De groeten en de zegen

Preek over 2 Korintiërs 13:12-13

orde morgendienst
votum en groet
zingen: Liedboek 78
gebod
zingen: Psalm 128
Schriftlezing Lucas 24:44-53
zingen: NGK 64
preek over 2 Korintiërs 13:12-13
zingen: Psalm 67
gebed
inzameling gaven
zingen: NGK 110
zegen

Aan het eind van zijn evangelie vertelt Lucas ons, dat de Here Jezus, toen Hij naar de hemel ging, zijn leerlingen zegende. Dat leek me een goede aanleiding om op deze zondag eens wat met elkaar door te praten over zegen en zegenen. Daar gaan christenen nog best verschillend mee om. Mensen die hun kinderen zegenen, of hun nieuwe huis, iemand die een ander, misschien jou wel, wil zegenen of dat zelfs gewoon doet. Het zijn dingen die we niet gewend zijn en die vanuit allerlei evangelische groepen op ons afkomen. Voor m’n Christelijke Gereformeerde collega Mulder uit Goes reden genoeg om er een hoofdstukje aan te wijden in het boek Meer dan genoeg. Voor mij reden om er vandaag maar eens een preek aan te wijden: over zegen en zegenen.

En laten we dan maar bij de Here Jezus beginnen. Hij zegent zijn leerlingen als Hij naar de hemel gaat. Wat betekent dat? Wat doet Hij dan? Nou ja, die leerlingen worden er op uit gestuurd. Ze moeten in Jezus’ naam verkondigen en zijn getuigen zijn. Daarbij worden ze gezegend. En dat houdt in ieder geval twee dingen in. Het eerste staat even eerder: Jezus doet de belofte van zijn Vader op hen komen, Hij geeft hen zijn Heilige Geest en zo geeft Hij hen kracht uit de hoge. Wat ze moeten gaan doen zullen ze kunnen doen omdat Jezus hun zo de kracht ervoor geeft. Het tweede zit hier in Lucas een beetje verstopt. Er staat, dat Jezus zijn handen omhoog hief en hen zegende. Dat gebaar zegt ook iets. Als de oudtestamentische priesters het volk zegenden in de naam van de Here hieven zij ook de handen, de vingers gespreid. Dat was een teken dat zij de naam van God op het volk legden. Met hun vingers maakten ze het teken van de eerste letter van het woord naam. Dat betekende: de Here wil er bij zijn, met jullie mee gaan. Hier betekent het ongetwijfeld wat Matteüs met zoveel woorden zegt: let op, Ik ben met jullie, alle dagen tot aan het einde van de tijden.

Daarmee begint dus het zegenen in de kerk van Christus: met Jezus die met zijn leerlingen is en hun de kracht geeft die ze nodig hebben. Kennelijk voelden de discipelen zich ook gezegende mensen, want ze waren blij en gelukkig en prezen God in de tempel. In de kerk is intussen die zegen doorgegeven en wordt ze nog steeds doorgegeven. Iedere kerkdienst eindigt al sinds mensenheugenis met een zegen. En ook al zijn mensen Jezus niet, nog steeds gaat het bij die zegen om hetzelfde als hier: dat God, dat Jezus met ons wil zijn en ons de kracht geven die we nodig hebben om een leven te leiden dat voor Hem en voor ons de moeite waard is. Laten we het maar bedenken: wij geloven in een God die zegent en die zegenen wil, een goede God, die geeft en geven wil. En God dus van wie we goede dingen verwachten kunnen.

Eén van de twee formuleringen die we intussen voor de zegen in de kerk voor gebruiken staat in de laatste zin van de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs. Die heb ik vanmorgen maar als tekst gekozen. Maar ik ben expres iets eerder begonnen: ook vers 12, over die groeten. Expres, want zo valt even op dat die woorden, die in de kerk altijd los op zichzelf klinken, niet los en op zichzelf staan. Voor ons zijn ze bijzonder geworden. Wij zullen er niet snel een brief mee besluiten en als iemand op reis gaat zullen we niet snel tegen haar zeggen: jo, de genade van onze Heer, Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met je.

Dan is het goed om te beginnen met te bedenken dat in 2 Korintiërs deze woorden zo bijzonder nog niet zijn, en dat ze ook niet zo bedoeld zijn. Paulus doet de groeten van de broeders en zusters bij hem, de heiligen. En hij roept de Korintiërs op ook elkaar te groeten als broeders en zusters, met de heilige kus. Daarmee liet je destijds zien dat je een ander door Jezus als broer of zus tegemoet trad. Wij kennen die vorm niet meer zo, maar het was destijds gewoon. Het zijn hier dan ook gewone groeten. En net zo gewoon is Paulus zegen. Hij was dat gewend zo, in allerlei formuleringen. Je kunt er al zijn brieven op nalezen. Het was gewoon zijn groet, de bede bij zijn afscheid.

Zoiets zou dus voor ons ook best eens wat gewoner mogen wezen, lijkt me. We reserveren de zegen veel te veel voor in de kerk en voor dominees en andere deftige lieden. Daar geeft het nieuwe testament echt geen aanleiding toe. En ook het oude testament niet, trouwens. De grote zegenformule (De Here zegene u en behoede u enz.) moesten de priesters gebruiken, en die werd, ook door zijn uitvoerigheid, niet door anderen gebruikt, maar ‘de Here zegene u’ was een gewone groet, het zegenen van kinderen door ouders was een gewone praktijk, en zo verder. In de bijbel is elkaar zegenen vooral heel gewoon, een brede praktijk. Als we dus mensen tegenkomen voor wie het ook vanzelf spreekt dat je elkaar Gods zegen wenst, die hun kinderen zegenen of die jou zegenen, dan is daar om te beginnen niets mis mee. We doen er verstandig aan eerst maar eens van ze te leren.

Intussen heeft een zegen in de bijbel wel altijd een bepaalde vorm, een structuur. Als mensen een zegen uitspreken staat die altijd in de zogenaamde aanvoegende wijs: de Here zegene, moge de Here zegenen, ik wens, ik bid dat de Here zegent. Daarom is dit laatste vers van 2 Korintiërs ook zo vertaald: zij met u allen, en niet is met u allen. Eigenlijk staat er alleen: met u allen. Het wordt als bede weergegeven omdat alle zegen in de bijbel die vorm heeft. En dat is niet voor niets.

In het algemeen is zegenen leven in bloei zetten, terwijl het omgekeerde, vloeken, leven laten verdorren betekent. Een gezegend mens is een mens wiens leven bloeit, tot zijn recht komt, echt leven is. Dat geven kan alleen God zelf. Hij is de bron van alle leven. Alleen waar Hij erbij is en zijn levenskracht geeft kan er sprake zijn van zegen. Het begin van alle zegen is altijd dat God zegt: Ik zal met je zijn. Als mensen nu zegenen moeten ze dat goed beseffen. Wij kunnen over God niet beschikken en kunnen zijn leven niet uitdelen of doorgeven. Wij kunnen hoogstens bidden dat God er voor iemand wil zijn en zijn of haar leven in bloei zetten.

Zo doet Paulus dat hier ook. Hij bidt de Korintiërs de genade van Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest toe. In die drievoudige nabijheid van God wordt een mensenleven de moeite waard om te leiden. Gedragen door de genade en de vergeving van Jezus, gevormd door de liefde van God en bezield door de gemeenschap van de Geest, dan wordt leven boeiend, veelkleurig, de moeite waard. Paulus zet zijn lezers in zijn hart heel dicht bij de levende God, verbindt in die zegenbede als het ware de Korintiërs met God drieënig. Als ze in die verbinding leven zal het ze echt goed gaan, zal hun leven opbloeien, wat ook verder hun omstandigheden zijn.

Over God valt niet te beschikken. Hij is een persoon, Hij leeft zelf. Geen mens kan van een ander mens zeggen: God zegent jou, laat staan iets als: ik zegen jou met dit of dat. Dat is een teken dat je God niet kent en geen besef hebt van wie de Levende werkelijk is. Maar God valt wel te bidden, te vragen. Je kunt mensen wel met Hem in verband brengen. Er valt altijd te zeggen: de Here zegene jou, Hij geve jou dit of dat wat jij nodig hebt. Dat nooit doen is ergens ook een teken van geen besef van God hebben, geen besef juist van hoe goed God is en hoe Hij voor ons zorgen wil.

Het is met zegenen ergens net als met heel veel dingen tussen mensen, mensen die ook personen zijn. Stel, je hebt een vriend die geen werk heeft. En je kent ook iemand, een belangrijk iemand, die een bedrijf heeft. Zeggen God zegent jou komt dan neer op iets als zeggen: hij geeft je wel werk. Maar ja, mag die ander dat nog zelf uitmaken? En helemaal, zeggen: ik zegen jou met iets, komt dan neer op iets zeggen als: ik geef jou werk, terwijl jij daar niets over te zeggen hebt. Maar zeggen: God zegene jou, komt in dit beeld neer op die ander erbij roepen en zeggen: ik zou wensen dat u hem werk geeft; u hebt plek en u kunt het.

Iemand zegenen betekent heel bewust God erbij betrekken en zeggen: ik zou willen dat U hem of haar dit geeft; U kunt het, U bent de bron van het leven, en U wilt het toch ook, bent U niet de zegenende God? Dat is ook wat Paulus hier doet. Hij zet zijn Korintiërs en God in zijn hart heel dicht bij elkaar, brengt ze met elkaar in contact, en vraagt voor ze: genade, liefde, gemeenschap, de belangrijkste dingen die God geven kan en mensen uit zijn hand kunnen ontvangen. Of dat ook gaat ‘klikken’ is niet aan Paulus. God zou niet kunnen willen geven en mensen zouden niet kunnen willen ontvangen. Maar in Paulus’ hart staan de levende God en zijn Korintiërs bij elkaar. En hij verwacht iets van de God die zegenend naar de hemel ging.

En dan kom ik weer terug bij dat gewone: dat was voor Paulus kennelijk heel vanzelfsprekend. Mensen met wie hij iets heeft brengt hij in verband met God. De God, met wie hij alles heeft, brengt hij in verband met mensen. Paulus leefde dicht bij God, bij de God die genade geeft, en liefde en gemeenschap. Hij was een knecht van Jezus, diezelfde Jezus die zegenend naar de hemel was gegaan. Hij kende de goedheid van God en wist hoe intensief God betrokken is op het leven van mensen. En juist daarom is er telkens weer die zegenbede in zijn leven: met plechtige woorden als hij afscheid neemt of aan het eind van een brief, maar desnoods ook zonder die: de genade zij met je, houd goede moed, God geve u, naar de kracht die Hij heeft… Telkens weer noemt Paulus God erbij, en Jezus, en zijn Geest. God en mensen zet hij bij elkaar en in zijn zegenbeden zie je hoe werkelijk dat voor hem is.

Als dat voor ons moeilijk is, als wij het maar vreemd vinden om tegen een ander te zeggen: de Here zegene jou, of: God zij met jou, Hij mag je bewaren, of: ik bid dat God jou de kracht geeft om te doen waar je zo tegen opziet, dan is dat een teken van armoede, van dat God en ons leven en het leven van de mensen om ons heen uit elkaar gevallen zijn. God heeft zijn wereld, vooral in de kerk, en wij hebben onze wereld, en die raken elkaar hoogstens zo nu en dan. Intussen is het zo niet. God gaat met ons mee ons leven door, met genade, met liefde, met bezieling. Maar willen we dat ervaren, dan moeten we het ook noemen, dan moeten we God ook ter sprake brengen. Zo werkt dat bij mensen. Als we zeggen: nou jo, het beste, of: kom op, sterkte ermee, dan voelt dat heel anders dan dat we zeggen: ga met God, of: ik zal bidden dat God je helpt hier uit te komen.

Nou ja, laten we ons eigen leven hier maar eens tegenaan houden. Paulus doet niet zo moeilijk. Hij groet met God, hij zegent, hij betrekt God op mensen en mensen op God. We zouden er best eens wat aan kunnen hebben om ook niet zo moeilijk te doen. Word je leven met God en mensen prettiger van, persoonlijker ook. Allicht merk je er dan ook wat meer van dat het de in genade van Jezus Christus is, en in de liefde van God, en in de gemeenschap van de Heilige Geest, dat de levende God zelf met ons wil gaan. Lijkt me de moeite waard. Amen.

gehouden in: Loenen-Abcoude, 23 mei 2004
Mijdrecht, 24 april 2005

gelezen in: Amersfoort-C, 5 augustus 2007

 

(extra) punten voor handout

– Zegenen is leven in bloei zetten, vloeken is leven laten verdorren.

– Alleen God zelf, als de bron van het leven, kan werkelijk zegenen (en vloeken).

– Omdat God zelf de bron van het leven is, is de belangrijkste inhoud van elke zegen altijd Gods aanwezigheid en nabijheid (Ik zal met u zijn).

– Sinds het leven van Jezus is het Jezus die Gods leven uitdeelt door de Heilige Geest (zie, Ik ben met jullie; jullie zullen kracht ontvangen).

– Wanneer we als mensen iemand zegenen bidden we eigenlijk dat God er voor iemand wil zijn en zijn of haar leven in bloei wil zetten.

– Zeggen: de Here zegent jou…, en helemaal: ik zegen jou met… is ongepast en een teken van onvoldoende besef van God.

– Ieder christen kan iemand zegenen, dat is niet aan ambtsdragers voorbehouden.

– Elkaar en anderen zegenen helpt om je leven en dat van anderen dicht bij God te leiden.

– We gebruiken als gereformeerden veel te weinig wat er in onze traditie en cultuur al aan zegen-formules ligt (ga met God, adieu, Gods zegen gewenst, ik zal voor je bidden, God geve …).

– Het is goed als mensen verlangen naar vormen waarin God en geloof ervaren kunnen worden; de zegenbede (ook met handoplegging) kan daarbij goed dienst doen.

– Een gezegend mens is niet iemand die succes heeft, maar iemand die een leven leidt dat de moeite waard is om te leven.

– Zo’n leven wordt gedragen door de genade van Jezus Christus, gevormd door de liefde van God en bezield door de gemeenschap van de Heilige Geest.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *