonde doet kennen. In heel het eerste gedeelte van Romeinen kom je zelfs geen verwijzing naar de Tien Geboden tegen. Het gaat hier echt om het geheel van alle levensaanwijzingen van God.

Dat kun je nog ten overvloede zien in de tekst die in antwoord 4 aangehaald wordt. Die twee grote geboden die de Here Jezus aanhaalt zijn maar niet de samenvatting van de Tien Geboden. Zoals er met zoveel woorden bij staat, gaat het hier om heel de Wet en de Profeten, en dat wil zeggen: heel het Oude Testament. Daarin zijn natuurlijk de Tien Woorden opgenomen, maar het gaat om veel meer. Het gaat om alles wat de Here wil dat wij doen en laten, ja, het gaat om dat wat de Here wil dat wij zijn.

En dat heeft allemaal direct iets met God zelf te maken. God gebiedt mensen niets wat Hij zelf niet doet. In zijn geboden vinden we de Persoon van God zelf weerspiegeld. Als je nadenkt over de wet ontmoet je vanzelf Jezus Christus, onze Heer. Hij is die mens die dit allemaal heel vanzelfsprekend gedaan heeft. Hij is die mens die zo is als God mensen bedoeld heeft. Hij is die mens die leeft van liefde en leeft in liefde. In Hem is God zelf onder ons verschenen. In Hem is dus ook Gods wet vlees en bloed geworden in ons midden. Hij is het model voor werkelijke menselijke gezondheid.

En dat is nu buitengewoon prettig. Het leert ons op een heel aparte manier naar onze ellende te kijken, onder ogen te zien waar de negatieve kanten van ons leven en van onze persoon liggen. Een aparte manier, want er is ook een heel vanzelfsprekende, algemene manier. En die is heel anders.

Als we even een kijkje in ons eigen hart nemen, en voor de helderheid nog even om ons heen kijken naar wat zo algemeen gebruikelijk is onder mensen, dan zien we dat wij op onze menselijke automatische piloot kijken naar andere mensen om onze ellende te leren kennen. Onze ellende is dan dat wij ziek zijn terwijl anderen gezond zijn. Of dat wij arm zijn terwijl anderen rijk zijn. Of dat wij ongelukkig zijn terwijl anderen gelukkig zijn. Of dat wij niet goed kunnen leren, en het dus wel nooit ver zullen schoppen, terwijl anderen veel intelligenter zijn en wel hoog in de boom zullen eindigen.

Of, juist andersom bekeken: onze ellende valt best wel mee, want er zijn nog zoveel anderen. We zijn heel goed in staat om een land van blinden om ons heen te fantaseren, waarin wij als eenoog de natuurlijke koning zijn. Er zijn nog zoveel mensen die het beroerder hebben dan wij, die slech­ter zijn, of dommer, of armer. En voor we het weten zijn we dan eigenlijk nog best tevreden met onszelf ook. Oké, er zijn wat vlekjes, maar ja, er is geen koe zo bont …

Maar God leert ons andere maatstaven aan te leggen, uiteindelijk de maatstaf van de liefde, of wij uit onszelf gericht zijn op anderen, op het goede voor anderen, of dat wij uit onszelf cirkelen om onszelf en ons eigen belang. En dat is óók heel bevrijdend. Het betekent meteen dat het nog helemaal niet slecht van jou is als jij niet zo groot, niet zo sterk, niet zo gezond, niet zo succesvol bent als anderen. En omgekeerd, dat het nog helemaal geen prestatie van jou is als jij zo het een en ander bereikt hebt in je leven. Of jouw leven mislukt of geslaagd is hangt nog van heel andere dingen af dan van gezondheid of rijkdom of luxe of aanzien. Het hangt er veel meer vanaf of wij iets van het beeld van Jezus vertonen, of wij mensen zijn die liefhebben, die open staan voor anderen.

Dat is een buitengewoon prettige maatstaf, omdat die ons tenminste de ruimte laat om helemaal onszelf te zijn. Als je je aan anderen meet heb je die ruimte niet. Dan moet je steeds maar zo zijn als een of andere ander. En jij bent die ander niet. Zo maar grijp je dan boven je macht. Net als Adam en Eva die wilden zijn als God en zich helemaal dood vertilden aan het zelf uitmaken wat goed en kwaad is.

Maar God interesseert het niets of wij net zo zijn als anderen. Hij houdt van ons zoals wij zijn. Voor God is het helemaal niet van belang of jij goed kunt leren of niet, het is van belang of jij met jouw mogelijkheden leeft in liefde. Voor God is het niet interessant of jij een geslaagd zakenman of -vrouw bent, het gaat er maar net om wat jij daar mee doet. Als de mens die je bent kom je met je eigen twee benen op Gods aardbodem terecht: en de vraag is: liefde of haat, delen of stelen, open of gesloten zijn.

Goed, nu zitten er natuurlijk allerlei mensen te denken: maar ik vind die maatstaf helemaal niet prettig. Als ik volmaakt moet zijn zoals God volmaakt is, dan wordt het nooit wat. Dan is uiteindelijk het leven van ieder mens mislukt. Als het er maar niet om gaat dat wij als nette burgers leven, maar dat wij werkelijk liefhebben in concrete daden, nou, dan hangen we allemaal. Dan zijn we er allemaal beroerd aan toe.

En zo is het maar net. Maar het mooie is, dat we nu tenminste kunnen ontdekken waar het beroerde zit, kunnen ontdekken waar we tegen te strijden hebben, waar we onze energie in moeten steken en waar niet in.

Als God zelf onze maatstaf voor gezondheid wordt, en de Here Jezus ons voorbeeld van gezond mensenleven, dan zien we tenminste aan welke ziekte wij lijden. Onze ellende is niet dat wij allerlei dingen niet of niet meer kunnen die anderen wel kunnen. Maar onze ellende is dat wij een hard hart hebben, dat er diep in ieder mens een keiharde kern van puur egoïsme zit, die zich zomaar vertaalt in haat, in over anderen heen lopen, in agressiviteit en in het ons toe eigenen wat van een ander is. Precies het tegendeel van liefde, die geeft en open staat voor anderen.

Dat is het waar wij tegen aan lopen als wij ons meten aan Gods maatstaf. Tenminste als wij ons goed meten. Je kunt ook heel oppervlakkig met Gods wet omgaan, die wet los maken van God zelf, en opsplitsen in allerlei ge- en verboden. Dan ontdek je alleen maar dat je allerlei dingen niet kunt, of nog niet kunt. Dan merk je bijvoorbeeld dat je toch driftig bent geworden, terwijl dat niet goed is. Dan gaat het zo maar alleen nog om de vraag of je bepaalde dingen doet of niet doet.

Maar zo oppervlakkig is Gods wet niet. Daarom zei ik net expres dat eigenlijk God zelf, in de Persoon van de Here Jezus onze maatstaf is. Het gaat er in de wet, in die heel brede zin van al Gods geboden, om dat wij bepaalde mensen zijn, dat wij net zo zijn als Jezus, onze Heer. Dat wij mensen zijn die God en mensen liefhebben. En wat je dan merkt is dat je zo’n mens niet bent uit jezelf. Dat je uit jezelf op heel andere dingen uit bent. Je ontdekt het levende bestaan in jezelf van wat Paulus onze oude mens heeft genoemd, of het vlees, die keiharde kern van cirkelen om jezelf.

En dat is beroerd. Het levert je een heleboel ellende op in de breedste zin van het woord: ruzies, frustraties, pijn, vernieling. En dat wordt allemaal tot in het oneindige vermenigvuldig doordat wij allemaal zo zijn uit onszelf. Onze ellende wordt vermenigvuldigd door alles wat wij elkaar aandoen. Het is werkelijk ook een grote ellende in ons leven. En die heeft altijd iets te maken met die oude mens, die harde kern in ons hart en leven. Ik ga dat nu niet verder uitwerken. Er komen nog twee zondagen hier over.

Waar het me nu om gaat is, dat wij onder Gods maatstaf tenminste weten waar we aan toe zijn. Deze ellende is werkelijk ellendig. Maar dat God ons er op wijst en bij bepaalt, dat is niet ellendig. Het is juist bevrijdend. Het wijst ons er direct op waar wij mee te maken hebben in onszelf, waar wij tegen te strijden hebben. Het gaat in het christenleven er niet maar om dat wij op allerlei details ons zelf proberen te verbeteren. Dat krijg je snel als je de wet misverstaat en de geboden als checklist gebruikt. Het gaat er juist om dat wij in deze diepe kern onszelf aanpakken, of, nog veel beter gezegd, dat wij onszelf laten aanpakken door Jezus Christus, onze Heer.

In jezelf die eindeloze hardheid van je eigen hart ontdekken leert je bidden: Heer, geef mij een nieuw hart. In jezelf dat massief blok egoïsme vinden leert je vluchten naar de liefde van Jezus Christus, onze Heiland. En al die ruzie en ongerechtigheid die uit ons zelf voortkomt, leert ons bidden om de komst van Gods rijk van vrede en gerechtigheid. Zo bidden, dat hoort bij werkelijk gezond christen zijn. Dat scheelt een hoop illusies en frustraties, en levert je een heleboel verwondering op: wat God verhoort die gebeden ook nog, telkens weer. Er verschijnt een nieuwe mens in ons leven, dankzij Hem. Maar dat is iets voor bij een volgende zondag. Laten we nu eerst maar eens bidden, om te beginnen met Psalm 86. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 1 augustus 1999
Loenen-Abcoude, 29 februari 2004

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *