Over avondmaal en kerkrecht

Pro Ministerio 44 (2015) 2,5-9

De kern van het evangelie is dat ons iets overkomt. In het duister van kwaad en sterven gaat de zon van Gods genade over ons op. Vanouds wordt dat in de kerk elke zondagmorgen, elk ‘klein Pasen’, gevierd. We laten alles achter en gaan even een uur in de zon zitten, troostend en warmend, verhelderend en kleurrijk. Wat ons overkomt is veel groter dan we kunnen uitspreken.

De kern van de viering is dan ook niet wat we zeggen, maar de uitvoering van het evangelie in het ontvangen en delen van brood en beker. In lijfelijk pictogram voeren we ons geliefd zijn door Jezus op, tenslotte zonder te overzien wat we doen en wat ons overkomt. Zo constitueert zich de kerk, als gemeenschap aan het heilige, als communie, als eucharistie, als lichaam van Christus. In de kerk ben je altijd eerst geliefde. Het lichaam van Christus is de bruid van het Lam.

In dezelfde beweging constitueert zich ook kerkrecht. Geliefde van Christus, in hem kind van God en met zijn Geest begaafd zijn is een status. Wie jou niet als zodanig behandelt doet je onrecht aan. En ja: wie zich niet als zodanig gedraagt veroordeelt zichzelf. Maar laten we het nu maar bij dat passieve houden. Tenslotte is dat de bron ook van alle activiteit. Mensen zijn waardevol niet omdat ze iets kunnen, maar omdat ze geliefden zijn. Als zodanig serieus genomen worden vormt de diepste laag van alle vormen van kerkrecht (en sowieso van recht).

En dat is lang niet alles. Dat iemand van je houdt moet je gezegd worden en aan je gedaan worden. Je kunt om vergeving vragen, maar het jezelf niet geven. Verzoening krijg je als brood en beker van een ander. Iedere kerkdienst en zeker iedere avondmaalsviering veronderstelt iemand |6| die ‘in Christus’ naam’ kan optreden. Dat is de laatste kern van iedere vorm van ‘ambt’ in de kerk. En zoals altijd en overal bij het optreden namens iemand anders, kun je ook dat jezelf niet geven. Je moet ertoe geroepen en gemachtigd worden. Wil die roeping en machtiging ook de lading hebben van een ‘in Christus’ naam’ veronderstelt dat een roeping en machtiging door voorgangers die eerder zo geroepen en gemachtigd zijn, van generatie op generatie terug tot op de eerste geroepenen en gemachtigden, de apostelen. Dat is de logica van wat de apostolische successie heet. In de een of andere vorm heeft de grote kerk die logica altijd gevolgd. Maar ook waar dat niet gebeurt kent de in de eucharistie geconstitueerde kerk altijd een vorm van vertegenwoordiging van de Heer zelf. Als het evangelie iets biedt wat ons overkomt kunnen we het ons zelf niet geven.

Tegelijk blijkt in elke viering van de maaltijd van de Heer dat we het evangelie niet op ons zelf, voor onszelf, individueel ontvangen. Rond de tafel of in de (lopende) kring constitueert zich Christus’ lichaam. Wie het brood eet wórdt in dat eten waar het brood voor staat. Deze zussen en broers zijn ons in ieder geval gegeven |7| door Jezus als mede-geliefden. Aan de gemeenschap aan het heilige ontspringt, telkens weer in een nieuw verzoend begin, de gemeenschap der heiligen. Die gemeenschap is effect, wordt opgeroepen, gevormd en geleid door wat ons in het evangelie gezamenlijk overkomt, concreet in brood en beker. Ze is dus secundair, niet dat waar het in kerk en kerkrecht allemaal om draait, maar tegelijk noodzakelijk: onontwijkbaar gegeven in dezelfde beweging als we Jezus zelf ontvangen — en even noodzakelijk concreet: deze mensen. Wie het avondmaal gebruikt ter bevestiging van het eigen geloof heeft het lichaam van Christus niet onderscheiden. De plek die je in de zon van Gods genade aangewezen krijgt is je plek in een gelokaliseerde gemeente van mede-geliefden.

Maar juist bij het avondmaal kan het daar niet bij blijven. Het brood staat voor Jezus, voor heel zijn lichaam. Dat ontvangen en je eigen maken betekent jezelf ontdekken als lichaamsdeel in dat geheel. De tafel is verbonden met al die andere tafels, de kring is eindeloos uitbreidbaar in ruimte en tijd. In elke avondmaalsviering leren we rekenen met de tafel van Een, bij wie delen vermenigvuldigen is. Niemand die ‘in Christus is’ mag van die tafel worden afgehouden of geweigerd in de kring. Het is Christus’ kring, zijn lichaam, niet het onze. Rond en vanuit de gemeenschap aan het heilige strekt de gemeenschap der heiligen zich in steeds wijder kringen uit, in ruimte en tijd, ongehinderd door de dood. Je plek in de zon van Gods genade is een plek in zijn schepping, die leeft en beweegt.

Kerkrecht doordenkt deze communie-structuur van de kerk en wijst er de rechts-implicaties van aan. Dezelfde verhoudingen die in een gemeente rond brood en beker ontstaan, keren terug in de verhoudingen tussen gemeentes en groepen gemeentes: wederkerige zorg, aandacht, hulp, toezicht, correctie, gesprek, gezamenlijke dankzegging en lofverheffing. Op de een of andere manier vraagt de gave van en de roeping om één te zijn (eenheid) met iedereen wie dan ook (katholiciteit) die zich door Christus laat liefhebben (heiligheid) in zijn eens gebrachte offer in kruis en opstanding (apostoliciteit) altijd om concrete historische en dus ook rechtelijke vormgeving. Juist vanuit de avondmaalsviering waarin we het ene lichaam van Christus eten heeft elke gemeente zich onontwijkbaar te verhouden tot de ene kerk. Kerkrecht is oecumenisch kerkrecht of het is geen kerk-recht.

 

Deze paar schetslijnen doen in feite niet veel meer dan implicaties uitwerken van wat we in de kerk doen, centraal in de avondmaalsviering. Ik heb juist deze gekozen in aansluiting aan hoe in het grootste deel van de kerk en de kerkgeschiedenis gedacht en geleefd is. De kerk is vanouds getypeerd als communio sanctorum. Ik heb daarbij gebruik gemaakt van de dubbelzinnigheid van die woorden in het Latijn, zoals die ooit door Werner Elert is uitgewerkt en inmiddels tot oecumenische consensus is geworden: aan de gemeenschap aan de heilige dingen (sanctorum) ontspringt de gemeenschap der heiligen (sanctorum).

Ondanks de overname van de oudkerkelijke belijdenissen is die visie in de Reformatie op de achtergrond geraakt. Ze is niet verdwenen, maar er is als het ware een laag overheen gelegd. Wat nu dominant werd was een visie op de kerk als vergadering der gelovigen (congregatio fidelium, zie zo ongeveer alle gereformeerde belijdenissen). In de situatie destijds van een vervallen kerk vol bij- en ongelovigen was dat een begrijpelijke keus. Maar het was een keus met gevolgen en opnieuw met implicaties. |8|

Het minste dat gezegd moet worden is dat in de overgang van communio sanctorum naar congregatio fidelium de accenten verschoven zijn. De christenen komen niet meer vooral in beeld naar hun passieve levensbron, als geheiligden, maar naar hun actieve levensuiting, als gelovigen. De gevolgen daarvan zouden minder ingrijpend zijn geweest als de zondagse viering verder intact gelaten zou zijn. Maar dat is niet zo: de kern van een reformatorische eredienst is de preek, niet het meestal afwezige avondmaal. Tussen de preek en het eventuele avondmaal dringt zich bovendien de discipline: alleen de in het leven bewezen gelovige krijgt toegang. De consequentie werd al snel getrokken door de remonstranten: het evangelie biedt niet zozeer iets wat ons overkomt, maar vooral iets waar ik voor kies. Tot op de evangelische dag van vandaag begeleidt deze consequentie de protestantse kerken. Het is dan ook niet meer en niet minder dan de consequentie van een liturgische praktijk: in de kerk word je opgeroepen voor Jezus te kiezen en bij gebleken keus mag je avondmaal vieren.

In die viering is het accent bijpassend komen te liggen op de activiteit van de gelovige. De uitdrukking van het ‘gebruiken’ van het avondmaal is veelzeggend hier. Wij gedenken, wij belijden, wij verheffen ons hart, wij geloven. Die activiteit selecteert uit. Het is niet meer het lichaam van Christus als zodanig dat zichtbaar wordt: alleen die leden van het lichaam die de specifiek bij deze groep horende geloofskeuze gemaakt hebben vormen de kring. Kinderen zijn kansloos hier. En dat hoort iets te zeggen in de sfeer van het koninkrijk van God. Ook hier kun je spreken van een extra laag, over het avondmaal heen. Terwijl de Heer zichzelf geeft in brood en beker worden de avondmaalsgangers opgeroepen het eigenlijke op een ander niveau te zoeken, in een gelovig contact met de Heer in de hemel. Het gedenken en verkondigen vindt niet meer plaats in het eten en drinken, maar in het hoofd, in het terug denken en vooruit verlangen. De extra laag is een geëxcarneerde, spiritualistische laag.

Binnen die laag is effectief geen ambt meer nodig. Er is hier niets wat de actieve gelovige niet zelf kan doen. Alleen het Woord vraagt nog om |9| dienaars en de nieuw ontstane gemeenschap vraagt om functionarissen op allerlei niveau. Maar net zo min als de Heer zich nog in brood en beker geeft, geeft hij zich in mensen. De Heer is in de hemel, hier op aarde is alles functioneel.

De gemeenschap die effectief gevormd wordt, is hier niet langer die van het lichaam van Christus, maar die van een oecumene van het hoofd (van de geloofsovertuiging in een dogmatische tijd) of een oecumene van het hart (van de geloofservaring in een belevingscultuur). Hoewel het ooit ging om hervorming van de kerk is er via het nieuwe accent op de kerk als vergadering der gelovigen in feite in de protestantse wereld nergens meer ontstaan dan een gezuiverd kerkje in de kerk. Wil je het zo positief mogelijk uitdrukken: protestantse kerken zijn in feite ordes geworden, groepen in de kerk met een eigen extra program. Dat soort ordes hebben alleen waarde in de kerk als ze dienstorganisaties aan het geheel zijn. Maar juist die stap is moeilijk. De oppervlakte-ervaring van een avondmaalsviering brengt je immers niet meer in contact met de universele kerk, maar hoogstens nog met een particuliere kerk, nationaal en/of denominationeel begrensd. De pijn van het gescheurd zijn van de kerk wordt vooral daar ervaren: we missen andere gereformeerden, maar niet meer al die andere christenen. Pas als we de overdekte diepere lagen zoeken kunnen we daar weer contact mee maken: neem, eet, dit is mijn lichaam…

Zoals overal volgt ook hier het kerkrecht de kerkelijke praktijk, doordenkt die, ordent die. In het spoor van de visie op de kerk als vergadering der gelovigen ontstaat ook in het kerkrecht een nieuwe, extra laag. Die kan, zoals bij de Lutherse kerken, eenvoudig aan de overheid overgelaten worden, of, zoals bij de gereformeerde kerken, zoveel mogelijk in eigen hand gehouden worden. Netto is het resultaat altijd een vorm van verenigingsrecht: het functioneren van deze groep christenen moet goed geregeld worden, intern en extern (naar de staat toe, in de samenleving). De horizon is nergens wijder dan die van de historisch ontwikkelde particuliere kerk. In structuren die verder reiken wordt nergens voorzien.

Ook hier overdekt deze verenigingsrechtelijke de dieper liggende kerk-rechtelijke laag. Er wordt doorgaans zelfs geen verbinding meer mee gelegd. We voelen ons vrij van alles te regelen over lidmaatschap van onze vereniging — maar van de kerk word je lid door de doop. We hebben het lef het merendeel van de christenen uit te sluiten van ‘onze’ avondmaalsviering — maar het brood maakt ons één met heel het lichaam van de Heer. We hebben lange regelingen over contacten met andere kerken — maar de Heer zelf geeft ons aan elkaar in zijn nieuwe mensheid. We trekken onze hele ambtelijke inrichting overhoop omdat we ons per se niet door een vrouw in de naam van Christus willen laten gezeggen —  maar ambten zijn geen functies: zonder zijn representanten vinden we de Heer nooit concreet, buiten ons hoofd. Kortom, we verbouwen het huis van onze vereniging naar wens — maar de kerk is niet ons huis.

Intussen komt iedere avondmaalsviering toch ook de communie weer aan het woord in de vergadering. In brood en beker geeft de Heer zelf zich aan ons — wat wij er ook bij zeggen. Zolang het evangelie iets biedt wat ons overkomt, kunnen we het onszelf niet geven. Dat hoeft ook niet. We mogen er de beker op heffen in de verwachting van telkens weer nieuw leven.

3 gedachten over “Over avondmaal en kerkrecht

  1. Dit is wat ik geloof, dankbaar voor deze heldere uiteenzetting!
    Ook brengt dit mij bij het volgende:
    Zowel Stefanus als ook Paulus wijzen ons er op dat de “Allerhoogste” niet in een huis met handen gemaakt woont! Dat zegt veel ook over ons omgaan met de avondmaalsvieringen. (zie Hand 7:48 en 17: 24.)

  2. Door veel kerken wordt formeel onderschreven wat in Zondag 28 van de Heidelbergse Catechismus wordt beleden, namelijk dat Christus aan alle gelovigen het bevel geeft om het Avondmaal tot zijn gedachtenis te vieren. Toch zijn er nog steeds kerken die er een eigen feestje van hebben gemaakt en andere gelovigen buitensluiten. Merkwaardig!

  3. Interessante gedachte, om op deze manier de essentie van genade en kerk-zijn weer centraal te stellen en opnieuw te doordenken. Als het Heilig Avondmaal iets is wat ons overkomt, met bovenstaande gevolgen voor de kerkelijke praktijk en het kerkelijke recht, geldt dat misschien ook wel voor de Heilige Doop. Zou dat dan kunnen betekenen dat het kind eerst gedoopt mag worden en dat de ouders pas daarna iets beloven….?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *