Een eenvoudige weldaad

Preek over Marcus 14:1-11

orde morgendienst
welkom
zingen: Opwekking 462
zingen: NGK 155,3-5
stil gebed
votum en groet
zingen: Liedboek 328,1.3
gebed
Schriftlezing Jesaja 52:13-53:12
preek over Marcus 14:1-11
zingen: Liedboek 178,1-4
Schriftlezing Matteüs 25:31-36
zingen: YfC 87/E&R 263
gebed
mededelingen
inzameling gaven
zingen: Opwekking 430
zegen

Buiten en binnen en binnen en buiten. Daar moesten we vanmorgen maar eens even naar kijken. Want het is een kunstwerk, expres gemaakt, een drieluik van Marcus, om zo te zeggen: een smal paneel links (buiten), een groot paneel in het midden (binnen) en weer een smal paneel rechts (binnen en buiten). Marcus heeft ze naast elkaar gezet aan het begin van zijn vertelling over Jezus’ lijden en sterven. Als je het geheel overziet ontstaat er een merkwaardige spanning. Kijk maar.

Links buiten zie je de hogepriesters en schriftgeleerden staan. Ze praten druk met elkaar. Het is over twee dagen Pesach. Hoe moet het nu met die Jezus? Lang geleden al hadden ze besloten hem uit de weg te ruimen, maar, als het even kon wel met een normaal proces. Tot twee dagen voor het Pesach hebben ze dat geprobeerd. Telkens weer hadden ze Jezus vragen gesteld, laten stellen, strikvragen, dat hij maar iets zou zeggen waar ze hem op konden pakken. Maar het was niet gelukt. En nu was de tijd voorbij om hem nog voor de feestweek te berechten èn te executeren. Een openbaar proces tijdens de feestweek van Pesach lijkt hen niets: hoe hou je al dat volk in de hand dat dan uit het hele land Jeruzalem bevolkt? Straks kiezen ze nog partij voor Jezus. En nu staan daar die hogepriesters en schriftgeleerden. Ze overleggen intensief hoe ze Jezus nog door een list in handen zouden kunnen krijgen en doden. Al hun haat concentreren ze nu op een list, een plan om toch nog . . . Dit linkerpaneel van Marcus’ drieluik straalt gevaar uit, moordzucht, niet openlijk, maar achterbaks, listig, en daarom des te gevaarlijker.

Rechts buiten zien we weer de hogepriesters, en nog iemand. Ze zijn blij. Dit is goed nieuws: iemand uit de twaalf, uit de inner circle rond Jezus, wil hen helpen. Dan lukt het misschien toch nog om Jezus te pakken te nemen, zonder dat die twaalf mannen zo’n hoop weerstand bieden en herrie schoppen dat heel Jeruzalem zich ermee komt bemoeien. Dit gaat lukken. Het wachten is alleen nog maar op de goede gelegenheid. De val staat open, in stille dreiging. Het rechterpaneel van Marcus’ drieluik tekent de dreiging van het verraad, het verraad van één van de twaalf, van iemand die je binnen zou verwachten, maar die buiten staat.

In het middenpaneel zet Marcus nu een schildering van wat er een paar dagen eerder (zes dagen voor het Pascha, zegt Johannes) gebeurde in Betanië. Het is in eerste instantie een tekening van een maaltijd. Jezus, de man om wie het allemaal gaat, geniet van een maaltijd in het huis van ene Simon, die aan huidvraat geleden heeft. En de combinatie van deze drie beelden roept meteen spanning op: heeft Jezus dan niet in de gaten wat er buiten allemaal beraamd wordt? Voelt hij de spanning niet nu het net zich rond hem sluit? Ja, is er eigenlijk wel íemand binnen, die oplet, die de voetstappen buiten hoort?

Ja, er is iemand. Een vrouw komt dichterbij. Ze heeft een albasten flesje bij zich met dure zalfolie, een heel dure parfum die gemaakt wordt van de bladeren van een plantje dat in India groeit. Ze breekt de hals van het flesje en giet de parfum uit over Jezus. Niet maar druppeltje voor druppeltje maar van top tot teen wordt hij gezalfd. Johannes vertelt dat je door het hele huis de geur kon ruiken. Een vreemd gebeuren. Wie doet dat nou? Van een dure geur hoef je toch maar weinig te gebruiken? Wat is dit voor verspilling? Zo kun je het net zo goed direct weg laten lopen. Hé, waar ben jij mee bezig? Moet je nou kijken, voor een vermogen, gewoon, in één keer, hup, weg. Ben je nu helemaal betoeterd? Een jaarsalaris! Hoeveel mensen had je daar wel niet mee kunnen helpen? Je hoort de mensen in beweging komen en verontwaardigd kijken naar wat hier gebeurt.

Maar midden in het tumult klinkt de stem van Jezus: Laat haar met rust. Waarom vallen jullie haar lastig? Zij heeft iets goeds voor me gedaan. Zij heeft precies gedaan wat ze te doen had — waarom hebben jullie dat eigenlijk niet gedaan? — beseffen jullie dan niet wat er gebeuren gaat? Armen heb je altijd in de buurt, maar ik ben straks weg. Ik ben straks dood. Voor je het weet. En zij heeft van te voren mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.

Ineens staat het gevaar van het linker-paneel en de dreiging van het rechter-paneel midden in dat grote midden-doek. Mij hebben jullie niet altijd. Ik ga dood en de laatste eer is mij net al bewezen. — Niemand reageert meer. Zo hadden ze niet gekeken, daarnet. Ze dachten, ja, zoveel parfum voor een levende, dat is verspilling, dat slaat nergens op. Maar zoveel parfum voor lijkverzorging, ja, dat is kostbaar, dan ben je bij de rijken in je dood, maar het kan. Zo hadden ze niet gekeken, wat Jezus zelf ook gezegd had de afgelopen tijd, en wat ze ook gehoord en gezien hadden van de vijandschap van hogepriesters en schriftgeleerden. Zo wilden ze trouwens niet kijken ook. Jezus moest leven, en koning worden, en regeren en de wereld weer in orde maken. Dat had God toch beloofd? Bij Jezus moet het leven goed zijn. Wat heeft hij het dan toch steeds over lijden en sterven en kruis en zo? Hadden wij hem ook moeten zalven, meehelpen hem te balsemen? Als laatste eer, als teken van respect, als vooruitgrijpen op waar straks geen gelegenheid meer voor zal zijn? Het zal toch wel niet. Wat Jezus ook zei, ze luisterden er niet werkelijk naar.

Niemand luistert werkelijk naar Jezus, niemand neemt hem serieus, niemand heeft werkelijk respect voor hem, dan die ene vrouw. Jezus weet wat er gebeuren gaat. Hij gaat sterven. En hij schrikt er niet voor terug. Hij gaat bewust zijn lijden binnen. Hij heeft het er vaak genoeg over gehad. En ook deze vrouw lijkt te weten wat er gebeuren gaat. Ze zalft Jezus alsof ze zijn dode lichaam balsemt, overvloedig als om de lijklucht te verdrijven. Of ze het wist door intuïtie of anders, daar hoor je Marcus niet over. Johannes vertelt dat deze vrouw Maria was, de zus van Lazarus en Martha, iemand ook met allerlei contacten in de leidende kringen in Jeruzalem. Ze zou er ook best gewoon van gehoord kunnen hebben, van alle plannen die gemaakt werden. Het kan net zo goed haar eigen inschatting geweest zijn: hier gaat Jezus niet meer uitkomen. Hoe dan ook, ze wist het: Hij gaat sterven. En ze neemt de kans om hem bij voorbaat de laatste eer te bewijzen. In Jeruzalem zal ze het niet kunnen doen. Dan nu maar.

Daar ligt iets heel primairs in de handelingen van deze vrouw. Hoe dan ook, ze weet dat Jezus sterven gaat. Er is nergens enig teken dat ze begreep waarom, dat ze kon volgen waar Jezus aan bezig was, dat zij al zijn woorden aanvaardde en geloofde, al die woorden waar niemand nog vat op had kunnen krijgen, over lijden en sterven en opstaan. Maar zij reageert daar anders op dan de mensen om haar heen. Onder de leerlingen lijkt de reactie vooral die van ontkenning te zijn. Ze zien Jezus als een levende, en laten de gedachte eenvoudig niet toe dat hij binnen een paar dagen gestorven zou kunnen zijn. Het onbegrip blokkeert hen. Omdat ze Jezus’ woorden niet kunnen rijmen met het beeld dat ze van hem hebben, luisteren ze maar helemaal niet meer. Deze vrouw richt zich juist des te meer op Jezus. Ook al begrijpt ze er niets van, dit begrijpt ze wel: dat Jezus sterven gaat. En zij houdt van Jezus. En dat vertaalt ze heel direct in een handeling van respect en liefde.

En daarvan zegt Jezus, dat zij gedaan heeft wat zij kon, beter: wat zij te doen had. Vanaf dit moment gaat Jezus de sfeer van de dood binnen. Dat schetst Marcus in zijn drieluik. Het verraad van Judas levert hem straks uit aan de overpriesters en de list van de overpriesters levert hem straks uit aan de Romeinen om gekruisigd te worden. En midden tussen die twee panelen in toont Marcus ons Jezus, die weet wat er komt, die weet wat er om hem heen gebeurt, en die weloverwogen de sfeer van de dood binnen treedt. Niemand begrijpt hem, niemand kan hem volgen. Maar de een duwt iedere gedachte aan wat komen kan weg, behandelt Jezus als altijd, en rekent er op dat Jezus ook nu wel zeggen zal: verkoop alles maar wat je hebt, en deel het uit aan de armen. Deze vorst hoort toch naar de armen, die roepen in hun nood? En de ander laat de vragen de vragen en reageert op wat er komen gaat: Jezus gaat sterven. Haar bijdrage aan zijn begrafenis wordt door Jezus gewaardeerd als een weldaad, als de goede daad die paste op dit moment. Zij heeft tenminste afscheid van hem genomen. De anderen laten hem straks in de steek, verloochenen hem, verraden hem.

 

Met dit drieluik opent Marcus zijn vertelling over het lijden en sterven van Jezus. Hij doet het expres, zoals gezegd. Hij plaatst deze drie scènes bij elkaar, als een drieluik. En je zou kunnen zeggen: drie, vier keer start hier een rode draad, die telkens weer terug komt in het vervolg. De list van de overpriesters en de schriftgeleerden komt aan het licht in de gevangenneming, in de overlevering aan Pilatus, aan de Romeinen, in zijn kruisdood (en niet de dood door steniging die eigenlijk op godslastering stond). Het verraad van Judas, het komt terug in de gevangenneming zelf natuurlijk, maar ook in het onbegrip, het in de steek laten, het verloochenen, het verdwijnen van de andere discipelen. Als het lijden komt, stort hun wereld in, zo diep, dat ze de eerste berichten van Pasen niet eens geloven. De eerste ontmoeting die Jezus weer met zijn leerlingen heeft, verwijt Hij hun hun ongeloof en hardheid van hart. Daar is reden voor in al het voorgaande, vanaf dit moment hier, dit drieluik van Marcus.

En ook dat derde paneel start een rode draad, ja eigenlijk twee. De tweede is die van Jezus welbewuste zelfovergave. De eerste hier is de lijn van de vrouwen. Als alle leerlingen verdwijnen zijn daar de vrouwen. Hier deze vrouw, straks in hoofdstuk 15 de vrouwen bij het kruis, de vrouwen bij de begrafenis, en in hoofdstuk 16 de vrouwen op Pasen. Als ze weer komen, nu om Jezus zijn echte balseming te geven, komen ze te laat. Hij leeft. Ze zijn er, ergens steeds zoals deze vrouw hier: niet omdat ze alles zoveel beter begrijpen of meer gelovig zijn, maar omdat ze eenvoudig er willen zijn, primair, wat er ook gebeurt, bij Jezus, omdat ze hem willen eren, al begrijpen ze niet.

En dat heeft kennelijk grote waarde voor Jezus. Hij verzekert tenminste dat waar het Evangelie komen zal ter herinnering aan haar ook verteld zal worden over wat zij heeft gedaan. En dat lijkt me precies dit punt te raken. Zij heeft gedaan wat zij te doen had en van te voren mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis. Dat is dit: ook al begreep ze niet waar het allemaal goed voor was en geloofde ze niet waar het allemaal uit zou komen, ze wist dat Jezus sterven zou en dat ze afscheid van hem nemen wilde, hem eren wilde met de laatste eer, omdat ze van hem hield. Haar liefde kristalliseerde uit in een eenvoudige weldaad.

We stuiten hier op iets dat nog vóór geloof en aanvaarding ligt, en wat, denk ik, ook altijd in geloof en aanvaarding verborgen blijft. Dat indrukwekkende directe hier van een eenvoudige weldaad uit liefde, ondanks alles. Al begrijp je niets van de weg die Jezus hier gaat, toch is het Jezus, en wil je hem eren, tenminste afscheid van hem nemen. En Jezus zelf zet dáár een hele dikke streep onder: dit is goed. Dit zal verteld worden. Als het over mij gaat zal het ook over haar gaan.

En ik denk dan maar door: waar zou dat terug kunnen komen, bij ons, tweeduizend jaar later? Een eenvoudige weldaad, nog van vóór geloof en begrijpen en aanvaarden, die Jezus mooi vindt en goed. Misschien wel in iets als: al begrijp je niets van de weg die Jezus met jou in je leven gaat, toch is het Jezus, en wil je hem eren, hem volgen, hem vasthouden. Misschien in iets als: ook al is het een chaos in mijn hoofd, mijn geliefde ziek, mijn kind ongelukkig, mijn baan op de tocht, en ben ik moe, zo moe, toch ga ik bidden en zeggen: Heer, u bent groot en goed. Misschien wel in iets als: ik weet het allemaal niet meer, wat ik als christen kan verwachten, waar God is, hoe ik hem ervaren kan, maar ik ga toch daar helpen, hem verzorgen, haar opzoeken. Als je leven onder druk staat val je terug op intuïtie, op het meest basale. Voor deze vrouw hier in Marcus was dat meest basale kennelijk Jezus zelf. En Jezus zegt: Amen, dank je wel.

Maar misschien komt dit verhaal bij ons wel terug als vraag, als contrast. Haast vanzelf kom ik dan terug bij Jezus’ lijden, bij Golgota, bij Goede Vrijdag straks. Wat begrijpen wij daar nu uiteindelijk van? En als wij er zomaar van uitgaan dat Jezus toch wel zal opstaan, dat het hem allemaal niets kost, dat hij toch onkwetsbaar is als de Zoon, dat het allemaal zo moest, natuurlijk — zijn we dan niet zomaar dit heel primaire uit het oog verloren? Dit onvoorstelbare: Jezus, de Zoon, toch gestorven, begraven, neergedaald in het dodenrijk? En het is Jezus, en hij houdt van ons en wij houden van hem. Doet ons zijn lijden dan nog zeer, zoals het hier deze vrouw kennelijk zeer deed, zo zeer dat zij eigenhandig afscheid van Jezus wilde nemen? Ik vraag het maar. Het is tenslotte lijdenstijd. En onze Heer zelf leert ons haar herinneren, deze vrouw, om wat zij gedaan heeft. Zij hield van haar Heer. En wij? Haar gedenken leert ons ‘Heer, ontferm U’ zeggen. En zingen. Om de zalving door een vrouw, vreugde-olie, geur van rouw, teken van wat komen zou, Kyrie eleison. Heer, ontferm U. Amen.

gehouden in: Amsterdam-ZW, 25 maart 2012
in een eerdere versie gehouden in: Loenen-Abcoude, 16 april 2000

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *