Uit de mond van kinderen en zuigelingen

Preek over Psalm 8:3

orde morgendienst
welkom
zingen: Opwekking 194
zingen: Opwekking 277
zingen: Opwekking 339
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalm 105,1.2.5
gebed
Schriftlezing Psalm 8 en Matteüs 21:1-7
preek over Psalm 8:3
deel doopsformulier
zingen: Opwekking 518
doop Daniël Mahama en Ezra de Vries
zingen: Liedboek 335,1.5.8.9
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 609
zegen

Ja, laten we van die psalm ook even een verhaal maken. Krijgen we twee verhalen om ons eigen verhaal mee te verbinden.

Het was nacht. Geen stikdonkere nacht, juist niet. Ergens tussen Libanon en Egypte zat een groep Israëlieten bij elkaar bij hun tenten. Ze hadden de hele dag rondgetrokken met hun vee. Nu was het tijd om uit te rusten en bij te praten. Boven hen de hemelkoepel zoals we die in Nederland nooit zien: een vermogen aan diamanten uitgeschud op zwart fluweel. Om hen heen hun dieren: schapen, geiten, al het vee. Verder weg de dieren van het veld, de vogels aan de hemel, de vissen in de zee. Bij het licht van maan en sterren zagen ze de aarde die ze overdag in al haar vormen en kleuren gezien hadden bij het licht van de zon. Overal hadden ze de naam van Jahwe, hun Heer, uitgeschreven gezien. Hij is de maker, de drager, de gever van al dat leven, al die kleur, al die pracht.

Nu was het nacht, tijd om uit te rusten, bij te praten, door te denken. Ze keken omhoog: de maan, de sterren, de eindeloze verten. Wat is de mens, de sterveling? Wat betekenen wij? Waarom zou de grote God, die dit alles maakt, naar ons omkijken? Hebben al die mensen geen gelijk, die zeggen: ‘Welnee, die grote God bemoeit zich niet met ons. Wij hebben te maken met al die kleine goden om ons heen, de goden van de vruchtbaarheid, van het land hier beneden, de god van het dal hier tussen de bergen.

Dan begint een baby te huilen. Ze kijken om zich heen. Ze zien hun vrouwen en kinderen. Sommige kinderen spelen nog laat. Van de luister van God aan de hemel worden hun ogen naar beneden getrokken, naar hun eigen vlees en bloed, de kinderen van hun stam, hun familie, hun clan. Kinderen zijn zoals ze zijn. Ze spelen, ze zingen, ze praten ook over God, ze zingen ook voor God. Ze noemen zijn naam. Gewoon. Kijk straks maar hier voor in de kerk na het dopen van Daniël en Ezra. En luister maar: de stemmen van kinderen en zuigelingen, ze noemen Gods naam.

De mannen daar bij die tenten weten het ook weer. Nee, al die mensen hebben geen gelijk als ze zeggen: God bemoeit zich niet met ons. Kijk ze zich eens kromwerken voor de een of andere god-van-de-streek. De echte God, die hun kinderen stem en leven geeft, hij heeft mensenkinderen bijna goden gemaakt, gekroond met glans en glorie. Hij heeft het werk van zijn handen ons toevertrouwd. Hij geeft ons leven en levensmogelijkheden. Ze kijken nog eens rond: hun kinderen, hun stam, hun dieren, midden  in het land, tussen de dieren, de vogels en de vissen, onder een open hemel. Jahwe, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde.

Goed, tweede verhaal.

Het was dag. Klaarlichte dag. In het heldere licht van de zon kwam de profeet, Jezus uit Nazaret in Galilea, Jeruzalem binnen. Hij kwam als koning, iedereen kon het zien: hij zat op een ezelin en werd toegejuicht door een menigte mensen: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer! De hele stad was in rep en roer. Een absoluut top-feest voor de kinderen van Jeruzalem en voor alle andere kinderen die meegekomen waren naar het Paasfeest. Ze hadden meegelopen, meegedaan, meegezongen, en ze waren nog lang niet klaar. Ze gingen mee naar de tempel en daar werd het helemaal indrukwekkend.

Die profeet, Jezus uit Nazaret, ging de tempel binnen en joeg iedereen weg die daar iets kocht of verkocht, gooide van alles om en riep iets over een plaats van gebed in plaats van een rovershol. De handelaars, wisselaars, verkopers de tempel uit. Ja, maar de blinden en verlamden van het tempelcomplex die kwamen juist naar Jezus toe en hij genas hen. Al die types van bedelaars en halfzwervers, hompelaars en stakkers. David, de machtige, de veroveraar van Jeruzalem, had een hekel aan blinden en verlamden. De Zoon van David was meer dan zijn vader: geen machtspoliticus, geen vechter. Hij had een hekel aan blindheid en verlamming. Hij genas hen. Hoe dan ook, de kinderen vonden het een prachtig spel. Nog steeds zongen ze: Hosanna voor de Zoon van David! Bij iedere tafel die werd omgegooid, bij iedere lamme die weer kon dansen, zongen ze het weer. Terwijl de volwassenen verbijsterd toekeken klapten de kinderen in de handen: dit was mooi! Hosanna voor de Zoon van David!

Een paar belangrijke mensen spreken Jezus erop aan. Dat hij de orde van de tempel tot wanorde maakt is al erg. Maar: hoort u die kinderen niet? Zo wordt het toch een complete chaos? Ze maken er nog een spel van ook! Ze weten absoluut niet wat hier gebeurt, ze roepen maar wat, ze praten maar na. Of wilde u soms echt zeggen dat u de komende Koning uit het huis van David was? Wilde u echt zeggen dat u God zelf bent die naar zijn tempel komt? Waar is de eerbied in het huis van God? Plaats van gebed, zei u toch, Jezus? — Wat gaat deze profeet nu zeggen? — Nou ja, iets als: ja, ik hoor het, maar hebt u dan nooit gelezen: “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen”? Zo liet hij hen staan. De stemmen van kinderen en zuigelingen zijn afdoende. Inderdaad, hij is die komende Koning, hij is God zelf die naar zijn tempel komt. De kinderen zingen terecht, en als zij nog niet in de gaten hebben wat ze zingen, leer dan maar van hen dat jullie ook nog heel veel moeten leren.

Tijd voor onze verhalen. Of het nacht was of dag weet ik eigenlijk niet. Het maakt ook niet zoveel uit. Op een gegeven moment zijn Daniël en Ezra geboren. Het bijzondere verhaal van Ina en Bashiru, van Annette en Rufus ging verder in hen. En ieder geluid dat ze geven schrijft het uit voor Ina en Bashiru, voor Annette en Rufus: God heeft ons Daniël gegeven, God heeft ons Ezra gegeven. Zelfs hun namen spreken van God: Daniël Joas, God is rechter, gegeven door God, en Ezra, God is helper. In alles wat mensen doen en gedaan hebben was God bezig. God schiep Daniël, schiep Ezra en verraste hun ouders met hen, zoals alleen hij dat kan: alsof ze er altijd geweest is. De vanzelfsprekendheid van de Schepper zelf, die spreekt en het is er, die tot leven roept en zo hoort het te zijn — die kwam plotseling jullie leven binnen. En al het andere wat mensen zeggen, over God, over mensen, over leven, over kinderen, over wat het betekent om mens te zijn, alle andere goden van deze tijd — even plotseling is het onzin geworden. Met de stemmen van kinderen en zuigelingen spreekt niemand anders dan God ons aan: Hij heeft ons dit kind gegeven. Dat is waar en zeker.

De God die zijn majesteit toont aan de hemel, hij spreekt tot ons van vlakbij in een geluid van een kindje: God heeft mij gemaakt, eigenhandig. Mijn levensverhaal begint door hem en met hem. Wat er ook gebeurt, hij houdt van mij. In Jezus wil hij zelfs maar niet mijn Maker, maar echt mijn Vader zijn. Kijk naar zo’n kindje. Alles er op en er aan. Van het begin aan bezig om de wereld te ontdekken. Als je goed luistert hoor je, hoe de Schepper zelf ook dit kindje eigenhandig heeft gemaakt, geboetseerd. Hoor de stem van een baby, van een kind, en wat wordt alle praat vreemd die niet verder komt dan cellen, celdeling, dna, groei en levensontwikkeling op eigen kracht. Als dat alles is wat je zeggen kunt is het niet veel. Gods eigen vingerafdrukken staan op je lijf. Lang vóór je in de gaten hebt dat die voorbij zwaaiende schimmen jouw handen zijn, heeft God zelf de hoogstpersoonlijke lijnen in je huid getekend die bij jou horen. Of dacht er iemand dat die vingerafdruk van Daniël, of van Ezra niet meer was dan het effect van een toevallig algoritme in de alomtegenwoordige evolutie? Dat is studeerkamer-wijsheid, die het huilen van een baby al omver gooit. Gods naam, die op de hele aarde staat uitgeschreven, staat ook op hen.

Goed. Intussen is het in ieder geval dag. Klaarlichte dag. En hier voor in de kerk worden zo Daniël en Ezra gedoopt. En de kinderen gaan zingen. Tenslotte is het nog steeds het feest van de Zoon van David, Jezus, die dood geweest is en die leeft voor altijd. Ik ben de weg, zo zegt de Heer, de toegang tot de Vader. Het doel van alle mensen is God te leren kennen, een andere weg loopt dood. De kinderen gaan zo zingen, met en voor Daniël en Ezra. Let er maar extra op straks. Luister maar extra goed ook. Nee, ze weten vast allemaal niet wat ze zingen. Alleen maar kijken naar de baby’s is ook al heel wat. Mooi hè? Heeft God gemaakt. En de Jezus gaat die schepping van God nog eens overtreffen ook. Kijk maar naar het water: in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest gaan Daniël en Ezra nog eens helemaal nieuw gemaakt worden ook. Ze mogen met Jezus mee, met de grote Koning van het leven mee, door de dood heen, prachtig eeuwig leven binnen.

We zullen het zo ongetwijfeld weer zien, krioelend voor en op het podium: kinderen maken overal een spel van. En iedereen die zou denken: moet dat nu, kan dat niet wat eerbiediger, gaat het in de kerk niet om God? die mag het bedenken: inderdaad, juist daarom mogen ook al die kids met een hoog Tijgetje-gehalte hier voor staan zingen: de stemmen van kinderen en zuigelingen. Wie Jezus ziet op aarde heeft werkelijk God gezien. Hosanna voor de Zoon van David! Nog een keer, nog een keer. Daar wordt je leven een spel van, een prachtig spel! God is echt het einde. Hij laat mensenkinderen spelen voor zijn aangezicht alsof ze de Wijsheid van vóór alle tijden in pacht hebben. Als je goed kijkt is het nog waar ook. Want de Wijsheid van vóór alle tijden is mens geworden, om ons, mensenkinderen, zonen en dochters van God te maken. Meer nog dan schepselen, meer nog dan mensen op zich, meer nog dan mooi en compleet, meer nog dan vergankelijk en geschikt voor opgaan, blinken en aftakelen, meer.

Op klaarlichte dag horen we kinderen zingen, en ieder woord dat zij nog niet begrijpen spelt het voor ons uit: God gaat zichzelf nog eens overtreffen ook. Hij schept niet alleen, Hij herschept bovendien. Hij maakt ons niet alleen, Hij plaatst ons bovendien op de weg, die de waarheid is, naar het leven in het kwadraat. Nee, het leven is niet alleen maar goed en fijn. Er is kwaad in, en ellende, er komen miskramen in voor en depressies, en eenzaamheid en pijn. We weten er van mee te praten, als volwassenen, ieder op eigen manier. Breng je eigen levensverhaal maar in. Maar wie in de kerk kinderen hoort zingen, mag het weten: Gód laat het er niet bij zitten. Heb je het niet gelezen: met de mond van kleine kinderen en zuigelingen, lof? Ook in ons leven staat Jezus, die Koning die zou komen helpen en redden, God zelf die komt naar zijn mensen.

Kijk naar Daniël en Ezra, hier voor in de kerk, en breng het je te binnen: God schiep ook mij, eigenhandig. Ieder geluid dat ze maken bepaalt je er opnieuw bij. Je hoeft ze er niet eens zo’n truitje voor aan te doen met: God’s original creation. Denk aan de doop straks en aan de kinderen die zingen, hier voor in de kerk, en breng het je te binnen: God herschept mij, eigenhandig. Het is bezegeld met het water en het Woord, als teken van de dood en de opstanding van Jezus Christus, onze Heer. Ik ben de weg, zo zegt de Heer, de toegang tot de Vader: God’s original re-creation. Net als wij naar de hemel zouden willen kijken en stoppen na de vraag: Wat is de mens? begint er een baby te huilen, begint er een kind te zingen: Toch hebt U die mens bijna goddelijk gemaakt. Toch bent U bezig die mens deel te geven aan de goddelijke natuur. Toch neemt U ons in Christus Jezus, onze Heer, op in uw liefde, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Moet je dat begrijpen, vóór je het zeggen mag? Wat een onzin. Je moet er van genieten, omdat je het nooit in der eeuwigheid begrijpen zult. Als een kind, dat wandelt tussen wonderen. En wat mensen verder ook maar zeggen mogen, vragen mogen, protesteren mogen, roepen mogen, zo’n lied van kinderen, zo’n geluid van een baby, reikt uiteindelijk verder, tot aan de troon van God zelf. De God die ons ons kind geeft, geeft ons ook het lied van dat kind, de stem die zegt: God maakte mij, Hij zal mij nogmaals maken, voltooien, volmaken. Want Jezus is de weg, de waarheid en het leven.

Ja, kinderen moeten nog veel leren. Dat is werk zat, voor ouders, en onderwijzers, en zo. Maar soms denk ik wel eens dat volwassenen nog veel meer moeten leren, juist van kinderen: verwondering, dankbaarheid, en zo. We beloven bij het doopvont, onze kinderen te leren hun doop te begrijpen, ook Bashiru en Ina, Rufus en Annet zo meteen. En het is werk zat, intensief genoeg. Maar juist als wij bereid zijn te leren van onze kinderen, zal God ons er de kracht voor geven. Uit de mond van kinderen en zuigelingen. Zo is het maar net. Want het is avond geweest. Nacht. Hoe donker, dat weet Christus, onze gekruisigde Heer, alleen. En het is morgen geweest. Dag. Klaarlichte dag. Hoe licht, dat weet Christus, onze Koning die is opgestaan, alleen. De dag van Gods herscheppen. En als God op die dag het werk voltooid heeft, dat Hij gemaakt en hersteld heeft, dan wordt het tijd om feest te vieren, alle dagen, tot in eeuwigheid. Nu mogen we het al horen beginnen, ja, in de stemmen van kinderen en zuigelingen, hoe klein ook, hoe beperkt. Ze spellen het voor ons uit: hier is meer aan de hand, hier is God zelf bezig, de Levende zelf. Zijn naam staat uitgeschreven op je leven, van het begin af aan. Hij klinkt bij ieder geluid mee, als een profetie van meer, veel meer goeds. Dank zij de Levende God, Jezus de Koning die redt en de heilige Geest, die Heer is en levend maakt, nu en voor altijd. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 21 juni 2009
in een eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 15 juli 2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *