Pas genadebesef geeft gezond schuldbesef

Preek over Psalm 130

orde morgendienst
zingen: Opwekking 369
zingen: Opwekking 461
zingen: Liedboek 328
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalmen voor Nu 130
gebed
Schriftlezing Psalm 130
preek over Psalm 130
zingen: Opwekking 618
zingen: Liedboek 428
genadeverkondiging
zingen: Opwekking 430
zingen: Liedboek 436,1-4
schuldbelijdenis
zingen: Psalm 51,2.5
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 554
zingen: NGK 169
zegen

Nu we Psalm 130 gezongen hebben en gelezen hebben een preek lang de gelegenheid om er wat van tot ons door te laten dringen. Trouwens, wie over de preek en over de Psalm nog verder door wil praten, is vanmiddag vanaf 17.00 weer hartelijk welkom hier.

De afgelopen week en daarvoor al heb ik me meer dan anders af lopen vragen hoe ik deze Psalm 130 in de preek zou bespreken. Het is een beroemde psalm, misschien wel vooral onder de Latijnse titel ‘De profundis’, uit de diepten. Ze heeft al eeuwen en eeuwenlang een plaats in de kerkdienst als psalm van boete en berouw. Intussen vind je Psalm 130 ook in allerlei muziek buiten de kerkdiensten. Er zijn meer dan 30 versie van bekende en minder bekende componisten. Sterker nog, er is een album van een death metal groep dat genoemd is naar deze psalm, een andere groep uit hetzelfde genre heet De Profundis, en zelfs is er een horror-game met die naam.

Kennelijk roept het begin van Psalm 130 sterke gevoelens op van schuld, van berouw, van depressiviteit, van dood gaan, van geen lucht meer krijgen. Dat past ook best bij de eerste regels van het lied. Uit de diepte roep ik tot U, Heer. Die diepte is niet maar de diepte van de put waar je wel eens in kunt zitten. De dichter van de psalm bedoelt echt de diepte van de dood, van de onderwereld. Hij roept tot God, om zo te zeggen, met één been in het graf. Als God aan je slechte daden blijft denken, wie houdt dan stand? Vastgespijkerd op je verleden glijd je weg in de diepte van de dood. Zo ervaart deze dichter het in ieder geval.

Maar ja, wat moet ik, wat moet jij daarmee, als je je helemaal niet zo voelt? Veel, misschien wel de meeste mensen in Nederland, hebben van dit soort gevoelens van kwaad, berouw en schuld helemaal geen last. Iemand kan zomaar tegen je zeggen dat dit ook precies is waarom ze niet zo tegen christenen kan: die types zeuren ook altijd maar over zonden en zo. Ze durven niet te léven. Maar ik denk zo dat ook onder ons, zoals we hier samen zitten, genoeg mensen zijn die meestal helemaal geen last hebben van heel diepe gevoelens van kwaad, van schuld, van berouw, van verdriet. We houden niet van die oude formules à la ‘vanwege je zonden een afkeer van jezelf hebben’. Er is toch vergeving? Je mag toch stáán in de genade?

Hoe ga ik deze psalm dan toch aanvliegen? Zonder zo’n dominee te worden waar ik zelf ook niet tegen kan: zo’n type dat permanent probeert je een schuldgevoel aan te praten wat je uit jezelf nooit zou hebben… Ik doe het maar vanuit de regel die als thema boven deze dienst staat: pas genadebesef geeft gezond schuldbesef. En dat betekent bij deze psalm dat ik eerst met jullie wil kijken wat er gebeurt als we Psalm 130 op het leven en lijden van Jezus leggen. Laten we haar eens lezen alsof Jezus zelf de zanger zou kunnen zijn. Wat gebeurt er dan met deze psalm? Jezus is altijd weer degene die zich namens God identificeert met ons, die wil zijn waar wij zijn, die wil ondergaan wat wij zouden moeten ondergaan. Dan gaan we straks kijken naar wat er zou kunnen gebeuren als wij ons met Jezus gaan identificeren, als wij bij hem willen horen en zijn leven voor ons leven willen laten tellen.

De psalm is een pelgrimslied. Dat staat er boven. Een van de liederen van mensen die op weg zijn naar Jeruzalem. Daar is God, aanwezig in zijn tempel. Hem zoeken ze, samen, en ze verwachten bevrijding, vergeving, genezing: Israël, hoop op de Heer! Daar verwacht ook deze zanger vergeving en verlossing uit zijn lijden. Zo, als pelgrimslied, is het ook een psalm van Jezus, op weg naar Jeruzalem, op weg naar God. Maar hij had al gezegd: voor mij wordt het anders. Voor mij wordt het veel lijden, overgeleverd worden, sterven. Om het eens wat gek te zeggen: Jezus zingt dit pelgrimslied op weg naar Jeruzalem waar hij niet uit zijn lijden verlost zal worden, maar straks uit zijn lijden verlost zal worden.

Uit de diepte roep ik tot U, Heer. Heer, hoor mijn stem, wees aandachtig, luister naar mijn roep om genade. Waar kunnen we bij deze woorden aan denken in Jezus’ leven? Waar bidt hij zo, zo geladen ook, met één been in het graf? Ja, dan zijn we in de nacht waarin Jezus werd uitgeleverd om gedood te worden. In de tuin Getsemane bidt hij hartstochtelijk tot God, zijn Vader: ‘Vader, als U het wilt, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat U wilt gebeuren.’ Heer, hoor mij, luister naar mijn roep om genade. Dan verschijnt er een engel uit de hemel om hem kracht te geven. En de boodschap is duidelijk: nee, ik wil niet luisteren naar jouw roep om genade. Je zult kracht nodig hebben. Zo diep als maar mogelijk is bad Jezus, telkens weer: uit de diepte roep ik tot U, Heer. Heer, luister, Heer, geef me aandacht, Heer, luister, ik roep om genade. Maar nee blijft nee. God wil niet luisteren, geen genade geven.

De Psalm gaat door: Als U de zonden blijft gedenken, Heer, wie houdt dan stand? Maar bij U is vergeving, daarom eert men U met ontzag. Wie houdt dan stand? Jezus werd overvallen door doodsangst. Zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond. Maar nee blijft nee. Bij God is vergeving, maar niet voor Jezus. Hij ziet zichzelf verdwijnen in de dood. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de Heer op hem neerkomen. God blijft nu de zonden gedenken. Hij behandelt Jezus als dader, volstrekt als dader. Ontsnappen is niet meer mogelijk. Doodsangst is wat overblijft. Jezus die zich identificeerde met ons allen, de koning van zijn volk, de koning van alle mensen, wordt nu vastgespijkerd op ons verleden. En er is geen vergeving.

Ik zie uit naar de HEER, mijn ziel ziet uit naar hem en verlangt naar zijn woord. Mijn ziel verlangt naar de Heer, meer dan wachters naar de morgen, meer dan wachters uitzien naar de morgen. Niemand heeft dat ooit met dieper verlangen kunnen zingen dan Jezus. Zijn hele leven was op God, zijn Vader, gericht. Al als 12-jarig jongetje bleef hij achter in de tempel: hier ben ik thuis. Met heel zijn hart verlangt hij naar God, helemaal, met huid en haar, hart en ziel, is hij gewijd aan God. Geconcentreerd in een paar worden komt dit diepste verlangen dan aan het woord in één van zijn laatste gebeden: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Maar Jezus kon verlangen wat hij wilde, alles werd toch donker en stil, uren lang. God zwijgt en zelfs op zijn laatste vraag: mijn God, waarom? komt geen antwoord. Alsof God wil duidelijk maken: je zegt wel dat je verlangt naar mij, maar ik geloof je niet. Je kunt aankloppen wat je wilt, maar ik doen niet open.

Pas als op Paasmorgen alles nieuw geworden is, is er ruimte voor de laatste verzen van Psalm 130 in Jezus’ mond. Er is hoop voor Israël, voor alle mensen, omdat er een nieuw verbond is gekomen in Jezus’ bloed. Er is vergeving voor Israël, voor alle mensen omdat de schuld geboet is, helemaal. Er is bevrijding en leven voor Israël, voor alle mensen, omdat Jezus tot zonde gemaakt is en er voor ons onderdoor gegaan is. Hij heeft zich totaal met zijn volk, met ons, geïdentificeerd, en hij geeft zijn leven en sterven voor ons, nu aan ons. Jij bent veel dieper geliefd dan je je kunt voorstellen, zegt Jezus zelf tegen jou. Genade, vergeving, bevrijding, opnieuw kunnen beginnen geef ik je, de spijkers waarmee jij op je verleden gespijkerd zit zijn door mij losgetrokken en weggegooid. Je mag léven, vrij ademhalen, wat je ook gedaan hebt en of je daar nu van onder de indruk bent of niet. Je hoeft niet eerst schuldgevoel of schuldbesef te hebben voor je dit geschenk krijgt. Je krijgt het zonder meer. Dat gaat als evangelie, als blijde boodschap rond over de wereld nu. In Jezus vraagt God aan ieder mens: láát je met mij verzoenen. Laat alsjeblieft een keer echt van je houden.

Besef van die genade is dus altijd eerst. Pas dat geeft gezond schuldbesef. Als God zelf in Jezus zoveel voor je overheeft ben jij in ieder geval de moeite waard. Liever dan jou af te schrijven als een verloren mens komt God zelf in Jezus jou opzoeken omdat hij je verloren is, kwijt. Liever dan te zeggen: nou ja, je bedoelde het niet zo kwaad, je was slachtoffer, je had zoveel verzachtende omstandigheden, neemt hij je echt serieus: wat deed je? jij deed het toch? was het echt per ongeluk? wat is jouw geheim? vertel. Bekijk jezelf maar eens echt als dader. Jij bent verantwoordelijk. Wat zie je dan? Nee, ik ben er zelf al aan kapot gegaan in Jezus, jij hoeft dat niet meer. Maar neem jezelf wel eens echt serieus.

Als je dan nog eens naar Psalm 130 kijkt zie je tussen de regels door allerlei vragen opduiken. Vragen die je serieus nemen, serieuzer dan wij onszelf vaak nemen. Vragen die door je pantser en je verontschuldigingen heen dringen. Hoe meer je merkt dat je meer geliefd bent dan je ooit gedacht hebt, des te meer ontdek je dan dat je er veel slechter aan toe bent dan je denkt.

Dit is een pelgrimslied. Het is bedoeld om te zingen op weg naar God zelf. Hij is dezelfde God die eens aan Mozes voorbij ging op de berg Sinaï: Hij is Jahwe de Heer, de God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar de schuldige zeker niet voor onschuldig houdt en het onrecht van de ouders zo serieus neemt dat hij bij hun kinderen en kleinkinderen kijkt of ze het niet ook doen. Als ik mij identificeer met Jezus zie ik in hem hoe God de schuldige zeker niet voor onschuldig houdt. Zijn liefde is niet lievig, hij houdt me verantwoordelijk, hij eert me als zijn schepping door me serieus te nemen.

Zingen op weg naar deze God zelf. Maar wil ik dat echt wel? Wil ik deze God echt onder ogen komen? Hij is goed, totaal goed. Kwaad is het omgekeerde zijn wat Hij is. Kwaad is als ik niet liefdevol ben, niet genadig naar m’n medemensen, ontrouw en oneerlijk, onoprecht, als mijn liefde geen uithoudingsvermogen heeft. Kwaad is als ik slechtheid en onrecht niet serieus neemt en er een of andere zogenaamde mantel der liefde overheen leg. God kan dat niet. Liever dan het kwaad ongestraft te laten heeft Hij het zelf op zich genomen in Jezus, zijn Zoon. Maar daar wordt het niet minder erg van. Je kunt het niet zomaar vergeten, niet doen alsof het er niet geweest is, als je Hem onder ogen komt. God heeft het allemaal in Jezus weggedragen, weg, de dood in, verder dan oost van west. Maar het was jouw leven, jouw kwaad, jouw daden. Deze God zien, zien in Jezus’ uitgeputte lichaam en gebroken ogen, blijft echt even slikken, om het niet sterker te zeggen.

Het leert me opnieuw roepen tot God, roepen om genade, om vergeving, geen smoezen verzinnen bij iets wat ik niet erg vind maar wel erg is, niet oppervlakkig over alles heen leven, maar mezelf serieus nemen. Wil ik dat echt wel? Of denk ik liever dat het toch vanzelfsprekend is dat God naar me luistert als ik vraag om genade, om vergeving. Het is mijn leven, mijn kwaad, ik ben dader, verantwoordelijk, ook voor dingen die ik klein en onbetekenend vind. Dan is niets vanzelfsprekend. Als God je toch hoort, als hij je toch genadig wil zijn, als bij de Heer vergeving is, ook voor jou, dan is dat echt alleen maar omdat Hij Jezus niet gehoord heeft, hem in jouw plaats als volstrekte dader heeft genomen. Als God aan onze daden zou blijven denken, wie kan dan overeind blijven? Denk nog maar even aan Jezus, die er aan onderdoor gegaan is. Dan begrijp je des te meer dat de dichter van deze psalm al zegt: omdat bij U vergeving is, daarom eert men U met ontzag. Hoe groot is de God die jou wil horen en genadig zijn, totaal niet vanzelfsprekend.

De Psalm zingt door: Ik zie uit naar de Heer, ik verlang naar Hem, meer dan naar wat ook. We zagen al hoe dat Jezus op het lijf geschreven was. Niemand heeft ooit zo naar God verlangd als hij. En voor je het weet wordt dat een vraag naar mijn hart, naar jouw hart. Hoe zit het bij mij? Verlang ik werkelijk naar God, zie ik uit naar wat Hij te zeggen heeft aan goede woorden? Verlang ik echt naar iemand die is zoals Hij: liefdevol en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, eerlijk over het kwaad? Wil ik echt van me laten houden, open en kwetsbaar, oprecht en eerlijk? En als dat niet zo is, of maar zo nu en dan zo, hoe ben ik er dan aan toe? Ja, dat is zo erg als die laatste vraag van Jezus: mijn God, mijn God, waarom? Ja, hij is door God verlaten opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden. Bij Jezus bleef Gods deur dicht, hoe hij ook verlangde, alleen maar daarom geldt voor ons dat wie klopt zal worden opengedaan, hoe vaak we ook niet verlangen, hoe vaak we ook weg dwalen en weer terugkomen. Maar nooit kan dat dan meer een vanzelfsprekende en te verwachten zaak zijn. Er staat altijd weer een kruis gegrift in Gods deur.

Maar jij moet komen. God wil verlangen in jouw hart laten groeien, maar hij schakelt je niet uit, maar juist in. Hij wil niet dat we op de vlucht slaan voor Hem omdat Hij ons zal verpletteren als de daders die we zijn. Hij wil niet dat we ons als slachtoffers aanstellen, niet dat we onze eigen verantwoordelijkheid afschuiven. Hij wil juist dat je komt. Dat je weer thuis komt. Jezus heeft de tafel al gedekt. Jij mag er vol verwondering plaats nemen. Verwondering over zijn genade in Jezus, zijn leven voor ons leven. Verwondering over zijn vergeving voor ons, daders, in zoveel opzichten schuldige mensen. En toch, altijd weer: en toch, zijn goedheid is altijd weer veel groter dan onze slechtheid. We mogen léven, echt en vrij. Daarom verdient hij geëerd te worden met ontzag. Hoe groot is Hij, allerhoogste Heer, die zijn Zoon gaf als hoop voor de volken, voor mij, voor jou. Laten we bidden.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 27 juni 2010
Amsteram-C, 4 september 2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *