Als een kind Jezus ontmoeten

Preek over Marcus 10:13-16

orde morgendienst
zingen: Opwekking 174
zingen: Psalm 98,1.3
stil gebed
votum en groet
zingen: Opwekking 474
gebed
Schriftlezing Marcus 10:13-31
preek over Marcus 10:13-16
zingen: NGK 38
dopen Lies Jansen
zingen: NGK 45
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 454
zegen

Vier keer hebben we de afgelopen zondagmorgens hier een ontmoeting met Jezus meegemaakt. Jezus spreekt mij aan, zoals Zacheüs. Hij ontmaskert mij zoals die rijke jongeman, die we net nog weer langs zagen komen. Hij onthult zich aan mij, zoals aan die Samaritaanse vrouw bij de put van Jakob. En hij blijkt, gelukkig maar, heel anders dan ik ben, zoals hij vreemd anders was voor Pilatus. We gaan het vanmorgen nog maar een keer meemaken, zo’n ontmoeting met Jezus. Als iemand de vorige keren gemist heeft, of als iemand het toch allemaal nog maar ingewikkeld vond, geen probleem. We beginnen vanmorgen gewoon nog een keer opnieuw. Iemand ontmoeten doe je tenslotte altijd telkens weer opnieuw, ook als het niet voor de eerste keer is.

Bovendien, voor Lies is het ook de eerste keer. Met die mensen mee die probeerden hun kinderen bij Jezus te brengen om ze door hem te laten aanraken, komen vanmorgen ook Ard en Susan Lies bij Jezus brengen om haar in Jezus’ naam te laten dopen. Ze kunnen bij Jezus zo aansluiten bij die andere vaders en moeders met baby’s op de arm, kleine peuters misschien, maar veel groter niet.

Kindertjes die zichzelf nog niet in leven kunnen houden, die overal rondgedragen worden en met alles verzorgd worden. Kleintjes van wie je niet zegt: kijk es, wat ze al kan, maar die nog niets kunnen. Hun hele leven draait om eten en drinken, slapen en vooral groeien. Alles wat ze daarvoor nodig hebben krijgen ze van anderen: vooral van moeders.

Net als die ouders in Jezus’ tijd verwachten Susan en Ard iets van Jezus voor Lies. Lies is nog te klein om zelf iets te vinden, te willen of te verwachten. Daar heeft ze dan ook ouders voor. Net als alle normale ouders willen Susan en Ard het beste voor hun kind. Daarvoor moet je bij Jezus zijn. Hij is de redder, de koning die een goede wereld brengt. Dus als je bij hem mag horen, dan gaat het wel goed komen met je leven. Wat gebeurt er dan, als je Jezus ontmoet, als kind, als klein kind? Wat gebeurt er vanmorgen met Lies?

Nou ja, kijk straks maar: in de stilering van de kerk van zoveel eeuwen na Jezus gebeurt er hier hetzelfde als daar. Jezus wil Lies er echt bij hebben en hij wil haar alles geven dat het met haar goed komt. Hij zet zijn naam op haar voorhoofd in de doop en belooft haar: ik ga alles goed en nieuw maken, ook voor jou, ook jou, ik ga jouw leven in bloei zetten. Net zo zegt Jezus hier tegen die kleine kinderen zonder naam: kom maar bij me, welkom, en hij neemt ze op de arm en zegent ze: ik ga jouw leven in bloei zetten. Dat betekent zegenen, nietwaar: in bloei zetten (vloeken betekent laten verdorren). Als je als kind Jezus ontmoet is dit in ieder geval duidelijk: hij wil je erbij hebben en hij wil je alles geven wat goed is.

Als kind, laat ik dat nog even onderstrepen. Laat die kleine kinderen bij me komen, zegt Jezus hier. En dan moet je Jezus vervolgens niet voor je zien staan tussen allemaal lieve basisschoolkinderen, die al van alles kunnen en doen en kattenkwaad uithalen en zo, maar tussen kleine crèche-kinderen. Ze kunnen niet of nauwelijks zelf lopen. Ze hebben geen idee wat er allemaal gebeurt. Ze worden gebracht. Ze kunnen zelf nog niks. Ze zijn nog niets, alleen zichzelf, en zelfs zichzelf moeten ze nog worden. Ze worden gevoed, verschoond, gedragen, gebracht. En Jezus wil ze erbij hebben: mensjes die vooral een heleboel niet kunnen. Lies, jou wil ik erbij hebben.

Vergeet dus vooral de hele korst aan romantiek en vage praat rond deze scène uit Jezus’ leven. Nee, dit zijn geen kinderen die kunnen ‘geloven als een kind’. Ze zijn ook niet voorbeeldig onbevangen en open en vol vertrouwen, onbedorven door alle vragen en twijfels die volwassenen met zich meedragen. Het zijn baby’s en baby’s geloven helemaal niet, zelfs niet als een kind. Ze worden gebracht door hun ouders. Die geloven dat Jezus ook voor hun kinderen een zegen heeft. De kinderen zelf kunnen nog niets. Dat is het punt. En het is niet alleen bij hen het punt. De kinderen hier zijn niet de enigen die bij Jezus gebracht worden. Vier vrienden brengen een verlamde bij Jezus. Hij kon zelf niet lopen. Ze brachten een doofstomme bij hem. Hij kon zelf zijn zegje niet doen. Ze brachten een blinde bij hem. Zelf had hij Jezus niet kunnen vinden. Allemaal mensen die iets niet kunnen. Zo verschijnen de kinderen hier ook, hoe kleiner des te minder kunnen ze: gebracht, gedragen. Wat kan Lies? Huilen, drinken, slapen. Netto nog niks dus. En zulke mensen, die van alles niet kunnen — Jezus wil ze erbij hebben.

En hij wil ze alles geven wat goed is, wat je je voor je kind wenst als vader of moeder. Wat het voor ons hier wat vreemd maakt, is dat Jezus het dan steeds heeft over het koninkrijk van God. Hij zegt: het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals deze baby’s. En: wie het koninkrijk van God niet ontvangt als een baby, komt er niet in. Dat koninkrijk van God is het grote centrale punt van alles wat Jezus doet en zegt. Het is een enorm dynamisch begrip. Even kort gezegd: het koninkrijk van God is wat er gebeurt als de levende God als koning gaat optreden op aarde, als hij gaat laten zien aan iedereen dat hij de echte koning over alles is. Dan wordt het echte, het diepe kwaad verslagen, worden mensen bevrijd en in de ruimte gezet en komt er uiteindelijk een heel nieuwe goede wereld van vrede en recht en liefde en trouw, het eeuwige leven, waar mensen in kunnen binnengaan. Als God als koning gaat optreden zet hij onze uit het lood geslagen wereld recht en worden mensen gered. Als God als koning gaat optreden komt er een goede wereld op aarde. Met wie daar bij mag zijn komt het goed.

Je kunt dus ‘koninkrijk van God’ ook vervangen door ‘goede wereld’, goede werkelijkheid, zonder kwaad, haat, liegen, verdriet, teleurstelling, eenzaamheid, en noem nog maar wat. Maar dan, let op de dynamiek, inclusief de weg daarheen. Inclusief het proces van bevrijding. Bij een koninkrijk denken wij aan een bepaald vast gebied, een natie, het koninkrijk der Nederlanden bijvoorbeeld. Maar zo was het in de oude wereld niet. Het Griekse woord hierachter betekent zowel koningschap, koning zijn, als koninkrijk. Logisch zodra je in de gaten krijgt dat het in de oude wereld helemaal van het optreden van de koning afhing wat zijn rijk was. Denk maar even aan Alexander de Grote. Zijn rijk werd onmetelijk groot door zijn optreden, zijn veldheer zijn. De omvang van het koninkrijk van Alexander de Grote werd één op één bepaald door zijn koning zijn.

Nou, bij alle verschil, zoiets speelt ook rond het koninkrijk van God. Dat is wat er gebeurt, wat er ontstaat, als de levende God zelf als koning gaat optreden, mensen gaat redden, de wereld gaat recht zetten. Dat is dus de goede wereld die ontstaat. En net als bij Alexander de Grote, kost dat tijd en inspanning, is dat iets wat gebeurt, wat zich ontwikkelt. Bij het koninkrijk van God gebeurt dat als Jezus, de koning, op aarde komt, het laatste kwaad verslaat aan het kruis en dan de goede boodschap van zijn heerschappij de wereld over laat gaan. Er is vergeving, er is nieuw leven, er is kracht voor het goede, wat goed en waar en mooi is mag blijven tot in eeuwigheid. Mensen worden geroepen daarin mee te gaan, daar deel aan te krijgen. En als voltooiing van dat proces zet God eens alles in de derde macht in een nieuwe, goede schepping. Als Jezus het over het koninkrijk van God heeft, spreekt hij dus over dit dynamisch gebeuren, waar wij nog midden in zitten, en dat eens wordt afgerond als heel de aarde bevrijd en vernieuwd is. Het koninkrijk van God, dat is de goede wereld die bezig is te komen. Daarvan geldt: je kunt er alleen in meedoen, deel aan krijgen, als baby.

Dat is vreemd. Het gaat dan ook om een vreemd koninkrijk, een koninkrijk ‘niet van deze wereld’ zegt Jezus als hij gevangen genomen is. Anders hadden mijn leerlingen wel voor mij gevochten. Juist. Bij normale koninkrijken gaat het om macht. Normale koningen werven dus een leger. Zonder zijn leger was Alexander de Grote nergens gekomen. Bij Gods koninkrijk is dat dus anders. Niet dat God geen leger heeft. Best wel. Legioenen van engelen. Maar als God op aarde als koning gaat optreden gebruikt hij ze alleen als koeriers. Het gaat bij deze koning niet om macht maar om liefde, niet om geweld maar om recht, niet om overheersing maar om bevrijding. Zijn eigenlijke tegenstander is het diepe kwaad dat mensen zich op zichzelf laat stellen, ze verslaaft aan macht, geweld en overheersing en ze daaraan kapot laat gaan. Hij overwint het kwade door het goede en hij overwint het zelf door het op zich te nemen en weg te dragen aan het kruis. Zelf. Alleen. De mensen die hij om zich heen verzameld had staan toe te kijken, of zelfs dat niet eens. Ze geven niet eens morele steun. Als God als koning gaat optreden gebeuren er dingen voor mensen, niet door mensen. Deze koning vraagt niet, maar geeft, gaat niet als leider voorop maar gaat alleen. Een goede wereld komt er niet als wij ons daarvoor inspannen, ze komt er alleen als geschenk van Jezus, van God, als gave. Alles komt goed met je, niet als jij maar je best doet er wat moois van te maken, maar als je het wilt ontvangen van Jezus.

Dat vinden we nog vreemd. Als iemand zegt: we gaan op weg naar een goede wereld, dan denken wij nog vanzelf: die goede wereld gaan wij bouwen, wat mooi dat ik daaraan bij mag dragen, laat ik maar m’n best gaan doen. Jezus’ leerlingen dachten ook zo. ‘Volg mij’, betekende voor hen: volg mij in mijn leger, dan gaan we samen de overwinning behalen. En daarom hadden ze iets van: wat moet dat met al die mensen die van alles niet kunnen? Die zieken, verlamden, blinden enz. werden tenminste nog genezen, zodat ze weer wel iets konden. Maar deze kinderen, daar viel niets aan te genezen. Het waren kinderen, baby’s, die kun je in een leger niet gebruiken. En toch: Jezus wil ze erbij hebben, en hij schiet uit zijn slof naar zijn leerlingen: jongens, daar ben ik nu al de hele tijd mee bezig, om jullie uit te leggen, voor te leven, voor te houden dat jullie mijn leger niet zijn. Zie je dan niet dat ik geen mensen werf, maar dat ik uitdeel? Zie je dan niet dat ik geen mensen oproep zichzelf te bevrijden, maar mensen kom bevrijden, mensen die zichzelf niet kunnen bevrijden? Leer nu eens dat jullie geen deel van de oplossing zijn, maar deel van het probleem. Ik ben de oplossing en ik deel die uit aan jullie.

Ja, dat is moeilijk. Nog altijd. Heel breed moeilijk. Naar een goede wereld wil vrijwel iedereen. Luister maar naar wat mensen rondom de dood zeggen. Ik heb toch redelijk netjes geleefd. God zal me wel een plek geven. Hij was zo goed voor haar, God zal het hem belonen. Op iedereen is wel wat aan te merken, maar door de bank genomen heb ik het toch niet gek gedaan. Dat vind God toch ook wel. Kijk wat ze heeft bereikt. Dat kan toch niet voor niets zijn? In allerlei varianten lijken mensen toch te denken dat ze iets mee kunnen nemen de dood door, mee in hun kist, mee naar gene zijde, al was het maar een verdienste, een moreel compliment, een soort van recht op toegang tot een goede wereld. Wat Jezus zegt is dan eigenlijk eerst heel nuchter: vergeet het allemaal rustig, je gaat het leven weer uit zoals je er in gekomen bent: naakt en met niet meer dan je naakte zelf, je kunt niets, niets bijdragen, je wordt gedragen en gebracht. Alleen als je beseft dat je als een kind niets zelf hebt in te brengen kom je de goede wereld binnen.

En ook heel ontnuchterend: dat kan niet, want alles wat je mee zou nemen draagt de kiemen van het kwaad de goede wereld weer binnen. Alles wat zo belangrijk voor je is dat je hele leven er om draait en dat je daarom mee wilt nemen de dood door, het zou je daar weer er om laten draaien en je nog pakken en verslaven, de kiem van het kwaad. Zelfs in alles wat jij echt heel goed vindt, zit een dynamiek opgesloten die je zomaar laat liegen, uit je slof laat schieten, hard laat worden, mensen laat slaan of uitschelden. Je gaat echt niks bijdragen aan die goede wereld. Het zou je niet lukken. Je weet niet wat goed en kwaad is, tenslotte. Dat weet ik alleen.

Juist daarom is wat er gebeurt als God als koning gaat optreden voor mensen die zijn als baby’s, voor mensen die zelf niets in te brengen hebben dat serieus bijdraagt, maar alleen ontvangen. Echte vrijheid, eeuwig leven, bevrijding uit de vergankelijkheid, toegang tot de goede wereld ontvang je van God zoals baby’s drinken bij hun moeder aan de borst, in een zuigreflex fanatiek ontvangend: dit is leven, dit hebben we nodig. Al de rest, alles wat wij doen en maken en bereiken en presteren, is zomaar ballast. Je zou zomaar denken dat je toch in een leger zat en dat je de wereld moet veroveren of op onderdelen claimen voor Jezus. Maar dat is niet waar. De kerk is geen leger dat te vechten heeft, de kerk is een volk dat erop uitgestuurd is. Ga, maak alle volken tot mijn leerlingen door hen te dopen en te onderwijzen. Als God als koning optreedt gebruikt hij alleen koeriers. Het echte werk doet hij zelf.

Lies is hier vanmorgen echt het voorbeeld. Als God als koning optreedt gebeurt er iets voor mensen, niet door mensen. Je wordt bevrijd, je wordt geboren, je wordt gedoopt, allemaal passief. Je krijgt van alles. Daar gaat het om. De doop beeldt het af: onderdompelen, dood gaan, weer levend worden. Uiteindelijk wordt iedereen die gedoopt wordt weer even baby bij God. Net als Lies, helemaal voor je laten zorgen, je alles laten geven. Het echte werk, dat doet God voor je, dat heeft Jezus al lang voor je gedaan, zowat tweeduizend jaar geleden. Jij mag er uit leven en het doorgeven. Geen soldaat in een leger, maar koerier van de koning: hij maakt je vrij. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 21 maart 2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *