Juist als het om troost gaat wil God als een moeder voor ons zijn

Preek over Jesaja 66:12-14

orde morgendienst
welkom
zingen: Opwekking 505
zingen: Opwekking 518
stil gebed
votum en groet
zingen: Psalmen voor Nu 121
gebed
Schriftlezing Jesaja 66:5-24
preek over Jesaja 66:12-14
zingen: Opwekking 411
lezen Jesaja 55:1-13
zingen: Psalm 131
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Liedboek 257
zegen

Moederdag vandaag. Een goed idee geweest van de commercie om de dag op zondag te houden. Hebben we gelijk een goede aanleiding weer eens even erbij stil te staan dat de grote God van hemel en aarde zich niet alleen als onze Vader in de hemel aan ons presenteert, maar ook als moeder zich aan mensen geeft. De bekendste en meest directe uitspraken van de bijbel daarover hebben we net gelezen. Terwijl het volk Israël in ballingschap is zegt God zijn volk toe dat niet alleen Jeruzalem weer moederstad zal worden, maar dat hij hen zelf er op de heup binnen zal dragen, dat hij hen zal troosten zoals een moeder haar zoon troost. Straks zingen we Psalm 131. Hetzelfde accent: tot rust komen, getroost worden bij God als onze moeder.

Komt dus ook om een andere reden nog wel goed uit vanmorgen, dat accent. Het was de week van het gedenken van wat er op koninginnedag in Apeldoorn gebeurde. Mensen zoeken troost, bij elkaar, in de kerk, bij God. We maken rituelen, zoeken een plek voor verdriet en onbegrip, al was het maar een ‘waarom’ tussen de bloemen, een kaars in de kerk, stilte op straat. Troost. En dan wil God vanmorgen ons nog eens extra zeggen: zoals een moeder haar zoon troost, zo zal ik jullie troosten. Alsof hij wil zeggen: hierheen, hier is water, voor ieder die dorst heeft. Kom.

Laten we het maar even wat uitwerken vanmorgen. Tenslotte is het best opvallend. Juist als het om troost gaat wil God als een moeder voor ons zijn.

Juist als het om troost gaat, zeg ik. Want dat is toch wel het opvallende in Jesaja 66: als het om troost gaat verschijnt de Here God als moeder, maar als het om straf gaat verschijnt de Here God als soldaat, als mannelijke strijder die een slachting aanricht onder zijn vijanden. Als je dit hele gedeelte van Jesaja 66 wat op je in laat werken, dan is het net alsof de Here God van buiten mannelijk en van binnen vrouwelijk is. Wie op een afstand van God blijft staan, tegen hem opkomt, die ontmoet een keiharde mannelijkheid, die er niet voor terugdeinst om de lijken van zijn tegenstanders voor eeuwig op het slagveld te laten liggen. Maar wie dichtbij God wil zijn, wie naar hem toe vlucht, die vindt bij diezelfde God zachte vrouwelijkheid: rust en troost als bij een moeder.

Het is heel belangrijk dat we ons dat realiseren, in verband met waar Jesaja het in zijn laatste hoofdstuk over heeft. Er staat in de bijbel tegenwoordig boven het hele hoofdstuk: het oordeel van de Heer. Laten we zeggen: het laatste oordeel. En dat is waar, maar het is ook niet waar. Zoals wel vaker bij de profeten van het oude testament lopen de beelden door elkaar heen bij Jesaja. Aan de ene kant gaat het duidelijk over het eindgericht, het laatste oordeel, de jongste dag: te vuur en te zwaard zal de Heer gericht oefenen over al wat leeft. Het zal verpletterend en definitief zijn, shock and awe voor alle slechte mensen. Wie het kwaad liefheeft zal worden opgeruimd en iedereen zal Gods heerlijkheid zien. Aan de andere kant gaat het ook over de tijd vóór het eindgericht, over wat het nieuwe testament noemt: de laatste dagen, over de tijd om alle volken en talen te vergaderen, over ónze tijd dus, de tijd waarin het evangelie uitgaat over de wereld. En in de derde plaats gaat het heel duidelijk over de terugkeer van allerlei Israëlieten uit de verstrooiing van de ballingschap.

Die drie dingen lopen in het spreken van Jesaja door elkaar heen, vloeien in elkaar over. Het gaat meer om een proces dan om een gebeurtenis, lijkt het wel. Maar bij alle drie geldt dat: zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten, ja in Jeruzalem zult u getroost worden, zegt de Here.

En ik denk, dat wij ons dat heel goed moeten realiseren. Want als het om het laatste oordeel gaat, het eindgericht, wat voor beeld van God hoort daar dan bij voor ons? Is dat niet toch vaak vooral het beeld van de sterke, strenge Rechter, de Koning die oordeelt, eerlijk en onpartijdig, maar ook direct en hard? Nee, dat beeld is niet verkeerd, ook in Jesaja hier is het aanwezig. Maar het is van het eerste belang voor onze eigen manier van omgaan met God, dat we ons realiseren dat het niet het complete beeld van God is. Dat is het niet, punt. Nee, er is meer. Bij het laatste oordeel hoort ook heel direct dat beeld van God als moeder, heel dichtbij, zo dichtbij dat zij eigenhandig de tranen van onze ogen kan afwissen.

De jongste dag is niet maar de dag van de grote troon op afstand, waar een hoog en machtig Heer zit, die rechtspreekt over levenden en doden; het is niet maar de dag van de heer die afrekening houdt, de dag van de grote executie of van de grote vrijspraak – toch, op afstand. De jongste dag is ook de dag waarop God zijn kinderen als een moeder in de armen neemt, op schoot zet, heel dichtbij, en al hun verlangens en verdriet, gemis en pijn heel, heel serieus neemt. Heel dichtbij. God stuurt niet een engel of zo om onze tranen te drogen. Er staat in Openbaring 21: God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, eigenhandig. Je zou bijna zeggen: onze hemelse Moeder, toch?

Is het niet zo, dat we dan pas echt naar de jongste dag, naar de komst van Gods koninkrijk, verlangen kunnen, als we God ons zó voor ogen stellen? Vrijspraak, opluchting, bevrijding, vrede, het is allemaal zo mooi. Maar het is toch pas af, als we ook mogen uitzien naar troost, naar een echte plek voor ons verdriet en ons verlangen. Het is toch nog niet af, als we alleen maar bevrijd worden van alles wat ons neerdrukt en dan weer rechtop, zelf, op onze eigen benen worden gezet. Het is pas af als we Gods armen om ons heen voelen, als we ons helemaal veilig mogen weten bij Hem, getroost, tot rust gebracht, heel dichtbij.

Heel dichtbij. En dat is maar niet iets wat ons nog eens, in een duister verschiet, te wachten staat. Ik zei net, bij Jesaja lopen de dingen door elkaar. Dit gaat ook over de terugkeer uit de verstrooiing van het volk Israël. Daarin wil de Here God ervaren worden als een God van heel dichtbij. De mensen die komen, uit verre landen, thuis komen in Jeruzalem, terug komen in het beloofde land, ze komen gedragen door de Here God zelf. En zoals de Here zich hier laat zien moeten we ons dat niet maar voorstellen zoals een vader zijn kind draagt: op de schouders, op de sterke schouders en met stevige pas. Dat is ook een bijbels beeld. Maar hier gaat het nog om iets anders: stel het je maar voor zoals een moeder haar kind draagt: op de heup, met één arm er om heen, lekker dichtbij: tegelijk vol van troost en van vrede.

Dat is ook voor ons zelf iets om te bedenken, in ons eigen leven. Want als wij zelf het er over hebben, dat God ons draagt, dat God ons in ons leven gedragen heeft, waar denken wij dan aan? Wat is dan het beeld dat ons voor ogen staat? Is dat niet toch telkens weer, eigenlijk heel eenzijdig, het beeld van de vader die zijn kinderen draagt? Ik heb het gevoel dat als wij zeggen: God heeft me gedragen toen ik ziek was, toen ik depressief was, toen ik het moeilijk had, toen ik eenzaam was, – dat we dan vooral bedoelen: God heeft me kracht gegeven, God heeft me geholpen om het vol te houden.

Ja, en hoe belangrijk is dat niet. Gelukkig ben je als je dat kunt zeggen. Toch is het ook iets om bij op te letten. Want het hangt zo hinderlijk in de lucht tegenwoordig: mensen moeten sterk zijn, grote jongens, grote meisjes huilen niet. En hoe makkelijk gaat: God heeft me gedragen, niet betekenen: God heeft me geholpen om sterk te zijn. Sterk, terwijl het diep in ons huilde. Denk dan vooral nog eens aan Jesaja hier. God heeft me gedragen als een moeder: God heeft me troost gegeven, heeft me laten uit-huilen en heeft me er zó doorheen geholpen. Ik denk, pas als je dat ook kunt zeggen, echt zeggen, dan ben je pas echt gelukkig. Juist als het om troost gaat wil God als een moeder voor ons zijn: dichtbij, ja intiem.

Intiem, intimiteit. Intimiteit en God. Kan dat voor ons besef? Ik wees er net op dat één van de dingen die uit Jesaja duidelijk worden is, dat hij het hier mede over onze eigen tijd heeft, de tijd van het evangelie dat rondgaat en de volken verzamelt. En daarin tekent Jesaja de Here God als machtig en als Heer over de volken, ja, maar ook als nabij, als zorgzaam, ja intiem als een moeder. En ik ben wel eens bang dat dit laatste veel te weinig voor ons leeft.

Beelden zijn machtig, zo machtig. Als gereformeerden hebben we allemaal onze wortels in een traditie waarin heel sterk Gods soevereiniteit op de voorgrond staat. God is Koning. Om zijn eer draait alles. Hij is machtig, Hij bepaalt alles. Ja, maar is Hij een God om je veilig bij te voelen? Is Hij een God om intiem mee te zijn? Of is Hij daar veel te verheven voor? Te afstandelijk?

Jesaja zegt het ook voor onze tijd, de tijd waarin het evangelie uitgaat, als een boodschap van vrede, stromen van vrede: zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten: als een kind aan de borst, als een kind op schoot, intiem. Hoe wij er ook over denken, kennelijk wil Gód heel intiem met ons omgaan, vandaag al.

En dat doet mij denken aan een andere plaats in de bijbel, in het nieuwe testament: aan het gedeelte uit 1 Korintiërs dat wij gelezen hebben. Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben, dát heeft God ons geopenbaard door de Geest. Paulus heeft het daar over het diepe wonder van de liefde van God in Christus voor ons, dat wonder dat wij niet bevatten kunnen. Het leeft in de diepten van Gods hart. En niemand vogelt dat uit, dat diepste wat in God leeft, niemand perst God zijn liefdesverklaring af, niemand weet dat, behalve Gods eigen Geest. En Hij heeft het ons geopenbaard: wij hebben de Geest uit God ontvangen, heel intiem, in ons eigen hart, opdat wij zouden wéten wat ons door God in genade geschonken is.

Er zindert hier een ongelooflijke intimiteit door Paulus’ woorden, een intimiteit die nog verre die van een moeder en haar kind te boven gaat. God geeft ons deel aan zijn eigen liefde voor ons door zijn Geest. Hij laat die ons ervaren in ons eigen hart, zoals eens iemand heeft gezegd: dichterbij ons dan wij zelf bij ons zelf zijn. De zin van Christus in ons leven. Wie kent de gedachten van de Heer, dat hij Hem zou voorlichten? Maar wij kennen de gedachten van Christus, heel intiem, in ons zelf, in onze mond en in ons hart. De onvoorstelbare troost van het kruis, God geeft die ons te proeven, door zijn Geest. God wíl heel intiem met ons omgaan, vandaag al.

Broeders en zusters, laten we dat leren van Jesaja: God is geen man. God is geen vrouw. Maar juist als het om troost gaat wil Hij als een moeder voor ons zijn, dichtbij, ja heel intiem. Laten we het diep tot ons door laten dringen dat ook dat beeld bij God hoort, heel diep bij God hóórt, het beeld van een moeder, een moeder die troost.

Want beelden zijn machtig, heel machtig. Ze vragen er om, om ons leven te bepalen. Let u er maar op: hoe mannelijker uw beeld van God is, hoe verhevener, des te moeilijker is het om u zelf echt heel dicht bij God te weten en te voelen. Dan mag Jesaja een bevrijding voor ons zijn: besef het maar: zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten, zegt de Here.

Maar ook in de onderlinge omgang werken deze beelden door. Let u er maar op: hoe mannelijker ons beeld van God is, hoe verhevener, des te moeilijker is het om ons niet te laten beheersen door hoe het moet, door gelijk hebben, door sterk zijn tegenover elkaar, door onszelf groot houden voor elkaar. Dat zit allemaal toch al zo in de lucht. Maar als God een God is die troost als een moeder, zou Hij dát dan ook niet van ons verwachten? Zou Hij zó niet willen dat wij met elkaar omgaan, als mensen met woorden van troost en bemoediging, ja als mensen met méér dan wóórden van troost en bemoediging: ook met een arm om de schouder, mensen bij wie je kunt uithuilen en tot rust komen? Ja, zo zal het zijn. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 10 mei 2009

eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 31 augustus 1997
Rotterdam-C, 31 augustus 1997
Driebergen-Rijsenburg, 25 januari 1998
Haarlem, 22 februari 1998
Leiden, 15 maart 1998
Amersfoort-N, 27 september 1998

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *