Zonder meer welkom

Preek over Lucas 14:12-14

orde morgendienst
welkom
zingen: Opwekking 339
zingen: Psalmen voor Nu 84
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 116,1.7
gebed
Schriftlezing Lucas 14:12-24
Schriftlezing Jakobus 2:1-13
preek over Lucas 14:12-14
zingen: Iona 20 (melodie Opwekking 167)
geloofsbelijdenis van Nicea
lofgebed
zingen: Liedboek 457,1.4
avondmaalsgebed
instellingswoorden
gebed (Onze Vader)
sursum corda en nodiging
zingen: Opwekking 602
avondmaalsviering
zingen: Psalm 103,1.3.5.9
gebed
mededelingen
zingen: Opwekking 461
zegen

Het is ergens iets als het laatste ideaal van gastvrijheid, wat we hier door Jezus verwoord vinden. Gastvrijheid zonder meer. Nodig voor je maaltijd mensen uit die eten nodig hebben, vier feest met bedelaars, geef aan mensen die niets voor je terug kunnen doen, zonder meer, vrij uit. Het zijn ook woorden die proberen zich als klitten in je leven vast te zetten. Dit is wat Jezus graag wil, dit is wat Jezus zelf doet. Kijk straks maar hiervoor aan de avondmaalstafel. Dat wil blijven kriebelen, prikkelen, lokken. Kriebelen: doen we dat eigenlijk wel? Prikkelen: kunnen we dat eigenlijk wel? Lokken: willen we dat eigenlijk wel?

Het kan niks geen kwaad als het vanmiddag kriebelt bij het zondags feestmaal. Tenminste, ik ga er voor het gemak maar even van uit dat niemand zich hier de afgelopen week heeft zitten afvragen welke bedelaar of zwerver of alleenstaande bejaarde uit de buurt vandaag eens lekker mee zou kunnen eten. En misschien zegt het toch wel meer dan ons lief is dat juist het Kerk en Buurt project het afgelopen seizoen is verzand. Die kriebel moet vooral blijven. Als deze woorden in je leven rond gaan struinen en je zo nu en dan onweerstaanbare jeuk geven, is dat een grote gave van de heilige Geest.

Stel het je dan trouwens wel even serieus voor, de scène hier. Er zit nog een stuk meer in dan je op het eerste gezicht misschien denkt. Jezus is, als interessante rabbi en bekende Jood, uitgenodigd voor een maaltijd bij een vooraanstaand Farizeeër. Dat zou tenminste een spannende maaltijd opleveren en misschien nog wel meer ook. Allerlei andere belangrijke mensen waren ook uitgenodigd. Ze kiezen zelfbewust de goede plaatsen. Maar welke mensen zijn er nu niet, mensen die anders altijd in de buurt van Jezus proberen te komen? Inderdaad, de armen, de bedelaars, kreupelen, verlamden en blinden die in die samenleving alleen door bedelen in leven konden blijven.

Als Jezus hier dan juist over die mensen begint tegenover zijn gastheer dan heeft ook direct de lading van: laat je leven niet om jou draaien, maar neem echt je verantwoordelijkheid in de samenleving. Cirkel niet in je eigen kring, maar kijk naar de mensen die zorg nodig hebben. Doorbreek je circuit van eten met je soortgenoten, en stap op mensen af die heel anders in het leven moeten staan dan jij. En er zit meteen de heel diepe lading achter van: geef niet maar wat aalmoezen aan bedelaars, van afstand, uit de hoogte, jij groot en goed en zij klein en arm, maar behandel ze als mensen net als jij, mensen die het waard zijn om met jou aan één tafel te zitten; zij zijn ook ‘ons soort mensen’!

Er zit een enorme, alles in de samenleving van toen omkerende impact in deze woorden. We weten niet half meer hoe. Je moet een behoorlijk eind weg naar het buitenland om te zien wat het verschil is tussen een samenleving waar het christelijk geloof doorheen gegaan is en een samenleving waar dat niet zo is. Je kunt een slecht verhaal over christenen vertellen. Maar we mogen nooit vergeten dat zo ongeveer heel onze georganiseerde zorg voor armen, zieken en gehandicapten, en het grootste deel van onze aandacht voor een menswaardig bestaan van mensen die het moeilijk hebben, gegroeid is uit de activiteiten van de kerk en van christenen. Onder meer omdat deze woorden van Jezus maar rond bleven zingen in hoofd en hart, en de handen dwongen om iets te gaan doen.

Het gaat Jezus echt niet alleen maar om ons privé-leven, om onze verhouding met hem of om hoe wij ons persoonlijk gedragen. Juist in onze samenleving mogen we ons dat best weer eens goed te binnen brengen. Het is weer Micha-zondag vandaag. Die herinnering komt goed van pas, ook bij deze woorden van Jezus. Je kunt als christen niet instemmen met de systematische afbraak van de zorg in onze samenleving of de even systematische uitbuiting van mensen elders op de wereld. Je kunt het niet maken te stemmen op iemand die een ‘eigen volk eerst’ boodschap brengt en anderen probeert weg te zetten als ‘niet ons soort mensen’. Je zou bij al je goede gedrag alsnog laten zien van Jezus’ woorden hier weinig begrepen te hebben. Wie zijn de armen en de bedelaars van nu? Zet je echt voor hen in als voor mensen die net zo mens zijn als jij, ook ‘ons soort mensen’. Kijk even echt naar het levendige tafereel rond Jezus hier en je merkt: dit gaat maar niet over wat ik toevallig een keertje doe voor iemand, dit gaat meteen over hoe ik systematisch opereer in mijn buurt, over wie ik stem en wie ik steun, over waar ik mijn geld aan geef, en nog een heleboel van dergelijke grotere dingen.

Maar daarom nog eens te meer: laat de kriebel van deze woorden van Jezus vooral blijven. Juist als je lekker zit in je eigen stoel en het zelf goed hebt, juist als je heerlijk netwerkt binnen je eigen contacten-kring, juist als we het samen maar al te goed hebben, hoor je zo’n kriebelend klittig ding uit je kleren te kunnen vissen, waar zoiets op staat als wat Jezus hier zegt. Niet je vriendjes, broeder, niet je vriendinnetjes, zuster, armen, kreupelen, verlamden, blinden, bedelaars, mensen die het nodig hebben.

Als dat blijft kriebelen (doen we dat wel?), dan merk je vanzelf dat het ook blijft prikkelen (kunnen we dat wel?). Want als je er het een en ander van in praktijk gaat brengen merk je gelijk dat het helemaal nog niet zo eenvoudig is om gastvrij te zijn voor mensen zonder iets terug te verwachten. Ja, zo voor een keertje gaat het prima. Bij mensen van ver is het nog makkelijk. Een bord eten, een bed, een goed gesprek, aandacht, een verhaal, het is vaak nog gezellig ook. Dan vertrekken ze weer en kom je ze nooit meer tegen. Maar als de mensen van dichtbij komen, als je ze kent, en als ze ook niet meer zomaar uit je leven weg gaan, dan wordt het anders. Houd het maar eens vol om jaren lang iemand op te vangen uit je straat of uit de gemeente die bijvoorbeeld psychisch ziek is. Zonder zelfs veel dank. En wie weet wel met de ervaring van stank voor dank als diegene plotseling een ander favoriet hulpadres heeft en jou laat zitten. Hoe lang houden we het vol om mensen uit te nodigen bij ons, die ons nooit uitnodigen in hun leven, die niets terugdoen, hoe klein misschien ook. Ook hier weten de kinderen het al: hoe lang nodig je iemand uit op je feestje die jou niet op zijn of haar feestje vraagt?

Zoals in alle vormen van liefde onder mensen speelt er ook bij gastvrijheid bij ons snel iets mee van: voor wat hoort wat, van wij houden van de mensen die van ons houden, van ervan uitgaan dat je het wel eens terug zult krijgen. Je merkt het aan je reacties. Al doe je nog zo je best van Jezus te leren, ook als hij hier zegt: doe het zonder iets terug te verwachten — in je onwillekeurige chagrijn over dat er niets, maar dan ook niets terugkomt merk je dat je er zomaar toch op gerekend had. De liefde kan niet van één kant komen, zeggen we dan. Je kunt niet almaar door geven, zonder te ontvangen. Dat maakt je leeg en moe en put je uit. En dat is ook echt zo. Dat je iets terug verwacht is ook een kwestie van overleven, je hebt het nodig. Zonder zelfs maar dank, zonder dat je enig teken van reactie krijgt voelt het allemaal uiteindelijk zinloos.

Mensen die hier veel over nagedacht hebben zeggen onder meer om deze reden ook, dat iets als dat laatste ideaal van gastvrijheid dat Jezus hier verwoordt echt een ideaal is, en meer niet. Gastvrijheid zonder meer, zonder iets terug te verwachten, absolute gastvrijheid kan in de werkelijkheid niet bestaan. Het is misschien een nuttig ideaal, misschien is het ook wel gevaarlijk. Je kunt jezelf er in verliezen. Toch zegt Jezus hier zoiets. En Jezus is niet iemand van wie ik gewend ben dat hij met ongezonde idealen speelt. Hij zegt zelfs dat je gelukkig zult zijn als je zo doet. Nodig ze uit, doe het zonder iets terug te verwachten, geef, geef weg. Jezus prikkelt ons ermee.

Laten we het spannende punt even visualiseren met een filmfragment. Het is de laatste scène uit de film Babette’s feestmaal. Babette is een Française die vanwege de gewelddadigheden van de Franse Revolutie uit Parijs is weggevlucht en terecht komt in een klein dorpje in Scandinavië. Ze wordt dienstmeid in huis bij twee ongetrouwde zusters, dochters van een sekteleider die een vreemde boodschap preekte van onthouding, tegen lichamelijkheid en tegen alles wat kleur en smaak heeft. Babette heeft het er niet makkelijk, in het dorp niet en bij de zusters niet. Op een gegeven moment krijgt ze bericht dat ze in een loterij in Parijs 10.000 franc gewonnen heeft. Iedereen denkt dat ze nu terug naar Parijs zal gaan. Maar uiteindelijk vraagt ze of zij dan per gratie de maaltijd mag verzorgen op de gedenkdag van de vader van de zusters, de sekteleider. Alle leden komen dan eten. Ze kookt een verbijsterend maal, met ingrediënten die niemand kent in het dorp, maar onvoorstelbaar goed. En meer nog, tijdens de maaltijd zie je de stramme sekte ontdooien, ruzies houden op, het wordt echt een feest. Voor het eerst in hun leven zijn ze gelukkig. Er is met de maaltijd iets gebeurd dat hun leven voor altijd verandert. Dan volgt de laatste scène.

Zie je, het is echt niet vanzelfsprekend dat mensen zoiets voor anderen doen. En, waar het me nu om gaat, bij alle verschil toch een sterke echo van Jezus hier, die laatste zinnen van die ene zuster. U zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen. Doe het hier maar gewoon, nodig mensen uit, geef ze wat je in huis hebt, geef, zonder iets terug te verwachten van hen. Het is allemaal niet voor niets, niet zonder zin, niet zonder betekenis. Je mag er bij de opstanding een eeuwigheid van genieten dat de levende God jou welkom heet, zonder meer, zonder iets terug te verwachten. Goed gedaan, trouwe knecht, ga in tot het feest van je heer. Zalig wie in Christus sterven, want zijn werken volgen hem na. Maak je vrienden met de onrechtvaardige mammon, dan zullen ze je inhalen in de eeuwige tenten. Op allerlei manieren klinkt het na in het nieuwe testament.

En wij mogen het naar ons toehalen als we in ons leven stuiten op die weerstand, op die vermoeidheid, als we leeglopen op mensen, als we ons chagrijnig voelen worden (daar heb je die weer), als we zo’n stank voor dank ervaring hebben. Kunnen we het, geven zonder iets terug te verwachten, zonder meer gastvrij zijn? Jezus prikkelt ons: echt wel, denk maar aan wat er voor je klaar ligt, je mag weg geven zonder iets terug te verwachten van die mensen, maar bij mij staat er een alles overtreffend feestmaal voor je klaar. Doe het maar, je zult gelukkig zijn, nu al en eens volmaakt.

Daarmee zijn we gelijk bij het derde wat ik noemde: Jezus lokt ons (willen we dat wel?). Het is mooi vanmorgen deze woorden te overdenken en dan avondmaal te vieren. Als je ergens ziet dat de levende God ons zonder meer welkom heet, dan aan die tafel. We zitten er allemaal als de mensen die wij zijn. We kunnen ons best zelf rijk voelen, maar bij God zijn we allemaal arm. Bedelaars zijn we, dat is waar. We kreupelen door het leven, zijn op allerlei punten verlamd en voorzien van grote blinde vlekken. Maar Jezus nodigt ons aan zijn tafel. Het is de ene grote avondmaalstafel van de grote kerk van onze ene Heer. We mogen het brood delen: Jezus leven voor ons leven, heel concreet, lichaam. En we mogen blij zijn, zijn feestelijke beker heffen: nieuw leven tot in eeuwigheid, dankzij Jezus. Van ons wordt verder niets gevraagd. We vieren feest. Jezus leeft niet van ons leven, hij verwacht van ons niets terug. Hij geeft, eenvoudigweg, zonder verwijt.

Laat het tot je doordringen en het wordt een bron van leven in je bestaan. Je krijgt er haast vanzelf zin van om ook iets voor een ander te gaan doen, gewoonweg, zonder meer. Geniet er maar even extra van ook vanmorgen. We hoeven niet almaar te geven, we mogen altijd eerst ontvangen. Dan komt er weer energie en zin en motivatie om — bewust — iets door te geven. Als je straks naar huis gaat, kijk je buurt er eens op aan. Kijk eens wie er allemaal wonen. Misschien tijd voor een maaltijd met het portiek of de straat. Misschien tijd om die buurvrouw te helpen met haar Nederlands of die eenzame buurman te eten te vragen en een gezellige avond te bezorgen. Misschien ook wel tijd om een avondje met elkaar voetbal te kijken, of om eens te gaan meedoen in het buurthuis. Misschien ook wel goed om vrijwilliger te worden in een bejaardenverzorgingshuis waar ze nooit meer genoeg personeel hebben of in te stappen in een project bij Kuria. Weet je nog, die armen bedelaars, kreupel, verlamd, blind… Misschien zelfs wel goed om eens iets voor de Christenunie te doen. Wie zo gastvrij kan zijn ook zonder iets terug te verwachten zal tot in eeuwigheid mogen ontvangen, zonder meer welkom bij de Levende. Proef het zo meteen maar. Proef het goed en je merkt dat het naar meer smaakt, altijd meer, meer tot in eeuwigheid.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 14 oktober 2007
Utrecht-NW, 21 oktober 2007

eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 9 maart 2003

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *