Kerstavond 2009

Meditatie over Jesaja 2:2-5

Verlangen naar diepe vrede

Je hoeft de muziek niet mooi te vinden en ook geen fan van Michael Jackson te zijn om toch even stil te worden bij deze clip [van Heal the World]. Ik denk niet dat hier iemand is die er niet naar verlangt dat zoiets echt zou gebeuren. Beelden en woorden raken aan de diepste laag in ons hart: laat het eens echt diep vrede zijn. Vrede waarin geen kinderen meer verwaarloosd worden, waarin geen oorlog meer gevoerd wordt en mensen wreed gedood worden. Vrede waarin we blij kunnen zijn, kunnen dansen en zingen. Nooit meer op je hoede zijn, al je pantsers en maskers af kunnen leggen, vrijuit kunnen leven en ademhalen. Er geen rekening meer mee hoeven te houden dat anderen toch altijd eerst zullen gaan voor hun eigen belang en misschien wel over jou heen zullen lopen op hun eigen weg. Wapens weg kunnen gooien, nooit meer nodig.

Laat het vanavond maar even de avond van dat verlangen zijn. We staan er niet alleen mee op aarde. Over de hele wereld zijn mensen bij elkaar in hetzelfde verlangen. En over de hele wereld ook zoeken mensen er vanavond contact over met God zelf. We zingen ervan en bidden ervoor. En we mogen het merken en horen: ook de levende God zelf deelt dit diepe verlangen van mensen, al heel lang. Luister maar naar de stem van een oude profeet. Jesaja sprak al honderden jaren vóór Christus namens zijn God de volgende woorden:

2 Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de HEER rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen,
3 machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.’
Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.
4 Hij zal rechtspreken tussen de volken,
over machtige naties een oordeel vellen.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
geen mens zal meer weten wat oorlog is.
5 Nakomelingen van Jakob, kom mee,
laten wij leven in het licht van de HEER.

Dat zijn woorden die verlangen wekken en verlangen wakker houden. Tot en met in de clip en de tekst van Michael Jackson komen ze terug. Terecht. Ze weerspiegelen het diepe verlangen van de grote God van hemel en aarde. Terecht dus ook als we vanavond met heel dat verlangen van ons naar echte, diepe vrede in de kerk zijn en naar deze God toegaan en het met hem delen.

Nog meer terecht zelfs dan in de tijd van Jesaja, vijfhonderd-nog-wat jaar vóór Christus. Want we vieren met Kerst dat God het maar niet bij woorden die verlangen wekken heeft gelaten. Hij is zelf op aarde gekomen, in de persoon van Jezus. In hem is heel dat diepe verlangen van God en mensen vlees en bloed geworden. Verlangen is één ding, er echt iets aan doen is wat anders. Deze Kerstdagen vieren we dat God er in ieder geval zelf iets aan is komen doen. Hij heeft niet maar een plekje in zijn hart gemaakt voor anderen en een bijdrage geleverd. Hij heeft laten zien dat heel zijn hart verlangt naar echte vrede op aarde. Hij is bereid om in de Zoon van zijn hart, de geliefde, zelf te komen, zelf zich te geven om weer vrede te stichten en alles recht te zetten. Hij is begonnen met rechtspreken en recht zetten, met goed maken en heel maken. Een mensenleven lang op aarde heeft hij gewijd aan genezen, goed doen, heel maken, vergeven, recht spreken en recht zetten. Wie niemand zag staan zocht hij op, wie niemand zag liggen liet hij weer lopen en dansen. En dat was nog maar het begin. Hij zal het eens helemaal voltooien.

Dat zorgt ervoor dat we naar zo’n clip kunnen kijken zonder alleen maar het gevoel over te houden van: was het maar waar… Michael Jackson’s nummer Heal the World is een kaskraker geweest, maar de wereld is er nog steeds niet beter van geworden. Zelfs heel in het groot, als het gaat om het belang van ons allemaal op aarde, zijn de wereldleiders afgelopen weken niet in staat geweest een echt akkoord over het klimaat te bereiken. Niet alleen president Obama vindt dat we daar terecht teleurgesteld over zijn. Het kleine kortzichtige eigenbelang blijkt toch weer de dienst uit te maken. En we weten dat er veel mensen door zullen lijden en sterven. We kunnen kennelijk als mensen onder elkaar verlangen wat we willen, we krijgen het niet voor elkaar. Over onze eigen schaduw kunnen we niet heen springen.

Echte hoop dat ons verlangen eens werkelijk wordt vervuld is er alleen als God zelf optreedt als koning, rechtspreekt over de volken en mensen gaan leven in het licht van de Heer dat over hen is opgegaan. Een plekje voor anderen in ons hart maken is mooi en goed, maar kennelijk niet genoeg. Er gebeurt pas echt iets als God zelf mensen helemaal van binnenuit verandert en nieuw maakt, nieuw van hart en ziel en lijf en leden. Daar is hij mee begonnen in Jezus Christus, onze Heer. Dus hopen we opnieuw en vertrouwen we op hem. We mogen leven in zijn Geest en er al iets van merken, in liefde en vrede. Elk begin van echte vrede hier is een teken dat hij die vrede eens volmaakt wil geven. Dan zal geen mens meer weten wat oorlog is, of ruzie, of verwaarlozing, of haat, of eenzaamheid, of …

Laten wij daarom vanavond ons verlangen naar vrede, in het groot op aarde en in het klein in ons eigen leven, vooral delen met God, in Jezus Christus. We zingen zo verder voor hem als het licht van de wereld zelf en knielen al zingend voor hem neer. Denk dan allemaal vooral aan je eigen verlangen naar vrede. Wat leeft er in je hart, waar je zo graag rust van zou krijgen, klein of groot, dat maakt niet uit. Iedereen heeft een kaarsje gevonden op zijn of haar stoel. Als we straks Komt allen tezamen zingen, kom dan vooral naar voren, steek je lichtje aan aan deze grote kaars, denk erbij aan jouw eigen verlangen, en zet het neer op deze tafel als teken dat je wat in je hart leeft wilt delen met God, met Jezus. Hij is er al mee aan het werk. Daarom kunnen we vrolijk zingen en vanavond toch al in vrede naar huis gaan. Ere zij God en vrede op aarde, voor mensen en dieren en dingen, ook voor jou.

Laten we zingen en na afloop het glas heffen. Dankzij Jezus.

gehouden in de Tituskapel, Amsterdam, 24 december 2009

Kerstavond 2008

Meditatie over Jesaja 11:1-10

Het is een mooi beeld, nietwaar, zo’n boomstronk die weer tot leven komt. Als de dood over je leven getrokken is en het bos waar je in woonde heeft omgehakt, als de bomen van de welvaartsgroei die tot in de hemel leken te groeien achter elkaar omvallen, als er een leger, brandschattend en plunderend door je land getrokken is, als je bang en verdrietig zit te wezen bij wat zo mooi had kunnen zijn in je leven — wat is het dan een verrassing als zo’n trieste boomstronk weer uitbot, als een nieuwe stam zijn weg naar de hemel zoekt uit de oude wortels, als dood niet dood blijkt te zijn, maar er nieuw leven opduikt. Een teken van hoop, sterker nog: een teken van hoop vlakbij. Midden in de ellende verschijnt iets, iemand die je hoop geeft, naast je. Lees verder

Kerstavond 2007

Meditatie over Filippenzen 2:3-11

Hemelse Helper

Er was eens, heel lang geleden, een klein dorpje. Zo’n veertig huizen hurkten samen langs een klein riviertje. De mensen waren er heel gewoon. Ze waren niet bijzonder goed en ook niet bijzonder slecht. Echt heel gewoon. De meeste boeren deden het met één koe, een paar geiten, wat kippen en een stukje grond. Ze hadden het niet erg breed. Maar wat zou dat, als je te eten en te drinken hebt, een dak boven je hoofd en wat aanspraak in het dorpshuis. Eigenlijk waren de mensen best tevreden.

Op een dag kwam een eenzame ruiter het dorpje binnen. Hij kwam van ver, dat was wel duidelijk. En hij was belangrijk ook. Zulke kleren droegen ze hier in de buurt niet. Tevreden als de mensen waren gaven ze hem een warm onthaal in het dorpshuis. ’s Avonds dromde het hele dorp samen om de vreemdeling te zien. Zelfs de jongens en meisjes die anders al lang in bed lagen hadden een plekje weten te vinden waar ze toch nog iets van de man konden zien. Hij zat aan tafel met de twee belangrijkste boeren van het dorp en de smid, de enige van het dorp die iets meer geleerd had dan lezen en rekenen. Ze praatten over de lange reis die de man gemaakt had, de gevaren, de ontberingen.

Toen de maaltijd afgelopen was, stond de man op, en liep naar zijn bagage. Hij haalde er een groot opgevouwen papier uit. Er viel een diepe stilte in de grote kamer. ‘Beste mensen’, zei de man, ‘ik ben van ver gekomen, uit de grote stad, waar de koningin woont die koningin is ook over jullie dorp. Zij laat jullie zeggen dat zij in jullie dorp op bezoek wil komen. Dat staat in deze brief.’ Hij vouwde het papier open. Prachtige grote letters. Glanzende lakstempels. Echt een brief van een koningin. Een geweldig geroezemoes ging door de kamer. Dat was me nog eens wat! Tot diep in de nacht groepten de dorpelingen samen in en rond het huis, om te praten, met elkaar en met de bode uit de koningsstad.

De volgende dag was iedereen al vroeg uit de veren. De mensen gingen niet alleen aan hun gewone werk, nee, overal in het dorp zag je ze bezig met opruimen en opknappen. De grote rotte schuur van boer Durk van onder den dijk, die al jaren op instorten stond, werd nu zelfs helemaal afgebroken en vervangen door een spiksplinternieuwe. ‘Altijd al gedacht dat-ie veel meer geld had, dan wij mochten weten’, zeiden een paar buurvrouwen tegen elkaar. Maar dat hoorde niemand. Iedereen was veel te druk. Ze hadden nauwelijks tijd om de eenzame ruiter uit te zwaaien, toen hij ’s middags weer weg ging.

Maar de volgende dagen gebeurde er verder niets bijzonders. Drie weken na de eenzame ruiter kwam gewoon de marskramer door het dorp, met zijn spulletjes. De mensen vroegen hem honderduit. Of hij ook de koningin gezien had. Of hij ook iets gehoord had van haar bezoek. Maar de man keek hen vreemd aan. De koningin? Welnee. Die woonde wel een paar weken lopen hier vandaan. Bovendien, in die stad kwam hij nooit. Teleurgesteld deden de dorpelingen hun gewone aankopen.

De zomer kwam en de zomer ging. De oogst werd binnengehaald. Vier varkens werden geslacht, zoals altijd in het late najaar. ’s Avonds bij het vuur hadden ze het nog wel eens over die eenzame ruiter. Hij was toch echt geweest. Ze hadden het niet gedroomd. De brief met de letters en de lakstempels lag nog in het dorpshuis. Maar de koningin, die had nog niemand gezien.

Het was intussen winter geworden. Koud en nat. De beesten waren binnen, en de boeren werkten thuis. Het was weer druk in het dorpshuis, ’s avonds. Het bier was er beter dan thuis, en zo spreek je nog eens iemand ook. En zo kwam het dat driekwart van de dorpelingen getuige was, toen op een rustige avond in december een vrouw het dorpshuis binnenkwam. Het was een heel gewone vrouw, met net zulke kleren als de andere vrouwen die er zaten te praten en er wat borduurwerk of verstelwerk zaten te doen. Rustig liep ze door de kamer en ging zitten op de enige vrije plaats, naast kromme Ietje. Die zat eigenlijk altijd alleen. D’r was iets met kromme Ietje. Die had vroeger iets gehad met verschillende boerenzonen uit het dorp. Twee hadden er een ongeluk gekregen. ‘Het boze oog’, was er toen gefluisterd.

Het duurde even voor het werkelijk tot de mensen doordrong dat er een vreemdelinge binnengekomen was. Toen schoven een paar mensen aan. ‘Hallo, wie ben jij?’ – ‘Ik ben Eva.’ – ‘Waar kom je vandaan?’ – ‘Ach, van ver. Ik dacht zo, laat ik in dit dorp eens overnachten. Dat kan vast wel. Het is hier zo gezellig.’ De mensen keken elkaar eens aan. En keken nog eens naar Eva. Een heel gewone vrouw. Een beetje minnetjes zelfs. Wel vriendelijk. Maar wat deed een vrouw alleen zo langs de weg? En wat zat ze te praten met kromme Ietje? Die twee leken het wel goed te kunnen vinden. Ze stelde goede vragen, Eva, direct en open. Een paar mensen gingen die avond wat vroeger weg. Zij vonden dat maar niks. Een paar anderen werden het er intussen over eens dat die vreemde vrouw maar bij Durk van onder den dijk moest slapen, in de schuur. Daar had-ie toch ruimte zat. En zo gebeurde het.

De volgende morgen liep Eva door het dorp. Keek hier eens rond. Keek daar eens binnen. Overal probeerde ze een praatje te maken. De kinderen konden het best met haar vinden. Dat was wel duidelijk. Maar de grote mensen vonden haar maar vreemd. Wat komt dat mens zich hier met ons bemoeien, vroegen ze zich af. Of ze ook helpen kon, vroeg ze, met melken bij de een, met kaas maken bij de ander. ‘Nee hoor. Dat hoeft echt niet,’ zeiden ze. En ze dachten: ‘Ik heb je toch niet geroepen?’ ‘Kom je hier soms op onze zak leven?’. En bij boer Geurt z’n vrouw was ze zelfs naar binnen gegaan. Die zat het grootste deel van de dag in haar stoel. Zware reumatiek. En ze had haar handen op haar handen gelegd, en op haar knieën. En toen was het opeens veel beter met boer Geurt z’n vrouw gegaan. Nou, de mensen werden maar zenuwachtig van Eva. Wat was dat voor een vrouw? Wilde ze soms wat van ze?

Iedereen was blij dat Eva ’s middags weer vertrok, op de kinderen na dan, en kromme Ietje, en misschien de vrouw van boer Geurt, maar die zei nooit zo veel. ’s Avonds in het dorpshuis praatten ze er nog even over na. Maar niet te lang. Al gauw ging het weer over de koningin. Wanneer die nu eindelijk eens komen zou. Die ruiter was toch echt geweest. Ze haalden de mooie brief nog maar eens te voorschijn. Nee, ze zou vast wel komen als het lente werd.

Ach ja, zo ging het, daar in dat dorpje. En ze leefden nog lang, en niet heel ongelukkig. Ook niet heel gelukkig. Eigenlijk heel gewoon, net als wij in Slotervaart.

gehouden in de Tituskapel, Amsterdam, 24 december 2007

eerdere versie gehouden in de Ned. Hervormde kerk, Loenen aan  de Vecht, 24 december 1998

Kerstavond 2006

Meditatie over Jesaja 9:1-6

Licht in het donker

Licht in het donker, daar zijn we intussen in Nederland en in West-Europa goed in geworden, volgens allerlei mensen zelfs veel te goed. Echt donker is het hier alleen nog als in de hele regio de stroom uitvalt. We hebben het nog over de donkere dagen voor kerst, maar als het er op aankomt zijn dat helemaal niet van die donkere dagen. Overal doen we extra ons best het licht te laten blijven. Alsof we in grote lichtende letters de boodschap over willen brengen: hier zijn we, we zijn echt niet bang in het donker. Pas tegen de ochtend keren we weer terug tot mensenmaat. Het was allemaal erg leuk en gezellig, maar als de zon opgaat, dan wordt het pas echt licht. Maar ja, dan is het gelijk veel minder gezellig. Dan komt alles weer in alle kleuren van de regenboog op je af wat je net lekker van je af had gezet.

Eigenlijk zou het het mooiste zijn als het eens echt licht in ons leven zou worden zonder dat je dan meteen van alles zou zien wat je niet wilt zien. Van het kleinste, dat je niet je eigen verlopen hoofd in de spiegel hoeft te fatsoeneren, tot het grootste, dat we nooit meer op televisie (of zelfs in werkelijkheid) de oorlogsmachine of natuurgeweld over mensen heen hoeven te zien razen. Kerst is het feest dat we aan dat mooiste denken, en aan alles wat tussen die uitersten hoort. Uiteindelijk doen we allemaal onze kaarsjes en onze lichtjes aan vanuit zo’n verlangen. Nooit meer alleen en eenzaam. Nooit meer ziek. Nooit meer in elkaar geslagen worden, of verkracht. Nooit meer stampende laarzen of slaande deuren. Nooit meer rot toch op, joh. Nooit meer van die opmerkingen waarvan je ’s avonds pas in de gaten hebt hoe gemeen ze waren. Nooit meer last van wat je ooit gedaan hebt. Vrede. Dat zou mooi zijn.

Alleen het verlangen al voelt goed. En kennelijk wist die oude profeet Jesaja daar ook wat van. Een schitterend licht in de duisternis. Diepe vreugde. Het juk gebroken, de zweep vernield, de soldatenlaarzen verbrand, en elke mantel waar bloed aan kleeft, weg ermee. Dat gaat niet maar over een paar kaarsjes in een donkere kamer. Dat gaat over het verlangen van alle mensen dat er eens een zon aan de hemel zal staan die niet maar warmte en energie geeft, maar ook werkelijke liefde en trouw en vrede. Dat zou alles in een ander licht zetten. Nee, dit gaat echt over een dimensie meer.

Maar Jesaja ziet het komen via, zeg maar, een dimensie minder. Alsof alles zich omkeert. Wie is zo sterk dat hij het juk dat mensen dragen kan breken, de slavendrijver zijn zweep kan afpakken, wie kan onwillige soldaten ontwapenen? Vanzelf kijken mensen daarvoor naar een grote figuur, een koningsgestalte, die de leiding heeft over vredestroepen, zoals dat dan zo mooi heet. Maar hier niet. Jesaja ziet een kind, een zoon, met vreemde namen. En ook verder gaat het omgekeerd: niet eerst is er een troon en een rijk en dan dwingt de koning van dat rijk vrede af, en recht en gerechtigheid. Nee, eerst is er vrede en recht en gerechtigheid en daarop is dan het rijk gebouwd. Wat goed is, is niet wat het rijk dient, wat de orde dient, wat de koning of de dictator of de baas of de chef prettig uitkomt, nee, wat goed is, is hier wat de vrede dient, eerlijk en oprecht.

Je zou zeggen: dat moet een droom zijn. Beste Jesaja, we kunnen je helemaal volgen als je verlangt naar vrede en gerechtigheid, naar het opgaan van een zon van liefde en trouw en vrede op aarde. We hebben je al geëerd met een mooi standbeeld van zwaarden en ploegscharen bij de Verenigde Naties in New York. Maar vervolgens moet er wel gewoon wat besloten worden in de veiligheidsraad, anders gaat al het moorden en verkrachten en onderdrukken en uithongeren en de baas spelen gewoon door. Ja.

Toch is het niet maar een droom geweest. Er is ruim tweeduizend jaar geleden iets vreemds gebeurt dat past bij wat Jesaja zag. Die omgekeerde wereld begon werkelijkheid te worden. Het was ergens rond het vijfentwintig jarig jubileum van de Romeinse keizer Augustus. De heerschappij rustte op Augustus’ schouders en vrede had hij gebracht in het grootste deel van de toen bekende bewoonde wereld. Zijn troepen dwongen de vrede af en lieten ervoor betalen, maar vrede was het, zolang iedereen Augustus maar de beste vond. Goddelijke held liet hij zich noemen, vredevorst, koning der koningen, zoon van God. Eer aan Augustus in Rome en vrede op aarde voor mensen die hem goed vinden.

Dan begint Lucas te vertellen wat we net samen lazen. Keizer Augustus tekent in Rome een besluit en 1000 kilometer verderop moet een jong stel op weg, een gevaarlijke reis, extra omdat zij zwanger is. Maar het resultaat is dat haar kind net geboren wordt in dat stadje waar de Messias geboren zou worden, de grote Koning zelf. En dan verschijnen er engelen, een koerier uit de goddelijke dimensie van de werkelijkheid zelf, en een enorm hemels leger scandeert: Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft. Op wiens schouders rust nu eigenlijk de heerschappij?

Nee, het kind is nog klein. Augustus heeft nooit van hem gehoord. En toen hij opgroeide bleef het kind vreemd, dwars, alsof bij hem zich alles omkeerde. Als mensen riepen: u moet wel de Messias zijn, de grote Koning zelf, dan zei hij: stil, zeg dat tegen niemand. Hij organiseerde geen macht, maar hij zocht mensen op die juist geen macht hadden, zieken, verschoppelingen, buitenstaanders. Je kon hem vinden aan de donkere kant van de samenleving, bij de nachtvlinders en de verraders. Mensen die hem spraken vertelden later nog dat hij ook de donkere kant van hun hart en leven opzocht. Je zonden zijn je vergeven, zei hij dan. En eindelijk werd het dan vrede in hun leven. Goedheid en waarheid kwamen met dit kind de wereld binnen op een heel nieuwe manier. En ze zijn er nooit meer uit weg gegaan. Zelfs toen mensen hem ophingen, omdat ze de duisternis liever hadden dan het licht, keerde alles zich nog een keer om: zijn goddelijk leven van liefde bleek sterker dan de dood. En vrede voor jullie was zo ongeveer het eerste wat hij zei na zijn opstanding. Vrede, liefde, recht en gerechtigheid, daar is hij de Koning van, daarom draait bij hem alles. Daarop bouwt hij zijn rijk en niet andersom.

En binnen een eeuw na Augustus hadden zijn opvolgers maar al te veel over dit kind gehoord. Ze vervolgden zijn volgelingen. Maar het hielp niets: nog twee eeuwen later werd de keizer zelf christen. En hoeveel er intussen ook veranderd is, we tellen nog altijd allemaal onze jaren vanaf de geboorte van dit kind, als een stille erkenning dat de werkelijke heerschappij op zijn schouders rust. Als een stille erkenning ook dat die omgekeerde wereld die bij dit kind hoort uiteindelijk de echte wereld is en dat wat wij zo vaak als de echte wereld ervaren de boel op z’n kop is.

Anders gezegd, in het beeld waar ik mee begon: wat is het echte licht in het donker? In het donker van het mensenleven op deze aarde? Is dat macht, ordening, organisatie, sterkte, geld, vermogen, een rijk dat wij zelf bouwen hier, onder leiding van iemand, een keizer, een leider, een groep leiders, een grote groep leiders misschien? In heel veel opzichten kan Augustus’ rijk model staan voor het beste van menselijke samenlevingen. Hij had tenminste oog voor het belang van vrede en stabiliteit. Nog eeuwen lang zou op de regering van keizer Augustus worden teruggekeken als op een gouden eeuw. Was het maar weer zo als toen. Ja, jammer dat er voor die vrede betaald moest worden, met geld en met mensenlevens, jammer ergens ook dat zijn enige echte belang zijn eigen eer was. Maar wat wil een mens meer hier op aarde? Er zit toch weinig anders op dan zelf je lichtjes aan te steken in het donker, veel lichtjes, kleine en grote, waxinelichtjes in je vensterbank en grote lantaarnpalen en schijnwerpers.

Jesaja bepaalt ons erbij dat er wel degelijk iets anders op zit. En Lucas onderstreept dat. Kijk eens naar dat kind, volg zijn leven, en je ziet niet maar iemand lichtjes aansteken, maar je ziet een nieuwe zon opgaan over de wereld, de zon van liefde, vrede en recht. Hoeveel lichtjes je ook in je kerstboom hangt, het wordt er buiten geen dag van, en buiten de cirkel van het licht is het ook binnen nog even donker. Je kunt het even vergeten in de gezelligheid van het moment, maar als het weer ochtend is staat de kerstboom er maar vreemd bij. Maar hier is iemand gekomen die het buiten op een heel nieuwe manier dag maakt. Die alles in een ander licht zet. Hij wil jou, zoals je bent, met alles in je leven incluis, je rotervaringen, je angsten, je eenzaamheid, je drift, je vermoeidheid, je kracht en je vreugde, je energie en je diepe verlangen dat alles eens werkelijk goed komt. En hij wil dat geven ook, dat alles eens werkelijk goed komt. Dat is het licht dat hij verspreid, niet maar een kaarsje in de nacht, een zon die opkomt en eens hemel en aarde totaal zal verlichten.

Waarvan wil jij nu dat het licht in jouw kamer het teken zal zijn, vanavond, morgen, alle dagen? Je kunt ergens zelf kiezen. Je kunt zeggen: het is wel donker buiten, en er zit ook van alles aan duisternis in mijn leven, maar dat gaan we zelf aanpakken, we gaan zelf volhouden, nog maar even de tanden op elkaar en er tegenaan.  En dan steek je een voor een je lichtjes aan, zelf. Pas op dat je lucifer niet breekt als je even boos wordt of echt verdrietig. Je kunt ook zeggen: het is wel donker buiten, en er zit ook van alles aan duisternis in mijn leven, maar gelukkig is er iemand die echt van mij houdt, de zon van zijn liefde gaat op in mijn leven, laat me alvast genieten van licht in het donker en het gezellig maken. Laten we blij zijn en feest vieren, want er is geen duisternis zo groot hier, of de zon van Jezus’ liefde, vrede en recht zal haar verdrijven.

Kerst is het feest dat we aan dat mooiste denken, aan het laatste verlangen van mensen. Heel goed. Doe je kaarsjes en je lichtjes er maar om aan. Nooit meer alleen en eenzaam. Nooit meer ziek. Nooit meer in elkaar geslagen worden, of verkracht. Nooit meer stampende laarzen of slaande deuren. Nooit meer rot toch op, joh. Nooit meer van die opmerkingen waarvan je ’s avonds pas in de gaten hebt hoe gemeen ze waren. Nooit meer last van wat je ooit gedaan hebt. Vrede. Dat zal mooi zijn. De omgekeerde wereld zal de echte blijken. Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft, ook voor mij.

gehouden in de Tituskapel, Amsterdam, 24 december 2006

als preek gehouden in: Loenen-Abcoude, 23 december 2007