Jezus is de enige die blijft staan

Preek over Openbaring 1:17-18

orde morgendienst
votum en groet
zingen: Psalm 125,1.2
gebod
zingen: Psalm 125,3.4
gebed
Schriftlezing Openbaring 1:4-20
preek over Openbaring 1:17-18
zingen: Psalm 80,1.2.10
gebed
inzameling gaven
zingen: Liedboek 357
avondmaalsviering (formulier I)
zingen na opwekking: Liedboek 360,1
tafel 1 zingen: Liedboek 360,2
tafel 2 zingen: Liedboek 360,3
zingen: Liedboek 448
zegen

Kunnen we het ons voorstellen, dat Johannes als dood voor de voeten van zijn Heer viel? Een Koning, zo blinkend, zo stralend, zo alles doordringend en verzengend, een Rechter, zo overweldigend, zo alles doorziend, zo alles uit elkaar leggend en aan het licht brengend. Kijken in de Zon van zuivere liefde, wie houdt zichzelf dan overeind? Raken aan de hartstocht van Koning Jezus zelf, wie blijft dan staande? Deze overweldigende majesteit haalt de laatste restjes vanzelfsprekendheid en zelfhandhaving uit ons leven, of we hebben niets gezien, ziende blind.

Dit is de Koning die gezegd heeft: neem, deel dit brood, het is mijn lichaam. En die gezegd heeft: laat die beker rond gaan, het is het nieuwe verbond in mijn bloed.

En over brood en beker kijkt Hij ons aan, en zijn ogen zijn als een vlammend vuur. Ze doordringen alles, zien alles, weten alles, leggen alles open in mijn hart, in uw hart, in jouw hart. En ik voel het al aankomen: zijn oordeel is waar, is eerlijk, is splijtend, is pijnlijk, is bevrijdend. Zijn woorden gaan doordringen tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken. Hij gaat de opvattingen en gedachten van mijn hart ontleden. Niets blijft voor Hem verborgen, alles is volkomen zichtbaar voor de ogen van Hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen. Hoe meer ik Hem zie, des te meer komt boven dat dit geen kleine operatie wordt, waarbij Hij wat littekenweefsel uit mijn hart gaat snijden, wat haat hier, wat hardheid daar, wat gekwetstheid verderop en dan geneest het wel weer. Die rottigheid zit overal. Het moet een harttransplantatie worden. Niets laat Hij over van waar ik me aan vasthoud. Ik val en Hij is de enige die blijft staan.

Dit is de Koning die gezegd heeft: neem, deel dit brood, het is mijn lichaam. En die gezegd heeft: laat die beker rond gaan, het is het nieuwe verbond in mijn bloed.

Over brood en beker kijkt Hij ons aan, Hij weet alles, alles. Wat we gedacht hebben, wat we gevoeld hebben, wat we gedaan hebben, wat in ons rondgespookt heeft, wat in ons leven huis gehouden heeft, wat we aangericht hebben, ook waar we zelf niet meer dan een vermoeden van hebben (of misschien zelfs dat niet). Alles, alles. Hij kent onze oordelen, onze reacties, onze reactie-patronen, ons gelijk en ons zogenaamde gelijk. Alles, alles. Hoe meer ik Hem zie, des te meer zet Hij me stil: nee, jongen, jij hoort hier niet te staan, en daar niet te staan straks. Jij ligt midden in de dood. Hoe meer ik Hem zie, des te meer besef ik hoe waar dat is. Het vlammende licht van zijn zuivere liefde brengt alles aan het licht, alles. En ik heb geen poot meer om op te staan, ik wil het niet eens meer. Laat Hem de enige zijn die blijft staan. —

Dit is de Koning die gezegd heeft: neem, deel dit brood, het is mijn lichaam. En die gezegd heeft: laat die beker rond gaan, het is het nieuwe verbond in mijn bloed.

Over brood en beker buigt Hij zich naar ons toe en legt zijn rechterhand op ons: Wees niet bang. Ik ben de eerste en de laatste. Ik ben degene die leeft; Ik was dood, maar Ik leef, nu en tot in eeuwigheid. Ik heb de sleutels van de dood, waar jij in ligt, en van het dodenrijk, waar je eigenlijk thuis hoort. En als Ik open, wie zal dan sluiten? Als Ik je bevrijd, wie zal je dan weer in de boeien slaan?

Kennelijk is deze Rechter gekomen om het verlorene te zoeken en te redden. Maar wat is de logica van die liefde? Wat is de reden? Waarom wil deze Zonnekoning mij, ons? Waarom wil Hij in mijn leven alles laten rijmen op volkomen verzoening van al onze zonden? Ik weet het echt niet. Ik kan alleen maar iets stamelen als: Aan Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden bevrijd heeft door zijn bloed, die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader — aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid. Dat is zeker.

Want dit is de Koning die gezegd heeft: neem, deel dit brood, het is mijn lichaam. En die gezegd heeft: laat die beker rond gaan, het is het nieuwe verbond in mijn bloed. Èn die gezegd heeft: wees niet bang. Ik geloof dat. En ik geloof dat ik het daarom toch durf. Hier, daar straks. Op zijn rekening en verantwoording, niet op de mijne. Neem, eet, gedenk, geloof. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 22 januari 2006

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *